Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1098

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
201703984/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:8697, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 oktober 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [wederpartij] toegekende kinderopvangtoeslag over 2014 definitief berekend en vastgesteld op nihil alsmede het bedrag van € 22.508,00 van haar teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703984/1/A2.

Datum uitspraak: 4 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Belastingdienst/Toeslagen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 april 2017 in zaak nr. 16/8274 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [wederpartij] toegekende kinderopvangtoeslag over 2014 definitief berekend en vastgesteld op nihil alsmede het bedrag van € 22.508,00 van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 6 september 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 april 2017 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 september 2016 vernietigd en de Belastingdienst/Toeslagen opgedragen om opnieuw te beslissen op het bezwaar van [wederpartij] met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst/Toeslagen hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[wederpartij] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 februari 2018, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. E.H. Visser, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [wederpartij] maakte in het jaar 2014 voor haar oudste kind gebruik van buitenschoolse opvang bij kindercentrum [buitenschoolse opvang]. In verband daarmee heeft de Belastingdienst/Toeslagen bij besluit van 27 december 2013 voor het berekeningsjaar 2014 aan haar een voorschot kinderopvangtoeslag toegekend van € 8.163,00.

    [wederpartij] maakte per 1 maart 2014 voor haar tweede kind ook gebruik van kinderopvang bij dit kindercentrum. In verband hiermee heeft zij op 6 februari 2014 een wijziging bij de Belastingdienst/Toeslagen ingediend, inhoudende een verzoek om toekenning van een voorschot kinderopvangtoeslag voor ook deze kosten. Bij besluit van 23 september 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen, beslissend op dit verzoek, aan [wederpartij] een voorschot toegekend van € 22.283,00.

Standpunt Belastingdienst/Toeslagen

2.    In het besluit op bezwaar heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich op het standpunt gesteld dat uit de door [wederpartij] overgelegde bewijsstukken onvoldoende blijkt dat zij alle kosten van kinderopvang volledig en tijdig heeft betaald.

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag over 2014 van [wederpartij] ten onrechte definitief heeft berekend en vastgesteld op nihil. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat voldoende is komen vast te staan dat een tijdige voldoening van de kosten voor kinderopvang ten tijde van de opvang in 2014 of kort daarna niet mogelijk was en dat een door [wederpartij] overeengekomen uitstel van de voldoening reeds in mei 2014 en derhalve tijdig aan de Belastingdienst/Toeslagen is doorgegeven.

Hoger beroep

4.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte tot dit oordeel is gekomen. De dienst voert daartoe aan dat nu het bij het besluit van 23 september 2014 toegekende voorschot hoger was dan de door [wederpartij] in 2014 gemaakte kosten van kinderopvang, zij met dit voorschot deze kosten heeft kunnen betalen. Reeds hierom heeft zij geen recht op een kinderopvangtoeslag over 2014, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.

4.1.    Artikel 1.7 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: de Wkkp) luidt:

"1. De hoogte van de kinderopvangtoeslag is afhankelijk van:

a. de draagkracht, en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1o. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2o. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3o. de soort kinderopvang.

(…)."

    Artikel 18, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) luidt:

"Een belanghebbende, een partner en een medebewoner verstrekken de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn."

4.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:211) volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wkkp, dat degene die voor kinderopvangtoeslag in aanmerking wil komen, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor zulke opvang heeft gehad en wat de hoogte ervan is. Dit betekent dat het aan [wederpartij], als degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag, is om documenten over te leggen waaruit de hoogte van de gemaakte kosten van kinderopvang kan worden afgeleid en aan te tonen dat zij die kosten volledig heeft voldaan.

