Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1054

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-03-2018
Datum publicatie
28-03-2018
Zaaknummer
201705039/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2017:4587, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 oktober 2015 heeft het college Waddenduyn B.V. omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een groepsverblijf met 50 slaapplaatsen op de Waalderweg 118 te Den Burg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201705039/1/A1.

Datum uitspraak: 28 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B], wonend onderscheidenlijk gevestigd te Den Burg, gemeente Texel,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 7 juni 2017 in zaak nr. 16/2601 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Texel.

Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2015 heeft het college Waddenduyn B.V. omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een groepsverblijf met 50 slaapplaatsen op de Waalderweg 118 te Den Burg.

Bij besluit van 3 mei 2016 heeft het college het door [appellant A] en [appellante B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 juni 2017 heeft de rechtbank het door [appellant A] en

[appellante B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellante B] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak met de zaken met nrs. 201605402/1/A1 en 201702512/1/R1 gevoegd ter zitting behandeld op 13 maart 2018, waar [appellant A] en [appellante B], vertegenwoordigd door [appellant A] en bijgestaan door mr. E.A. Wentink-Quelle, advocaat te Ouderkerk aan de Amstel en het college, vertegenwoordigd door mr. E.H.D. Lindenbergh,

mr. C.H. Witte en mr. E. Sickmann, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Waddenduyn B.V, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. H.P. Verheyen, advocaat te Den Burg, als partij gehoord.

Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het college heeft aan Waddenduyn B.V. omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een groepsverblijf met 50 slaapplaatsen op het perceel Waalderweg 118 te Den Burg. Het groepsverblijf is voorzien van een dak met een licht gebogen middengedeelte. In het verlengde hiervan is het dak aan de linker- en rechterzijde voorzien van gebogen kapconstructies.

    Op het aangrenzende perceel [locatie 1] en [locatie 2] te Den Burg van [appellant A] en [appellante B] is een groepsverblijf gelegen. In het bestemmingsplan "Buitengebied Texel 2013" (hierna: het bestemmingsplan) is dit groepsverblijf niet van een bouwvlak voorzien.

    Bij uitspraak van 15 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1159, heeft de Afdeling in de procedure over het bestemmingsplan "Buitengebied Texel 2013" geoordeeld dat vaststaat dat op het perceel [locatie 1] te Den Burg aan de oostelijke kant van het bestemmingsvlak met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatieve gebouwen" een groepsverblijf buiten het bouwvlak is gelegen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad niet gemotiveerd waarom het groepsverblijf, dat is opgericht overeenkomstig een verleende vergunning, niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft evenmin gemotiveerd dat dit binnen de planperiode zal verdwijnen. De raad heeft derhalve onvoldoende gemotiveerd waarom hij het groepsverblijf onder het overgangsrecht heeft gebracht, aldus de Afdeling.

    Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 15 april 2015 heeft de raad het groepsverblijf van [appellant A] en [appellante B] in het "Reparatieplan Buitengebied Texel", vastgesteld bij besluit van 21 december 2016 (hierna: het reparatieplan), van een bouwvlak voorzien.

    Het aan Waddenduyn B.V. vergunde groepsverblijf en het groepsverblijf van [appellant A] en [appellante B] zijn in het reparatieplan binnen hetzelfde bestemmingsvlak gelegen.

Het hoger beroep

2.    [appellant A] en [appellante B] betogen dat de Afdeling in de uitspraak van 15 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1159, heeft verzuimd het gehele bestemmingsvlak of het bouwvlak op het perceel [locatie 1] te Den Burg te vernietigen. Waddenduyn B.V. heeft er volgens [appellant A] en [appellante B] gebruik van kunnen maken dat als gevolg van de uitspraak de voorheen op het gehele perceel geldende bouw- en gebruiksmogelijkheden ten behoeve van 50 slaapplaatsen, nu uitsluitend voor haar perceelsgedeelte gelden.

    Volgens [appellant A] en [appellante B] is de raad door de uitspraak in een spagaat komen te verkeren, nu uit het reparatieplan blijkt dat de planwetgever heeft beoogd een bouwvlak met maximaal 50 slaapplaatsen voor het gehele bestemmingsvlak toe te kennen.

