Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1128

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
201701916/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 februari 2016 heeft het college [appellant] vier lasten onder bestuursdwang opgelegd wegens overtreding van artikel 13 van de Wet bodembescherming. Daarbij heeft het college bepaald dat de kosten van de bestuursdwang voor rekening komen van [appellant].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/898
JAF 2018/798
JOM 2018/372
JBO 2018/134 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JM 2018/57 met annotatie van Y. Flietstra
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701916/1/A1.

Datum uitspraak: 4 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Schimmert, gemeente Nuth,

en

het college van burgemeester en wethouders van Nuth,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2016 heeft het college [appellant] vier lasten onder bestuursdwang opgelegd wegens overtreding van artikel 13 van de Wet bodembescherming. Daarbij heeft het college bepaald dat de kosten van de bestuursdwang voor rekening komen van [appellant].

Bij besluit van 30 november 2016 heeft het college het hiertegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Hiertegen heeft [appellant] beroep ingesteld bij de rechtbank Limburg. De rechtbank heeft het beroepschrift doorgezonden aan de Afdeling.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 januari 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.M. McKernan, advocaat te Sittard, en het college, vertegenwoordigd door mr. D.H.A.S. Gidding, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] is eigenaar en bewoner van het perceel [locatie] te Schimmert. Bij een onderzoek door de politie op 8 oktober 2015 is een drugslab aangetroffen op dit perceel. De politie heeft daarbij vastgesteld dat een deel van de bij de productie van de drugs vrijgekomen vloeibare afvalstoffen is geloosd op de bodem. Uit locatie-inspecties en bodemonderzoek van het adviesbureau LievenseCSO Milieu B.V. eind 2015 is gebleken dat het lozen van de afvalstoffen onder meer heeft plaatsgevonden door het uitrijden daarvan met een giertank, door het ingraven van twee lek geprikte IBC-vaten met afvalstoffen en door het wegpompen van met afvalstoffen verontreinigd gier vanuit de gierkelder naar het achterliggende terrein en dat dit heeft geleid tot verontreiniging van de bodem. Naar aanleiding hiervan heeft het college [appellant] bij het besluit van 25 februari 2016 vier lasten onder bestuursdwang opgelegd wegens overtreding van artikel 13 van de Wet bodembescherming. De eerste, tweede en derde last houden, kort gezegd, in dat de bodemverontreiniging door middel van een bodemonderzoek in kaart moet worden gebracht, op basis daarvan een saneringsplan moet worden opgesteld en na goedkeuring van dat saneringsplan tot sanering van de bodemverontreiniging moet worden overgegaan. De vierde last heeft betrekking op het onderzoeken en veilig afvoeren van de in de gierkelder aanwezige gier.

    [appellant] kan zich niet verenigen met de lasten onder bestuursdwang en de beslissing om de kosten van de bestuursdwang voor zijn rekening te laten komen. Hij voert in dit verband onder meer aan dat het college hem ten onrechte als overtreder van artikel 13 van de Wet bodembescherming heeft aangemerkt.

2.    Ter zitting heeft [appellant] zijn beroepsgrond, dat niet is gebleken dat sprake is van een geval van ernstige verontreiniging als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming, waarvan sanering spoedeisend is als bedoeld in artikel 37 van die wet, ingetrokken.

Overtreder

3.    [appellant] betoogt dat het college hem ten onrechte als overtreder van artikel 13 van de Wet bodembescherming heeft aangemerkt. Het opzetten en exploiteren van het drugslab en het lozen van het daarbij vrijgekomen afval is volgens hem het werk van drugscriminelen, die hem onder grote druk hebben gezet om dit gebruik van zijn perceel te tolereren, onder meer door bedreiging met een vuurwapen. Onder deze omstandigheden kan het handelen van deze criminelen hem niet worden toegerekend, aldus [appellant].

3.1.    Ingevolge artikel 13 van de Wet bodembescherming is ieder die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging of aantasting zich voordoet, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Indien de verontreiniging of aantasting het gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen onverwijld genomen.

    Om iemand als overtreder van artikel 13 te kunnen aanmerken, is vereist dat diegene zelf handelingen als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 heeft verricht, dan wel dat dergelijke handelingen, verricht door anderen, aan hem kunnen worden toegerekend.

