Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1095

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2018
Datum publicatie
11-04-2018
Zaaknummer
201800169/1/A2 en 201800169/2/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2017 heeft het college een aanvraag van [appellante] om leerlingenvervoer in de vorm van aangepast vervoer ten behoeve van haar zoon [naam zoon] van en naar de Belle van Zuylenschool in Utrecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800169/1/A2 en 201800169/2/A2.

Datum uitspraak: 4 april 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Utrecht,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) van 23 november 2017 in zaken nrs. 17/3530 en 17/4352 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2017 heeft het college een aanvraag van [appellante] om leerlingenvervoer in de vorm van aangepast vervoer ten behoeve van haar zoon [naam zoon] van en naar de Belle van Zuylenschool in Utrecht afgewezen.

Bij besluit van 27 september 2017 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 november 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van

27 september 2017 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

[appellante] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 maart 2018, waar [appellante], bijgestaan door mr. J.H.F. de Jong, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door S. Gangabisoensingh en L. Verhagen, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Achtergrond en besluitvorming

2.    [appellante] heeft voor haar [zoon], geboren op [datum en jaar], een aanvraag ingediend om leerlingenvervoer in de vorm van aangepast vervoer van en naar de Belle van Zuylenschool in Utrecht, een school voor speciaal basisonderwijs (SBO) met ingang van 5 april 2017. Volgens haar is deze school de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor dit soort onderwijs. Zij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de dichterbij gelegen Sint Maartenschool in Utrecht zich als SBO ongeschikt acht voor haar zoon en dus niet als toegankelijke school in de zin van de Verordening leerlingenvervoer gemeente Utrecht 2015 (hierna: de Verordening) kan worden aangemerkt.

3.    Aan het besluit van 7 april 2017 heeft het college ten grondslag gelegd dat de Belle van Zuylenschool niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor [zoon] is.

4.    Aan de handhaving van de afwijzing in bezwaar heeft het college ten grondslag gelegd dat in beginsel geen aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer omdat zowel de Sint Maartenschool als de Belle van Zuylenschool op minder dan zes kilometer van de woning van [appellante] is gelegen. Voorts kan [zoon] volgens het college speciaal basisonderwijs worden geboden op de Sint Maartenschool. Door [appellante] is niet genoegzaam aangetoond dat zij door haar gezinssituatie of om andere redenen [zoon] niet kan begeleiden zonder dat dit tot ernstige benadeling van het gezin leidt en is niet gebleken dat [zoon] is aangewezen op aangepast vervoer om naar school te kunnen gaan, aldus het college. Het college ziet geen reden om de hardheidsclausule toe te passen.

Aangevallen uitspraak

5.    De rechtbank heeft het besluit op bezwaar vernietigd, omdat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in het geval van [appellante] geen sprake is van een situatie waarin het afstandscriterium van meer dan zes kilometer niet van toepassing is. De rechtbank heeft aanleiding gezien de rechtsgevolgen van dit vernietigde besluit in stand te laten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de Sint Maartenschool terecht aangemerkt als dichtstbijzijnde toegankelijke school. Voor zover [appellante] heeft bedoeld aanspraak te maken op aangepast vervoer van en naar de

Sint Maartenschool overweegt de rechtbank dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij niet in staat is om haar zoon zelf naar en van school te begeleiden of dat een ander dit voor haar zou kunnen doen, dan wel dat dit tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van een uitzonderingsgeval waarin een vervoervoorziening in de vorm aangepast vervoer wordt verstrekt. Wil [appellante] in aanmerking komen voor vergoeding van kosten voor het openbaar vervoer van en naar de Sint Maartenschool dan dient zij daarvoor een aparte aanvraag in te dienen, nu zij niet heeft toegelicht op welke wijze haar zoon, als hij naar die school zou gaan, zou reizen en welke kosten hier dan mee gemoeid zouden zijn. Voorts ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het college in redelijkheid had moeten besluiten de hardheidsclausule toe te passen.

Wettelijk kader

6.    Artikel 4, van de Wet op het primair onderwijs luidt:

"1. Burgemeester en wethouders verstrekken ten behoeve van het schoolbezoek aan ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag bekostiging van de door burgemeester en wethouders noodzakelijk te achten vervoerskosten. De gemeenteraad stelt daartoe een nadere regeling vast, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden.

(…)

12. De regeling kan bepalen dat burgemeester en wethouders in bijzondere gevallen de bevoegdheid hebben ten gunste van de ouders van de inhoud van de regeling af te wijken".

De Verordening luidt:

Artikel 3

"1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school (…)"

Artikel 23

"Het college kan de verordening leerlingenvervoer buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voorzover toepassing gelet op het belang van het naar school gaan van de leerling leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard."

Beoordeling hoger beroep

7.    [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat uit de verklaringen van de Sint Maartenschool volgt dat het door deze school aangeboden speciaal basisonderwijs niet voldoende passende ondersteuning voor de verdere schoolontwikkeling van haar zoon kan bieden zodat de Belle van Zuylenschool als dichtstbijzijnde toegankelijke school moet worden aangemerkt.