    [appellant A] en [appellante B] betogen dat gelet op de bijzondere feiten en omstandigheden in dit geval in afwijking van de vaste jurisprudentie ex nunc dient te worden beslist dat de omgevingsvergunning niet had kunnen en mogen worden verleend aan Waddenduyn B.V. en alsnog dient te worden verleend aan [appellant A] en [appellante B] In dat geval zullen in het reparatieplan alsnog 50 recreatieve slaapplaatsen extra moeten worden opgenomen voor het legale groepsverblijf van [appellant A], aldus [appellant A] en [appellante B]

2.1.     Artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) luidt: "Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

(…)

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan,(…);

(…)."

    Artikel 36, lid 36.1, van de planregels van het bestemmingsplan luidt: "De voor "Recreatie-Verblijfsrecreatieve gebouwen" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. gebouwen ten behoeve van verblijfsrecreatie in de vorm van hotels, groepsverblijven en complexen van recreatieappartementen;

(…)."

    Lid 36.4.1 luidt: "Voor het gebruik van gronden en bebouwing gelden de volgende regels:

a. het aantal recreatieve slaapplaatsen binnen een bestemmingsvlak bedraagt maximaal het op de verbeelding in de maatvoering "maximum aantal recreatieve slaapplaatsen" aangeduide aantal;

(…)."

In de maatvoering op de verbeelding is voor het bestemmingsvlak waarin de percelen [locatie 1] en 118 liggen aangegeven dat het maximum aantal recreatieve slaapplaatsen 50 bedraagt.

2.2.     Voor zover [appellant A] en [appellante B] zich niet kunnen verenigen met voormelde uitspraak van de Afdeling van 15 april 2015, overweegt de Afdeling dat [appellant A] en [appellante B] met dit hoger beroep geen rechtsmiddelen kunnen aanwenden tegen voormelde uitspraak. Ten aanzien van het betoog van [appellant A] en [appellante B] dat het niet de bedoeling van de desbetreffende uitspraak kan zijn geweest dat het groepsverblijf op het perceel [locatie 1] als zodanig positief is bestemd maar het gebruik ervan niet, wijst de Afdeling erop dat in de procedure die heeft geleid tot die uitspraak uitsluitend de vraag aan de orde was of het gebouw van het groepsverblijf ten onrechte was wegbestemd.

    De Afdeling stelt vast dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de Afdeling in de uitspraak van 15 april 2015 weliswaar onderdelen van het bestemmingsplan heeft vernietigd, maar deze vernietigingen zien niet op het perceel Waalderweg 118 te Den Burg. Ten aanzien van dat perceel is het bestemmingsplan derhalve met de uitspraak van de Afdeling van 15 april 2015 onherroepelijk geworden. De rechtbank heeft gelet hierop terecht overwogen dat het college de aanvraag van Waddenduyn B.V. terecht aan dat bestemmingsplan heeft getoetst.

    Aan het perceel Waalderweg 118 te Den Burg zijn op grond van het bestemmingsplan de bestemmingen "Recreatie-Verblijfsrecreatieve gebouwen" en "Waarde -Archeologie 3" toegekend. De Afdeling stelt vast dat gelet op de verbeelding behorend bij het bestemmingsplan een maximum van 50 recreatieve slaapplaatsen is gekoppeld aan het bouwvlak op het perceel Waalderweg 118. De rechtbank heeft gelet hierop met juistheid overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanvraag van Waddenduyn B.V. voor de bouw van een groepsverblijf met 50 slaapplaatsen niet in strijd is met het bestemmingsplan.

    Voorts heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling terecht overwogen dat de omstandigheid dat [appellant A] en [appellante B] op grond van een door het college in het verleden aan hun verleende vergunning mogelijkerwijs over een geldig gebruiksrecht beschikken voor een groepsverblijf met 50 slaapplaatsen, hieraan niet kan afdoen.

    Voor zover [appellant A] en [appellante B] de verdeling van het aantal recreatieve slaapplaatsen binnen het bestemmingsvlak met de bestemming "Recreatie-Verblijfsrecreatieve gebouwen" betwisten vanwege de lijn die tussen de bouwvlakken op de percelen [locatie 1] en Waalderweg 118 is weergegeven op de verbeelding behorende bij het reparatieplan, is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat dit niet aan de orde kan komen, daar het reparatieplan in deze procedure niet voorligt. Dit geldt evenzeer voor het betoog dat in het reparatieplan 50 recreatieve slaapplaatsen extra moeten worden opgenomen voor het groepsverblijf van [appellant A] en [appellante B]

    Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat gelet op de omstandigheden van het geval de omgevingsvergunning niet had mogen worden verleend aan Waddenduyn B.V. Het college heeft het bouwplan terecht uitsluitend getoetst aan de gronden voor weigering die zijn opgenomen in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo. Er doen zich hier geen weigeringsgronden voor. De belangen van [appellant A] en [appellante B], wat daar verder van zij, behoren niet tot dat toetsingskader.