3.2.    Vaststaat dat op het perceel, waarvan [appellant] eigenaar en bewoner is, een drugslab is opgezet en geëxploiteerd, vanwaaruit vervolgens drugsafval op en in de bodem is gebracht. Ook als de stelling van [appellant] dat hij hier feitelijk niet bij betrokken is geweest, maar dat deze handelingen zijn verricht door drugscriminelen, die hem onder grote druk hebben gezet om dit gebruik van zijn perceel te tolereren, aannemelijk wordt geacht, kan dat niet tot het oordeel leiden dat het college hem ten onrechte als overtreder van artikel 13 van de Wet bodembescherming heeft aangemerkt. Van [appellant] mocht in dat geval redelijkerwijs verwacht worden dat hij zich naar aanleiding van het opzetten van het drugslab op zijn perceel zo spoedig mogelijk tot de politie had gewend. Aannemelijk is dat, als [appellant] dit had gedaan, de lozingen van het drugsafval voorkomen hadden kunnen worden, althans in omvang beperkt hadden kunnen blijven. Nu [appellant] zich niet tot de politie heeft gewend, maar het opzetten en exploiteren van het drugslab op zijn perceel en de daaruit voortvloeiende lozingen van het drugsafval heeft laten plaatsvinden, kunnen in ieder geval de lozingen aan hem in het kader van artikel 13 van de Wet bodembescherming worden toegerekend. Door na te laten de daardoor veroorzaakte bodemverontreiniging zo veel mogelijk ongedaan te maken, heeft [appellant] artikel 13 overtreden.

    Het betoog faalt.

Noodzaak bodemonderzoek

4.    [appellant] voert aan dat het bodemonderzoek waarop de eerste last onder bestuursdwang ziet, niet noodzakelijk is. Volgens hem beschikt het college op grond van het door LievenseCSO eind 2015 verrichte bodemonderzoek al over alle benodigde gegevens. Omdat de eerste last niet noodzakelijk is, is het verhalen van de kosten in zoverre ook niet redelijk, aldus [appellant].

4.1.    Het door LievenseCSO eind 2015 verrichte bodemonderzoek was blijkens de rapportages daarvan verkennend van aard. Het onderzoek was er niet op gericht om de op het perceel aanwezige bodemverontreiniging volledig in kaart te brengen, maar om het vermoeden dat een bodemverontreiniging was ontstaan door het lozen van drugsafval te bevestigen en een indicatie te krijgen van de omvang van de bodemverontreiniging. De Afdeling ziet geen aanleiding om te twijfelen aan het standpunt van het college dat dit onderzoek onvoldoende inzicht bood in de omvang van de verontreiniging om een saneringsplan te kunnen opstellen. Gelet hierop, heeft het college een last onder bestuursdwang kunnen opleggen strekkende tot het verrichten van aanvullend bodemonderzoek, met kostenverhaal op [appellant] als overtreder. Het college heeft er overigens op gewezen dat bij een door LievenseCSO op 28 april 2016 in opdracht van het college ter effectuering van de bestuursdwang uitgevoerd bodemonderzoek ook daadwerkelijk is gebleken dat de bodemverontreiniging op het perceel groter was dan bij het eerdere onderzoek eind 2015 was vastgesteld.

    Het betoog faalt.

Onmogelijkheid om aan de lasten te voldoen

5.    [appellant] voert aan dat hij niet in staat was om aan de lasten onder bestuursdwang te voldoen, omdat hij zich in detentie bevond. Dit betekent volgens [appellant] dat de door het college gestelde begunstigingstermijnen te kort waren. Het feit dat het voor hem niet mogelijk was om aan de lasten te voldoen, had voor het college voorts aanleiding moeten zijn om de kosten van de bestuursdwang niet voor zijn rekening te laten komen, aldus [appellant].

5.1.    Niet aannemelijk is dat het voor [appellant] vanwege het feit dat hij zich in detentie bevond, onmogelijk was om binnen de begunstigingstermijnen aan de lasten onder bestuursdwang te voldoen. Hij had iemand kunnen machtigen om namens hem uitvoering te geven aan de lasten. Dat [appellant] het blijkens het verhandelde ter zitting bij de Afdeling belangrijk vond om dit zelf te kunnen doen, kan niet tot het oordeel leiden dat het college te korte begunstigingstermijnen heeft gesteld. Het college hoefde bij het stellen van de begunstigingstermijnen geen rekening te houden met de wens van [appellant] om zelf uitvoering te kunnen geven aan de lasten.

    Nu niet aannemelijk is dat het voor [appellant] onmogelijk was om aan de lasten onder bestuursdwang te voldoen, kan zijn betoog reeds daarom evenmin leiden tot het oordeel dat het college aanleiding had moeten zien om de kosten van de bestuursdwang niet of niet geheel voor zijn rekening te laten komen. Overigens zou, ook als het voor [appellant] onmogelijk was geweest om aan de lasten onder bestuursdwang te voldoen, dit op zichzelf geen bijzondere omstandigheid zijn geweest op grond waarvan het college van kostenverhaal had moeten afzien.

    Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

6.    Het beroep is ongegrond.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Van Grinsven

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2018

462.