Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1052

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-03-2018
Datum publicatie
28-03-2018
Zaaknummer
201702108/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2016, kenmerk 82016/111217, heeft de raad het bestemmingsplan "Carolusdreef 100" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/325
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201702108/1/R2.

Datum uitspraak: 28 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Valkenswaard,

2.    [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], beiden wonend te Valkenswaard (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]),

en

de raad van de gemeente Valkenswaard,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2016, kenmerk 82016/111217, heeft de raad het bestemmingsplan "Carolusdreef 100" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1], de raad en Stichting Woonbedrijf hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 februari 2018, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. M.Th.M. Zusterzeel, advocaat te Weert, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. J. Kuijken, advocaat te Valkenswaard, en de raad, vertegenwoordigd door drs. C.C.A. Evers, zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord Stichting Woonbedrijf, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. L.M. Muetstege, advocaat te Eindhoven.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plan heeft betrekking op het terrein aan de Carolusdreef 100 in Valkenswaard. Het terrein betreft een voormalige schoollocatie en is momenteel onbebouwd. De raad maakt met het plan mogelijk dat op dit terrein maximaal 14 grondgebonden woningen en maximaal 23 appartementen met bijhorende voorzieningen kunnen worden gerealiseerd. Daartoe is in dit plan aan de desbetreffende gronden de bestemming "Wonen" toegekend.

2.    [appellant sub 1] woont aan de [locatie 1], tegenover de voorziene ontwikkeling, op ongeveer 10 meter van het plangebied. Zijn beroep richt zich in het bijzonder tegen het appartementengebouw dat op de hoek van de Carolusdreef en Die Haghe mogelijk wordt gemaakt. Aan deze gronden is de bestemming "Wonen" toegekend almede de aanduidingen ‘bouwvlak’, ‘gestapeld’ en ‘maximum aantal wooneenheden=23’. Verder is aan deze gronden grotendeels een maximum goot- en bouwhoogte van 13 meter toegekend. [appellant sub 1] vreest dat het voorziene appartementengebouw leidt tot een verslechtering van zijn woon- en leefklimaat. Daarnaast betwist hij dat behoefte bestaat aan de in het plan voorziene woningen en dat het plan ruimtelijk aanvaardbaar is voor de aspecten geluid, parkeren en verkeersveiligheid.

    [appellant sub 2] woont aan de [locatie 2] in Valkenswaard. Het perceel grenst aan het plangebied. [appellant sub 2] kan zich niet met het plan verenigen voor zover aan de noordzijde van het plangebied, grenzend aan de Sint Antoniusstraat, rijtjeswoningen zijn voorzien. Deze woningen passen volgens [appellant sub 2] niet in het huidige karakteristieke straatbeeld van de Sint Antoniusstraat. Verder hebben de voorziene rijtjeswoningen een aanmerkelijke vermindering van zijn vrije uitzicht en lichtvermindering tot gevolg.

Algemeen toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellant sub 1]    

Appartementengebouw

4.    [appellant sub 1] vreest een verslechtering van zijn woon- en leefklimaat en in het bijzonder een aantasting van zijn privacy door inkijk vanuit het voorziene appartementengebouw in zijn tuin. Daartoe voert hij aan dat het plan op de hoek van de Carolusdreef en Die Haghe grotendeels voorziet in woningbouw met vier bouwlagen. Ter zitting heeft [appellant sub 1] toegelicht dat als de raad gestapelde nieuwbouw wenst, het appartementengebouw hoogstens drie bouwlagen mag hebben, in ieder geval aan de zijde tegenover zijn perceel op de hoek van de Carolusdreef en Die Haghe.

    Verder betoogt [appellant sub 1] dat het plan is vastgesteld in strijd met de gemeentelijke structuurvisie, voor zover het plan voorziet in een appartementengebouw met vier bouwlagen. Hiertoe voert hij aan dat in de gemeentelijke structuurvisie staat dat een ontwikkeling moet aansluiten op de bestaande bebouwing en dorps bouwen het uitgangspunt is. Volgens hem is met het voorziene appartementengebouw geen sprake van dorps bouwen. Daarnaast sluit de voorziene gestapelde nieuwbouw met een bouwhoogte van 13 meter volgens [appellant sub 1] niet aan op de bestaande bebouwing. Hij wijst op het bestaande appartementencomplex dat in het verlengde van het plangebied ligt en dat op de hoek van Die Haghe met drie bouwlagen een lagere bouwhoogte heeft. In de gemeentelijke structuurvisie is bepaald dat afwijken van de bouwhoogtes in de omgeving alleen mogelijk is indien een goede ruimtelijke afweging is gemaakt. Deze afweging ontbreekt volgens [appellant sub 1].

