Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1083

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
201702606/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:2671, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 februari 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201702606/1/V1.

Datum uitspraak: 29 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 maart 2017 in zaak nr. 17/4100 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.

Bij uitspraak van 21 maart 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W. Spijkstra, advocaat te Beetsterzwaag, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Bij besluit van 7 december 2015 heeft de staatssecretaris een eerdere aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet-ontvankelijk verklaard krachtens artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) omdat hij in Oeganda als vluchteling is erkend, daar bescherming kan genieten en niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet tot dat land wordt toegelaten. Dit besluit is in rechte onaantastbaar.

2.    Op 17 februari 2017 heeft de vreemdeling opnieuw asiel aangevraagd. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat hij, gezien het tijdsverloop en de vruchteloze pogingen om naar Oeganda terug te keren, aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen toegang tot en bescherming in Oeganda zal verkrijgen. De staatssecretaris heeft de aanvraag bij besluit van 21 februari 2017 niet-ontvankelijk verklaard omdat hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd niet kan worden aangemerkt als nieuw element of bevinding in de zin van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.

3.    In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat de vreemdeling tot Oeganda zal worden toegelaten, aangezien de vreemdeling zijn volledige medewerking heeft verleend om zijn vertrek naar Oeganda te realiseren en het tot 16 februari 2017 niet is gelukt duidelijkheid te verkrijgen over de toegang tot dat land. Nu die ontwikkelingen dateren van na het besluit van 7 december 2015, heeft de staatssecretaris ondeugdelijk gemotiveerd dat de vreemdeling geen nieuwe elementen of bevindingen heeft gesteld die kunnen afdoen aan dat besluit, aldus de rechtbank.

4.    De enige grief van de staatssecretaris richt zich tegen de onder 3. weergegeven overweging. De staatssecretaris betoogt dat weliswaar de Dienst Terugkeer en Vertrek, laatstelijk nog in oktober 2016, via WhatsApp contact met de Oegandese autoriteiten heeft gehad na het besluit van 7 december 2015 en dat het niet is gelukt de vreemdeling uit te zetten naar Oeganda en voorts de Internationale Organisatie voor Migratie (hierna: de IOM) de vreemdeling geen hulp heeft kunnen bieden, maar dat de vreemdeling daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij zelfstandige terugkeer geen toegang tot en bescherming in Oeganda zal krijgen.

4.1.    Niet in geschil is dat de Oegandese autoriteiten in 2016 hebben bevestigd dat het door hen aan de vreemdeling afgegeven vluchtelingendocument authentiek is. Dat de Oegandese autoriteiten in het kader van de uitzettingsprocedure nog niet uitdrukkelijk hebben ingestemd met de overdracht van de vreemdeling, betekent niet dat vaststaat dat de vreemdeling geen toegang tot en bescherming in Oeganda kan krijgen. De verklaring van de IOM dat zij de vreemdeling geen hulp kunnen bieden is slechts gebaseerd op de stelling van de vreemdeling dat hij niet over reisdocumenten kan beschikken. De vreemdeling heeft niet gestaafd dat de Oegandese autoriteiten hem daadwerkelijk de toegang ontzeggen. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de vreemdeling nieuwe elementen of bevindingen aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd.

    De grief slaagt.

5.    Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van de staatssecretaris van 21 februari 2017 alsnog ongegrond verklaren.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 maart 2017 in zaak nr. 17/4100;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, griffier.

w.g. Van Eck    w.g. Willems

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2018

412-850.