Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1080

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
201801483/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 (lees: 20) december 2017, voor zover thans van belang, heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201801483/1/V3.

Datum uitspraak: 29 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 13 februari 2018 in zaken nrs. NL17.15375 en NL17.15460 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 21 (lees: 20) december 2017, voor zover thans van belang, heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit).

Bij besluit van 20 december 2017 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 13 februari 2018 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdeling ingestelde beroepen gegrond verklaard, het terugkeerbesluit vernietigd en hem schadevergoeding toegekend.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F. Jansen, advocaat te Utrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 bevat het hogerberoepschrift, in aanvulling op artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van de Awb, één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank.

    Ingevolge het tweede lid omschrijft een grief het onderdeel van de uitspraak waarmee de indiener zich niet kan verenigen, alsmede de gronden waarop de indiener zich daarmee niet kan verenigen.

    Ingevolge het derde lid wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, indien niet is voldaan aan het eerste of tweede lid, aan artikel 6:5 van de Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het hoger beroep. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing, indien niet is voldaan aan de vereisten vermeld in artikel 6:5, eerste lid, onder c en d, of aan het eerste of tweede lid van dit artikel.

2.    Hetgeen de staatssecretaris in het hogerberoepschrift heeft aangevoerd, heeft hij niet aan het terugkeerbesluit ten grondslag gelegd. Evenmin heeft hij dit in eerste aanleg naar aanleiding van hetgeen de vreemdeling tegen dat besluit heeft aangevoerd naar voren gebracht noch heeft hij de rechtbank verzocht daartoe in de gelegenheid te worden gesteld.

    Uit artikel 85 van de Vw 2000 volgt dat de grieven die de staatssecretaris in hoger beroep aanvoert, moeten blijven binnen de toetsing van het bestreden besluit die de rechtbank heeft verricht, dan wel, gelet op de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, de daartegen voor haar aangevoerde beroepsgronden, het daaromtrent gevoerde verweer en de door haar te verrichten ambtshalve toetsing, behoorde te verrichten. Met deze bepaling verdraagt zich niet dat de staatssecretaris in hoger beroep grieven aanvoert waarin nieuwe of gewijzigde argumenten aan het bij de rechtbank bestreden besluit ten grondslag worden gelegd. Zodanige argumenten gaan de door de rechtbank te verrichten toetsing te buiten.

    Uit het voorgaande volgt dat hetgeen de staatssecretaris in hoger beroep heeft aangevoerd, niet is aan te merken als een grief in de zin van voormeld artikel 85. Daarom is niet voldaan aan voormeld artikel 85, eerste lid.

3.    Het hoger beroep is, gelet op voormeld artikel 85, derde lid, kennelijk niet-ontvankelijk.

4.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.L.N. Bakker, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Bakker

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2018

395.