    Daarnaast betoogt [appellant sub 1] dat het voorziene appartementengebouw leidt tot onaanvaardbare schaduwwerking ter plaatse van zijn perceel.

    Tot slot vreest [appellant sub 1] windhinder ter plaatse van zijn woning als gevolg van het voorziene appartementengebouw. Mede gelet op de omgeving is volgens hem sprake van een onbeschut gebouw. Volgens [appellant sub 1] heeft de raad dan ook ten onrechte niet door een deskundige laten beoordelen of een windonderzoek vanwege het plan noodzakelijk is.

4.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het voorziene appartementengebouw het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] niet onevenredig zal aantasten. De raad acht het plan ruimtelijk aanvaardbaar. Hiertoe stelt hij onder andere dat een windonderzoek niet nodig is, aangezien het in het plan mogelijke gemaakte appartementengebouw beschut ligt en de toegestane maximum bouwhoogte 13 meter is.

    Voorts stelt de raad stelt zich op het standpunt dat het voorziene appartementengebouw met een maximum goot- en bouwhoogte van 13 meter aansluit bij de hoogte van de gebouwen in de omgeving nabij het centrum van Valkenswaard. Volgens de raad is het plan derhalve niet in strijd met de gemeentelijke structuurvisie vastgesteld.

4.2.    De Afdeling stelt vast dat de afstand tussen het perceel van [appellant sub 1] en het bouwvlak waar het appartementengebouw is voorzien ongeveer 10 meter bedraagt. De bebouwing is dichterbij het perceel van [appellant sub 1] voorzien dan op grond van het vorige plan was toegestaan. Gezien de situering van het voorziene appartementengebouw is aannemelijk dat het plan in enige mate gevolgen zal hebben voor de privacy en het woongenot van [appellant sub 1], maar deze gevolgen zijn naar het oordeel van de Afdeling niet zodanig dat de raad daarom niet in redelijkheid voor deze omvang en bouwhoogte van het appartementencomplex mocht kiezen. Hierbij betrekt de Afdeling dat het plangebied in een binnenstedelijke omgeving ligt waar het gebruikelijk is enige invloeden van andere woningen te ondervinden. Het betoog dat het voorziene appartementengebouw leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy van [appellant sub 1] faalt.

    Overigens heeft de initiatiefnemer ter zitting desgevraagd toegelicht dat eerst na het onherroepelijk worden van het bestreden besluit voor de ontwikkeling een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zal worden aangevraagd. Met het oog op deze planning heeft de raad in de nota van zienswijzen en het verweerschrift toegezegd dat bij de uitwerking van het bouwplan voor het appartementencomplex zoveel mogelijk rekening zal worden gehouden met de privacy en het woongenot van [appellant sub 1] door bijvoorbeeld raamopeningen in de liftopbouw aan de zijde van het binnenterrein te plaatsen, zodat de gebruikers van de lift niet uitkijken op zijn perceel, de appartementen te oriënteren op de Carolusdreef en niet op Die Haghe en daarnaast de verblijfsruimten van de appartementen aan de voorzijde (zijde Carolusdreef) te situeren. Deze toezegging is ter zitting door de initiatiefnemer bevestigd.

4.3.    Over het betoog van [appellant sub 1] dat het plan is vastgesteld in strijd met de gemeentelijke structuurvisie, voor zover het plan voorziet in een appartementengebouw met vier bouwlagen, overweegt de Afdeling het volgende. Op 2 juli 2012 heeft de raad de Structuurvisie Valkenswaard Deel A (hierna: de structuurvisie) vastgesteld. De structuurvisie gaat in hoofdstuk 3.2 in op het stedelijk gebied van onder andere de kern Valkenswaard. Het plangebied ligt in dit stedelijk gebied. In de structuurvisie staat dat het algemene uitgangspunt bij eventuele nieuwe inbreidingsmogelijkheden is dat de ontwikkeling dient aan te sluiten bij de bestaande omgeving. Bij inbreiding in woonwijken is het ‘dorps’ bouwen het uitgangspunt. Dit kan volgens de structuurvisie invulling krijgen door kleinschaligheid, diversiteit in de bebouwing en geleidelijke overgangen. Het afwijken van de bebouwingshoogtes in de woonomgeving is blijkens de structuurvisie alleen mogelijk na een goede ruimtelijke afweging. De hoogte zou bijvoorbeeld gecompenseerd kunnen worden met een ruime groene openbare invulling rond het gebouw.