    Het betoog faalt.

3.    [appellant A] en [appellante B] betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de dakhelling van het vergunde groepsverblijf in overeenstemming is met artikel 36, lid 36.2.1, aanhef en onder g, van de planregels behorende bij het bestemmingsplan en de bedoeling van de planwetgever om bij een ronde dakhelling het gemiddelde van de hellingshoeken te hanteren en derhalve niet elke hoek, die het dakvlak of elk van de dakvlakken maakt ten opzichte van het horizontale vlak.

    Indien deze overweging van de rechtbank wordt gevolgd, dan is artikel 62, lid 62.1, sub b, van de planregels, waarin de algemene afwijkingsbepaling voor de hoogte of laagte van dakhellingen is opgenomen, overbodig en zinledig, aldus [appellant A] en [appellante B]

3.1.    Artikel 1, lid 1.49, van de planregels luidt: "Onder dakhelling wordt verstaan: de hoek, die het dakvlak of elk van de dakvlakken maakt ten opzichte van het horizontale vlak."

    Artikel 2, lid 2.2, luidt: "Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

(…)

de dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak."

    Artikel 36, lid 36.2.1, luidt: "De maatvoering van een gebouw of een overkapping moet voldoen aan het volgende bouwschema tenzij anders is weergegeven op de verbeelding:

(…)

Dakhelling min 20o en max 60o

(…)."

    Artikel 62, lid 62.1, luidt: "Met een omgevingsvergunning kan afgeweken worden van het bepaalde in dit plan in die zin dat:

(…)

b. de dakhelling van gebouwen en/of overkappingen wordt verlaagd en/of verhoogd, mits:

1. Geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de omliggende gronden;

(…)."

3.2.    De Afdeling stelt vast dat het college zich op het standpunt heeft gesteld dat de dakhelling moet worden bepaald aan de hand van de hoek tussen de lijn welke de goothoogte op het verste punt van het dak en het hoogste punt van het bouwwerk verbindt ten opzichte van het horizontale vlak. De dakhelling is aldus gemeten volgens het college 58o.

3.3.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat de hellingsgraad van het dakvlak van een gebogen kap, anders dan bij het dakvlak van een rechte kap, niet op alle punten dezelfde is. De in artikel 1, lid 1.49, van de planregels opgenomen definitie van dakhelling, die uitgaat van een hoek, is gelet hierop niet zonder nadere invulling bruikbaar voor het meten van de dakhelling van een gebogen kap zoals hier aan de orde.

    De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de door het college gehanteerde meetwijze een nadere invulling is van de in het bestemmingsplan gegeven definitie om de hoek, die het dakvlak maakt ten opzichte van het horizontale vlak, te meten en dat bij een gebogen dak de helling van het dakvlak niet anders kan worden geduid dan het gemiddelde van de hellingsgraden van alle punten van het dakvlak van het gebogen dak. Nu de door het college gehanteerde meetwijze een praktisch uitvoerbare meetwijze is, die de gemiddelde dakhelling benadert, mocht het college deze meetwijze hanteren. Nu de dakhelling, aldus gemeten, 58o is, heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat de gebogen kap van het in het bouwplan voorziene groepsverblijf niet in strijd is met artikel 36, lid 36.2.1, aanhef en onder g, van de planregels. De rechtbank heeft terecht niet het betoog van [appellant A] en [appellante B] gevolgd dat het dakvlak van de gebogen kap op geen enkel punt een hellinggraad van meer dan 60o mag hebben. De planregels gaan ervan uit dat een dakvlak een dakhelling heeft.

    Voorts bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat artikel 62, lid 62.1, van de planregels gelet op het vorenstaande zinledig is, nu dat artikel van toepassing is op rechte dakhellingen.

    Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, griffier.

w.g. Uylenburg    w.g. Melenhorst

voorzitter    

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2018

490.