4.3.    Uit het jaaroverzicht blijkt dat de kosten van kinderopvang in 2014 in totaal € 21.329,66 hebben bedragen. Door de Belastingdienst/Toeslagen is in 2014 een deel van de maandelijkse voorschotten uitbetaald op de bankrekening van het kindercentrum, in totaal voor een bedrag van € 3.400,00. [wederpartij] dient derhalve nog aan te tonen dat zij het bedrag van (€ 21.329,66 - € 3.400,00) = € 17.929,66 volledig heeft betaald. [wederpartij] heeft rekeningafschriften overgelegd, waaruit blijkt dat zij in 2014 een bedrag van in totaal € 14.917,82 heeft betaald. [wederpartij] heeft daarnaast een overzicht van openstaande betalingen van het kindercentrum overgelegd, waaruit blijkt dat zij op 19 februari 2015 nog een bedrag van € 2.530,77 aan het kindercentrum en vervolgens aan de deurwaarder moest voldoen. Niet in geschil is dat [wederpartij] ook thans dat bedrag nog niet volledig heeft afbetaald.

4.4.    [wederpartij] heeft aangevoerd dat zij leefde van een minimuminkomen, de zorg droeg van twee jonge kinderen en dat zij kampte met verschillende schulden die afgelost dienden te worden. Doordat de Belastingdienst/Toeslagen niet direct heeft beslist op de door haar op 6 februari 2014 ingediende wijziging, beschikte zij niet direct over een voorschot voor de kosten van kinderopvang voor haar tweede kind en kon zij deze kosten niet tijdig betalen. Daardoor is zij verder in de financiële problemen geraakt. Zij heeft het overgrote deel van de kosten betaald en heeft voor het restant een betalingsregeling gesloten met het kindercentrum en vervolgens met de deurwaarder, aldus [wederpartij].

4.5.    Zoals uiteengezet in de uitspraak van de Afdeling van 16 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3044, onderkent de Belastingdienst/Toeslagen dat vraagouders in bepaalde situaties niet in staat zijn om de kosten tijdig te voldoen. Dit kan zich voordoen indien er geen voorschot is verstrekt. De Belastingdienst/Toeslagen verwacht dan dat de aanvrager actief handelt, waarbij kan worden gedacht aan het overeenkomen van uitstel van betaling.

4.6.    Bij besluit van 23 september 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen aan [wederpartij] alsnog een voorschot toegekend van € 22.283,00. Niet bestreden is dat dit voorschot ook zag op de kosten van kinderopvang van het tweede kind. De Belastingdienst/Toeslagen heeft een overzicht van betalingen aan [wederpartij] overgelegd, waaruit blijkt dat de dienst dit voorschot in termijnen in het berekeningsjaar 2014 heeft uitbetaald en dat de laatste termijn is uitbetaald op 20 november 2014.

    Met de Belastingdienst/Toeslagen is de Afdeling van oordeel dat nu het alsnog toegekende voorschot hoger was dan de totale kosten van kinderopvang en dit voorschot alsnog in 2014 volledig is uitbetaald, [wederpartij] daarmee de kosten van kinderopvang tijdig, dat wil zeggen in 2014 of uiterlijk kort daarna, kon voldoen. Dat zij kampte met schulden en zich genoodzaakt zag om deze eerst af te betalen, maakt dit niet anders. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2096), betreft de kinderopvangtoeslag een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. Het alsnog toegekende voorschot diende derhalve ter voldoening van de kosten van kinderopvang te worden gebruikt en niet voor het betalen van andere schulden of het voorzien in levensonderhoud.

    Gelet hierop heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat [wederpartij] niet in staat was om de kosten van kinderopvang tijdig te voldoen. Reeds hierom heeft [wederpartij] geen recht op een kinderopvangtoeslag over 2014. Aan de vraag of [wederpartij] actief heeft gehandeld, door uitstel van betaling overeen te komen met het kindercentrum, wordt niet toegekomen.

    Het betoog slaagt.

5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 2 oktober 2015 van de Belastingdienst/Toeslagen alsnog ongegrond verklaren.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 april 2017 in zaak nr. 16/8274;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Nales

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2018

680.