    Vast staat dat aan de gronden op de hoek van de Carolusdreef en Die Haghe ten behoeve van het voorziene appartementengebouw grotendeels een maximum goot- en bouwhoogte van 13 meter is toegekend. Op basis hiervan kunnen ter plaatse maximaal vier bouwlagen worden gerealiseerd. Bij de beoordeling van deze ontwikkeling heeft de raad betrokken dat het appartementencomplex aan de overzijde van het plangebied aan de Carolusdreef grotendeels uit vier bouwlagen bestaat. Verder is de ontwikkeling voorzien in het verlengde van een bestaand appartementencomplex op de hoek van Die Haghe en de Carolusdreef. Dit gebouw bestaat weliswaar op de hoek van Die Haghe aan de voorzijde uit drie bouwlagen, maar aan de achterzijde grenzend aan het perceel van [appellant sub 1] en voor het overige bestaat het appartementencomplex voornamelijk uit vier bouwlagen. Aan het gedeelte van het bouwvlak ten behoeve van het voorziene appartementengebouw dat grenst aan de gronden waarop in het plangebied de grondgebonden woningen zijn voorzien, is een maximum goot- en bouwhoogte van 10 meter toegekend. Op basis hiervan kunnen ter plaatse maximaal drie bouwlagen worden gerealiseerd.

    Gezien het hiervoor genoemde sluit de voorziene ontwikkeling volgens de raad met een geleidelijke overgang en diversiteit in bebouwing aan op de bestaande omgeving. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat aan de structuurvisie wordt voldaan als de ontwikkeling past in de omgeving. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de structuurvisie.

    Het betoog faalt.

4.4.    Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1] dat het voorziene appartementengebouw leidt tot onaanvaardbare schaduwwerking ter plaatse van zijn perceel, heeft de raad toegelicht dat uit de opgestelde bezonningsstudie blijkt dat de beoogde nieuwbouw nauwelijks van invloed is op de hoeveelheid (zon)lichtinval in de tuin van [appellant sub 1]. Alleen in het vroege voorjaar (eind april) en de late zomer (eind september) is er blijkens de bezonningstudie op bepaalde tijdstippen enig nadelig verschil in de schaduwwerking. In de zomermaanden is er geen verschil ten opzichte van de huidige situatie en op enig moment is er zelfs sprake van een voordeel. Uit de bezonningsstudie blijkt dat de schaduw in de achtertuin van [appellant sub 1] met name wordt veroorzaakt door het bestaande appartementencomplex aan de achterzijde van zijn woning, en de aanwezige bebouwing en beplanting op het eigen perceel. Gezien de bezonningsstudie alsmede de ligging van het plangebied in een stedelijke omgeving ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het voorziene appartementengebouw leidt tot onaanvaardbare schaduwwerking ter plaatse van het perceel van [appellant sub 1].

    Het betoog faalt.

4.5.    Wat betreft de vrees dat het voorziene appartementengebouw zal leiden tot windhinder ter plaatse van de woning van [appellant sub 1], overweegt de Afdeling het volgende. De beoordeling van het windklimaat als gevolg van het in het plan mogelijk gemaakte appartementengebouw heeft plaatsgevonden aan de hand van de criteria zoals voorgeschreven in de Nederlandse norm NEN 8100:2006 "Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving" (hierna: NEN-8100). Het toegepaste beslismodel uit de NEN-8100 geeft aan dat bij gebouwen hoger dan 30 meter windonderzoek is voorgeschreven. Bij beschut gelegen gebouwen met een hoogte tussen de 15 en 30 meter beoordeelt een deskundige of windonderzoek nodig is. Bij onbeschut gelegen gebouwen met een hoogte tot 30 m beoordeelt een deskundige eveneens of windonderzoek nodig is.

    Vast staat dat het plan voorziet in gestapelde woningbouw met een maximum bouwhoogte van 13 meter. Bij een dergelijke hoogte beveelt de NEN-8100 uitsluitend bij onbeschut gelegen gebouwen aan dat een deskundige beoordeelt of windonderzoek nodig is. Gelet op de ligging van het voorziene appartementengebouw in het stedelijk gebied nabij het centrum van Valkenswaard alsmede de bouwhoogtes van de omliggende bebouwing, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan voorziet in beschut gelegen gestapelde woningbouw. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd bestaat daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat windonderzoek in dit geval niet noodzakelijk is.

    Het betoog faalt.