8.    Blijkens de toelaatbaarheidsverklaring van 20 december 2016 heeft het Samenwerkingsverband Utrecht PO, waartoe de Sint Maartenschool behoort, op basis van de beschikbare gegevens, waaronder twee deskundigenadviezen, [zoon] toelaatbaar geacht tot een SBO. Niet in geschil is dat zowel de Sint Maartenschool als de Belle van Zuylenschool speciaal basisonderwijs aanbiedt. Dat de Sint Maartenschool in februari 2017 heeft verklaard dat zij vanuit hun deskundigheid hebben aangegeven dat SBO geen voldoende passende ondersteuning biedt voor de verdere ontwikkeling van [zoon] en een intensievere setting heeft geadviseerd, doet aan het gemeenschappelijke oordeel van het Samenwerkingsverband niet af. Met dat oordeel is de onderwijsbehoefte van [zoon] komen vast te staan, hetgeen door [appellante] op zichzelf ook niet wordt bestreden. Dat de Sint Maartenschool niet expliciet is teruggekomen van zijn standpunt, biedt geen aanleiding om aan te nemen dat de Sint Maartenschool zich niet aan het gemeenschappelijke oordeel van het Samenwerkingsverband zal houden. Uit de verklaring van de Sint Maartenschool blijkt niet dat deze school [zoon], anders dan de Belle van Zuylenschool, niet goed zal of kan begeleiden of dat [zoon] daar geen onderwijs zou kunnen volgen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de Sint Maartenschool heeft medegedeeld dat [zoon] welkom is op deze school, hetgeen is bevestigd in de aanvullende verklaring van 20 maart 2018. Uit de eerdere verklaring van de Sint Maartenschool valt af te leiden dat [appellante] er zelf voor heeft gekozen [zoon] te laten starten op de Belle van Zuylenschool. Een gebrek aan vertrouwen bij [appellante] dat haar zoon op de Sint Maartenschool passende ondersteuning zal krijgen, doet er niet aan af dat het college deze school als dichtstbijzijnde toegankelijke school heeft kunnen aanmerken.

    Aan hetgeen [appellante] heeft aangevoerd over de onmogelijkheid om haar zoon door anderen te laten begeleiden dan wel dat begeleiding door haarzelf vanwege de aanzienlijke reistijd tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden, wordt niet toegekomen nu zij in dat verband uitgaat van de reistijd naar de Belle van Zuylenschool terwijl op grond van het vorenstaande de Sint Maartenschool als toegankelijke school kan worden aangemerkt. [appellante] heeft niet aangetoond dat begeleiding van haar zoon door haarzelf of anderen naar de Sint Maartenschool, op 1.4 kilometer afstand van haar woning, onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van haar gezin zal leiden.

    Het betoog faalt.

9.    Onder verwijzing naar de uitspraak van 12 juni 2013 in zaak nr. 201208919/1/A2 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2908) overweegt de Afdeling dat het college aan artikel 23 van de Verordening toepassing kan geven, maar daartoe niet zonder meer verplicht is. De rechter dient de weigering van het college de in artikel 23 van de Verordening opgenomen bevoegdheid toe te passen terughoudend te toetsen.

    Dat bij [appellante] een gebrek aan vertrouwen is dat de Sint Maartenschool het beste onderwijs of de meest geschikte leeromgeving biedt voor haar zoon, kan niet tot het oordeel leiden dat onverkorte toepassing van artikel 3 van de Verordening onevenredige gevolgen heeft voor [appellante] en haar zoon. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 6 januari 2010 in zaak nr. 200903136/1/H2; ECLI:NL:RVS:2010:BK8359) behoort het geven van begeleiding tijdens het leerlingenvervoer in beginsel tot de verantwoordelijkheid van de ouders. Dat [appellante] alleenstaande ouder is en naast [zoon] nog een jongere zoon heeft die naar een andere school gaat, maakt de situatie niet bijzonder. Deze situatie, hoezeer ook aannemelijk is dat deze belastend is, onderscheidt zich niet in betekenende mate van de problemen die vele andere gezinnen op dit punt ondervinden. De omstandigheid dat zij geen rijbewijs heeft en naar eigen zeggen een sociaal netwerk ontbreekt om [zoon] naar school te begeleiden, biedt evenmin grond voor het oordeel dat het college de hardheidsclausule had moeten toepassen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat zoals uit hiervoor onder 8. is overwogen, de Sint Maartenschool als toegankelijke school kan worden aangemerkt en deze school op 1.4 kilometer afstand van de woning van [appellante] is gelegen. Voor zover [appellante] stelt dat als gevolg van de besluitvorming haar zoon noodgedwongen in strijd met de wettelijke leerplicht thuis zit en zij vreest voor achterstanden, wordt overwogen dat de bepalingen van de Verordening niet afdoen aan de verantwoordelijkheid van de ouder voor het schoolbezoek van de leerling, hetgeen betekent dat de verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek bij de ouder ligt en niet afhankelijk gemaakt kan worden van de vergoeding van kosten van leerlingenvervoer.

    Het betoog faalt.

10.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

11.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, griffier.

w.g. Wortmann    w.g. Van Soest-Ahlers

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2018

343.