Woningbouwbehoefte

5.    [appellant sub 1] betoogt dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat het plan voorziet in een actuele behoefte als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). Hiertoe voert hij aan dat de raad in zijn afweging geen rekening heeft gehouden met een bevolkingsdaling met als gevolg een geringe behoefte aan woningen. In dit verband verwijst hij naar een bijlage bij de bevolkings- en woningbehoefteprognose van 2014 van de provincie Noord-Brabant (hierna: de prognose 2014). De voorziene nieuwbouw leidt volgens hem tot leegstand van bestaande woningen elders.

5.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat sprake is van een actuele behoefte aan de in het plan voorziene woningen. Hij verwijst naar het rapport ‘Ladder voor duurzame verstedelijking woningbouw’ van 27 juli 2015 opgesteld door de Stec Groep (hierna: Stec-rapport) en de notitie ‘Integrale afweging en prioritering woningbouwprojecten 2015’, door de raad vastgesteld op 24 september 2015 (hierna: de notitie). Verder wijst de raad erop dat het plangebied in het bestaand stedelijk gebied van Valkenswaard ligt en de ontwikkeling van dit gebied herstructurering van een bestaande, vrijkomende locatie betreft waardoor het bijdraagt aan een zorgvuldig ruimtegebruik.

5.2.    Artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, van het Bro, luidt: "In dit besluit en de hierop berustende bepalingen wordt onder bestaand stedelijk gebied verstaan: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur."

    Artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, luidt: "Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen."

    Artikel 3.1.6, tweede lid, luidde ten tijde van belang: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;    

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld."

5.3.    Met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is blijkens de Nota van toelichting (Stb. 2012, 388, p. 34, 49-51) beoogd zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. De ladder voor duurzame verstedelijking is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling. Of de behoefte actueel is, wordt onder meer bepaald aan de hand van de vraag of reeds elders in de regio een stedelijke ontwikkeling is gepland of plaatsvindt die in die behoefte kan voorzien.

5.4.    De Afdeling stelt vast dat in de plantoelichting is ingegaan op de vraag of behoefte bestaat aan de in het plan voorziene woningbouw. De raad heeft toegelicht dat uit de prognose 2014 weliswaar blijkt dat de bevolking in de gemeente Valkenswaard in de periode 2014-2030 afneemt, maar dat in deze prognose tevens een toename van het aantal huishoudens wordt voorspeld als gevolg van gezinsverdunning. Blijkens het Stec-rapport bestaat vanwege de geconstateerde toename van het aantal huishoudens in de prognose 2014 in de periode 2015 tot en met 2024 behoefte aan 875 extra woningen in de gemeente Valkenswaard. De harde plancapaciteit binnen deze gemeente bedraagt momenteel 745 woningen, waardoor er nog ruimte is voor 130 woningen uit de zachte plancapaciteit. Omdat de gemeente Valkenswaard een zachte plancapaciteit heeft van 527 woningen, heeft de raad naar aanleiding van het Stec-rapport een integrale afweging en prioritering gemaakt van de woningbouwprojecten in de gemeente en de resultaten daarvan neergelegd in de notitie. Uit het besluit tot vaststelling van de notitie volgt dat de raad wat betreft de zachte plancapaciteit heeft ingestemd met het in de notitie voorgestelde scenario 3, te weten de prioriteit leggen bij plannen van derden voor binnenstedelijke stedelijke ontwikkelingen die passen bij de kwalitatieve behoefte aan sociale woningbouw en bij de doelstellingen vanuit de toekomstvisie, woonvisie en structuurvisie. In dit scenario wordt blijkens de notitie voor de behoefte aan 130 woningen uit de zachte plancapaciteit onder andere uitvoering gegeven aan het woningbouwplan aan de Carolusdreef. Dit betekent dat de in het plan voorziene 37 woningen passen binnen de gemaakte regionale afspraken over de woningbehoefte in de gemeente Valkenswaard. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad voldoende gemotiveerd dat de in het plan voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro en dat onaanvaardbare structurele leegstand elders niet behoeft te worden gevreesd.

    Het betoog faalt.

Geluidhinder

6.    [appellant sub 1] vreest geluidhinder vanwege een toename van verkeersbewegingen en de ontsluiting van het plangebied op de straat Die Haghe aan de zijkant van zijn perceel. Hij betwist het standpunt van de raad dat het plan vrijwel geen extra verkeer veroorzaakt ten opzichte van de situatie waarin ter plaatse een school was gevestigd. Gezien dit standpunt van de raad moet volgens [appellant sub 1] worden geconcludeerd dat de uitgangspunten en de conclusies van het akoestische onderzoek over de parkeerbewegingen op het terrein alsmede over de verkeersaantrekkende werking van het plan onjuist zijn.

6.1.    In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door Adviesburo Van der Boom BV een akoestisch onderzoek verricht naar de geluidbelasting door parkeren op het parkeerterrein van het woningbouwproject aan de Carolusdreef 100. Het gaat daarbij om de parkeerbewegingen op het parkeerterrein en de verkeersbewegingen van en naar het plangebied. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport ‘Geluidbelasting door parkeren Carolusdreef, Valkenswaard’ van 25 oktober 2016. Voor de berekening van het aantal verkeersbewegingen ten gevolge van het plan is gebruik gemaakt van de normen van het CROW - het landelijk kenniscentrum voor verkeer, vervoer en infrastructuur - zoals deze zijn neergelegd in publicatie 317. Gezien de in het plan mogelijk gemaakte woningen is uitgegaan van 221 verkeersbewegingen per etmaal. Weliswaar is in de plantoelichting opgemerkt dat het plan vrijwel geen extra verkeer veroorzaakt ten opzichte van de situatie waarin ter plaatse een school was gevestigd, maar de raad heeft toegelicht dat in het hierboven genoemde rapport is gerekend met een worst-case-scenario waarbij de volledige verkeersintensiteit als gevolg van het plan voor 100% extra op alle aangrenzende wegen erbij komt. In het rapport is onder andere geconcludeerd dat de geluidbelasting door parkeerbewegingen en het verkeer van en naar het plangebied op de westgevel van de woning van [appellant sub 1] binnen de daarvoor gestelde normen blijft. [appellant sub 1] heeft deze conclusie niet gemotiveerd bestreden. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding om het onderzoek naar het aspect geluid onvolledig of gebrekkig te achten. De raad mocht dit onderzoek dan ook aan het plan ten grondslag leggen.

    Het betoog faalt.

Parkeren

7.    [appellant sub 1] betoogt dat de raad voor de in het plan voorziene woningen ten onrechte de standaard parkeernormen heeft gehanteerd. Volgens [appellant sub 1] had de raad moeten uitgaan van een hogere parkeernorm per woning, gezien de bestaande parkeerproblemen rondom het plangebied en de in het plan voorziene sociale woningbouw voor onder andere senioren. In dit verband wijst hij erop dat momenteel wordt geparkeerd op de nog onbebouwde gronden in het plangebied. Het bestaande parkeerprobleem in de omgeving zal volgens [appellant sub 1] verergeren als wordt uitgegaan van de parkeernormen die de raad hanteert. Voorts betwist [appellant sub 1] dat op eigen terrein de benodigde 50 parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd.

7.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan zowel wat betreft de parkeervraag als de aanwezige parkeerruimte op eigen terrein voldoet aan het in 2008 vastgestelde gemeentelijke parkeerbeleid. Doel van dit beleid is dat als gevolg van de nieuwe ontwikkeling de parkeerdruk in de omgeving niet toeneemt. Volgens de raad is een belangrijk uitgangspunt daarbij dat de parkeervraag van de betreffende ontwikkeling op eigen terrein plaatsvindt en dat bezoekersparkeren openbaar toegankelijk is.

7.2.    In de plantoelichting staat dat parkeren zal plaatsvinden op het eigen terrein aan de Carolusdreef 100. Aan de hand van de gemeentelijke nota ‘Beleidsnota Parkeernormering Gemeente Valkenswaard’ van 19 oktober 2008 is een berekening gemaakt van het aantal parkeerplaatsen dat nodig is voor het aantal woningen dat is voorzien. Daarbij heeft de raad parkeernormen gehanteerd voor woningen die in de schil van het centrum liggen en die behoren bij appartementen met een oppervlakte tussen de 60 m2 en 125 m2 brutovloeroppervlak en bij 4 of meer aan elkaar gebouwde woningen. De parkeernormen beschreven in het gemeentelijk parkeerbeleid, zijn gebaseerd op de kencijfers van het CROW.

    In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onjuiste parkeernormen heeft gehanteerd dan wel dat het plan niet voorziet in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Hiertoe overweegt de Afdeling dat, anders dan waarvan [appellant sub 1] uitgaat, het voorliggende plan geen oplossing hoeft te bieden voor het bestaande parkeerprobleem rondom het plangebied. Het plan dient te voorzien in voldoende parkeerplaatsen voor de toekomstige woningen, zodat de bestaande parkeerdruk niet toeneemt. Het is echter niet nodig dat dit plan de bestaande parkeerproblemen, wat daarvan ook zij, geheel oplost. Vergelijk de uitspraak van 29 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2410), onder 7.2. Daarnaast is de extra parkeerbehoefte van 50 parkeerplaatsen gebaseerd op de door de raad gehanteerde parkeernormen niet in geschil. Op basis van de stukken, waaronder de verkavelingsschets, is aannemelijk dat op eigen terrein in de parkeerbehoefte van 50 parkeerplaatsen kan worden voorzien. Desgevraagd heeft de raad ter zitting toegelicht dat alleen vanwege bouwwerkzaamheden in de omgeving momenteel tijdelijk op de nog onbebouwde gronden in het plangebied mag worden geparkeerd. De parkeerbehoefte die ontstaat na realisering van woningen in de omgeving waaraan op dit moment wordt gewerkt, is volgens de raad niet voorzien binnen het plangebied. Dit heeft [appellant sub 1] niet bestreden. Ook anderszins is niet gebleken dat de raad onjuiste parkeernormen heeft gehanteerd.

    Het betoog faalt.

Verkeersveiligheid

8.    [appellant sub 1] betoogt dat niet is aangetoond dat het plan niet leidt tot een verkeersonveilige situatie ter plaatse van de voorziene in- en uitrit aan Die Haghe. Volgens hem is deze straat te smal om de in- en uitrit van het plangebied daaraan te situeren en vanwege de bestaande parkeerdruk te vol met geparkeerde auto’s. In dit verband wijst hij erop dat de in- en uitrit is voorzien tegenover zijn uitrit die regelmatig wordt geblokkeerd door geparkeerde auto’s.

8.1.    De Afdeling overweegt dat in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad uit een oogpunt van verkeersveiligheid niet in redelijkheid voor de in het plan voorziene ontsluiting van het plangebied heeft kunnen kiezen. Hierbij betrekt de Afdeling dat het plan voorziet in maximaal 37 toekomstige woningen. Verder heeft de raad toegelicht dat bij de beoordeling van het plan is bezien dat de ongeveer 221 verkeersbewegingen per etmaal als gevolg van het plan geen problemen opleveren voor de doorstroming en veiligheid op de omliggende straten, waaronder Die Haghe. Het aantal auto’s per dag blijft ruim onder het aanvaardbaar geachte maximum van 2.000 auto’s per dag op de omliggende straten. Daarnaast heeft de raad toegelicht dat de in- en uitrit op Die Haghe wordt ingericht overeenkomstig de landelijke richtlijnen van het CROW. Tot slot is ook anderszins niet gebleken dat het plan leidt tot een verkeersonveilige situatie. Voor zover [appellant sub 1] vreest dat een verkeersonveilige situatie ontstaat omdat momenteel aan beide zijden van Die Haghe wordt geparkeerd, is dit een kwestie van handhaving die in deze procedure niet aan de orde kan komen.

    Het betoog faalt.

Conclusie ten aanzien van het beroep van [appellant sub 1]

9.    Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep van [appellant sub 1] ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 2]

10.    [appellant sub 2] betoogt dat de voorziene rijtjeswoningen aan de noordzijde van het plangebied, grenzend aan de Sint Antoniusstraat, niet passen in het huidige karakteristieke straatbeeld met hoofdzakelijk vrijstaande woningen en woningen van het type twee-onder-één-kap. Hij betwist het standpunt van de raad dat met de voorziene rijtjeswoningen de bestaande stedenbouwkundige structuur van de Sint Antoniusstraat wordt voortgezet. Hiertoe voert hij aan dat het bouwvlak voor deze woningen direct op de perceelgrens is voorzien terwijl de bestaande bebouwing aan de Sint Antoniusstraat zo is gesitueerd dat aan weerszijden ruimte tot de perceelgrens overblijft. In dit verband wijst [appellant sub 2] op de planregeling in het vorige bestemmingsplan "Valkenswaard Noord" van 28 februari 2008, op grond waarvan bij de bestemming "Wonen" een minimum afstand tot de zijdelingse perceelgrens moest worden aangehouden. Daarnaast betoogt hij dat als de raad de voorziene rijtjeswoningen beoogt in te passen in het bestaande straatbeeld, de voorzijde van het bouwvlak juist ter hoogte van de zij-uitbouw van zijn woning zou moeten worden voorzien. Tot slot voert hij aan dat de voorziene woningen wel passend kunnen zijn in het huidige straatbeeld, indien het plan ter plaatse voorziet in twee bouwblokken van drie woningen op enige afstand van elkaar en van de bestaande bebouwing aan de Sint Antoniusstraat. Door verwezenlijking hiervan wordt volgens [appellant sub 2] een haalbaar bouwplan bereikt met aanmerkelijk minder ruimtelijke bezwaren.

    Voorts betoogt [appellant sub 2] dat de wijze waarop de bedoelde rijtjeswoningen in het plan zijn voorzien - op zijn perceelgrens en alleen de hoekwoningen slechts 2 meter naar achteren geplaatst - een aanmerkelijke vermindering van licht en van zijn vrije uitzicht tot gevolg heeft. Volgens hem heeft de raad onvoldoende rekening gehouden met de positie en oriëntatie van zijn woning. Hij heeft toegelicht dat zijn woning een groot hoekraam heeft aan de zijde die grenst aan het plangebied. Weliswaar heeft zijn zienswijze ertoe geleid dat het bouwvlak ter plaatse van de naastgelegen voorziene woning 2 meter naar achteren is verplaatst, maar volgens [appellant sub 2] had het gehele bouwvlak 4 meter naar achteren moeten worden verplaatst om aan zijn bezwaar tegemoet te komen. In dit verband wijst [appellant sub 2] erop dat in het vorige bestemmingsplan rondom het desbetreffende terrein een zone met een 0% bebouwingspercentage was opgenomen.

10.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de voorziene 6 rijtjeswoningen aan de Sint Antoniusstraat uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar zijn. Dat de voorziene woningen wat betreft typologie afwijken van de bebouwing in de rest van de straat, betekent volgens de raad niet dat deze niet zouden passen in de stedelijke omgeving. Hij stelt dat de bestaande bebouwingsstructuur met de voorziene rijtjeswoningen wordt voortgezet. Daarbij acht de raad van belang dat de voorgevel van de voorziene woningen overwegend aansluit op de voorgevelrooilijn van de naastgelegen bestaande woningen aan de Sint Antoniusstraat.

    Voorts stelt de raad dat bij de voorbereiding van het plan rekening is gehouden met de belangen van [appellant sub 2]. Hij wijst erop dat geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat. Verder leidt het plan volgens de raad niet tot een onaanvaardbare lichtvermindering ter plaatse van de woning van [appellant sub 2].

10.2.    De Afdeling stelt vast dat het beroep van [appellant sub 2] is gericht tegen gronden aan de noordzijde van het plangebied waarop grondgebonden woningen zijn voorzien. De gronden van [appellant sub 2] grenzen aan dit deel van het plangebied. Het plan voorziet ter plaatse in één bouwvlak voor maximaal 6 grondgebonden woningen met een maximum goot- en bouwhoogte van 7 respectievelijk 10 meter. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de initiatiefnemer voornemens is 6 rijtjeswoningen te realiseren gezien de behoefte aan sociale woningbouw en de financiële haalbaarheid van het plan.

10.3.    In de plantoelichting staat dat voorafgaand aan de besluitvorming door Buro SRO een stedenbouwkundige visie is opgesteld. In deze visie is een analyse gemaakt van het plangebied en de directe omgeving. Op basis van een schetsverkaveling zijn uiteindelijk stedenbouwkundige randvoorwaarden voor het plangebied opgesteld. De randvoorwaarden, voor zover van belang, zijn dat de bebouwing aansluit bij de bestaande massa-opbouw van de rest van het woonveld, dat de grondgebonden rijwoningen uit twee bouwlagen met kap bestaan, dat de grondgebonden rijwoningen een ononderbroken massa met maximaal 6 woningen vormen, dat de bestaande rooilijnen worden gehandhaafd zodat het profiel van de Sint Antoniusstraat wordt gecompleteerd, dat de grondgebonden woningen georiënteerd zijn op de straat en dat aan de straatzijde van de Sint Antoniusstraat voordeuren en voortuinen aanwezig zijn.

10.4.    De Afdeling overweegt over de verwijzing van [appellant sub 2] in zijn betoog naar de planregeling in het vorige bestemmingsplan "Valkenswaard Noord" van 28 februari 2008 dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

    Verder stelt de Afdeling voorop dat het plan niet in de weg staat aan 6 aaneengesloten woningen aan de noordzijde van het plangebied. Aan de hand van de hierboven vermelde randvoorwaarden is aan de gronden ter plaatse van de voorziene grondgebonden woningen een maximum goothoogte van 7 meter en een maximum bouwhoogte van 10 meter toegekend. Deze maximum toegestane goot- en bouwhoogte voor de voorziene woningen komt overeen met de hoogte van de omliggende bebouwing. Daarnaast is het bouwvlak zo gesitueerd dat de voorgevels van de voorziene woningen aan de Sint Antoniusstraat overwegend aansluiten op de voorgevelrooilijn van meerdere naastgelegen bestaande woningen aan deze zijde van Sint Antoniusstraat. Naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 2] heeft de raad ervoor gekozen het bouwvlak aan de zijde van de woning van [appellant sub 2] voor één van de voorziene woningen 2 meter naar achteren te situeren en dit ook te doen voor één woning aan de andere zijde van het bouwvlak. Volgens de raad wordt de bestaande stedenbouwkundige structuur juist niet voortgezet indien de voorzijde van het bouwvlak ter hoogte van de zij-uitbouw van de woning van [appellant sub 2] wordt voorzien. Dit oordeel acht de Afdeling niet onredelijk, aangezien de rijtjeswoningen in de door [appellant sub 2] gewenste situatie op enkele meters achter de voorgevelrooilijn van de naastgelegen bestaande woningen aan de Sint Antoniusstraat zouden worden voorzien. Verder is in de planregels neergelegd dat het hoofdgebouw uitsluitend mag worden gebouwd binnen het bouwvlak met (een gedeelte van) de voorgevel(s) in de naar de weg gekeerde bouwgrens, waardoor de voorziene woningen net als de bestaande woningen zijn georiënteerd op de straat. Weliswaar bevinden zich aan de Sint Antoniusstraat in de huidige situatie geen rijtjeswoningen, maar gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene rijtjeswoningen aan de Sint Antoniusstraat uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar zijn. Het plan kon derhalve 6 aaneengesloten woningen aan de noordzijde van het plangebied mogelijk maken.

    Het betoog faalt.

10.5.    Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 2] dat de wijze waarop de bedoelde rijtjeswoningen in het plan zijn voorzien een aanmerkelijke vermindering van licht en van zijn vrije uitzicht tot gevolg heeft, overweegt de Afdeling het volgende.

    [appellant sub 2] heeft weliswaar vanuit zijn woning vrij uitzicht op de gronden in het plangebied, maar voorop staat dat geen recht bestaat op blijvend vrij uitzicht. Verder heeft de raad toegelicht dat bij de voorbereiding van het plan, mede naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 2], rekening is gehouden met de positie en oriëntatie van de woning van [appellant sub 2]. Om de nieuwe woningen goed aan te laten sluiten op de bestaande woningen, waaronder de woning van [appellant sub 2], heeft de raad ervoor gekozen het bouwvlak aan de zijde van de woning van [appellant sub 2] voor één van de voorziene woningen 2 meter naar achteren te situeren. Verder is het bouwvlak zo gesitueerd dat de voorgevels van de voorziene woningen aan de Sint Antoniusstraat overwegend aansluiten op de voorgevelrooilijn van de naastgelegen bestaande woningen aan deze zijde van Sint Antoniusstraat. Met deze situering van het bouwvlak blijft volgens de raad vanuit de woning van [appellant sub 2] ruim voldoende zicht bestaan op de Sint Antoniusstraat en vermindert de kijkhoek vanuit deze zijde van de woning slechts in zeer beperkte mate. Daarbij komt dat er volgens de raad geen ruimte bestaat om het gehele bouwvlak naar achteren te plaatsen, omdat het plan meerdere woningen, tuinen en daarbij behorende parkeervoorzieningen mogelijk maakt op het terrein aan de Carolusdreef 100. De Afdeling ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat de raad meer gewicht had moeten toekennen aan het belang van [appellant sub 2] bij behoud van zijn huidige uitzicht dan aan het belang bij het realiseren van de in het plan voorziene woningen.

    Voorts heeft de raad toegelicht dat de lichtinval in de woonkamer van [appellant sub 2] als gevolg van het plan mogelijk verandert, maar dat de daglichttoetreding in de woning voldoende blijft. Dit standpunt heeft [appellant sub 2] niet gemotiveerd bestreden. De Afdeling stelt vast dat de afstand van de woning van [appellant sub 2] tot de perceelgrens ruim vier meter is. Verder is de voorziene hoekwoning aan de zijde van de woning van [appellant sub 2] ten opzichte van de voorgevel van zijn woning ongeveer 1,5 meter naar achteren gesitueerd. Daarnaast is de afstand van de perceelgrens tot de eerstvolgende voorziene woning ter hoogte van de voorgevel van zijn woning (de tweede woning in het bouwvlak) bijna 5 meter. Tot slot beslaat het hoekraam in de woning van [appellant sub 2] ruim de helft van de voorgevel. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare lichtvermindering ter plaatse van de woning van [appellant sub 2].

    Het betoog faalt.

Conclusie ten aanzien van het beroep van [appellant sub 2]

11.    Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep van [appellant sub 2] ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.E. Reichardt, griffier.

w.g. Helder    w.g. Reichardt

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2018

772.