Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:102

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-01-2018
Datum publicatie
17-01-2018
Zaaknummer
201605842/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2016:3767, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 september 2014 heeft het algemeen bestuur [appellanten] medegedeeld dat het op 4 september 2014 in verband met de brandonveilige situatie spoedeisende bestuursdwang, inhoudende het afsluiten van de toegangsdeur tot de kamers op de begane grond, eerste verdieping en derde verdieping aan de achterzijde in het pand [locatie 1] te Amsterdam door de sloten te vervangen, heeft toegepast. Voorts heeft het algemeen bestuur [appellanten] gelast het gebruik van het pand als logiesgebouw/hotel onmiddellijk te (laten) staken en gestaakt te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/73
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605842/1/A1.

Datum uitspraak: 17 januari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 juni 2016 in zaak nr. 15/2840 in het geding tussen:

[appellanten]

en

1.    het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Zuid;

2.    het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2014 heeft het algemeen bestuur [appellanten] medegedeeld dat het op 4 september 2014 in verband met de brandonveilige situatie spoedeisende bestuursdwang, inhoudende het afsluiten van de toegangsdeur tot de kamers op de begane grond, eerste verdieping en derde verdieping aan de achterzijde in het pand [locatie 1] te Amsterdam door de sloten te vervangen, heeft toegepast. Voorts heeft het algemeen bestuur [appellanten] gelast het gebruik van het pand als logiesgebouw/hotel onmiddellijk te (laten) staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 2 oktober 2014 heeft het college [appellanten] gelast per direct het gebruik en het laten gebruiken van het pand, zijnde huisnummer [locatie 2] en [locatie 3], als logiesgebouw/hotel te staken, te laten staken en gestaakt te houden, onder oplegging van een dwangsom van € 50.000,00 ineens.

Bij besluit van 10 maart 2015 heeft het dagelijks bestuur van de bestuurscommissie Zuid, namens het college en het algemeen bestuur, naar aanleiding van het door [appellanten] tegen de besluiten van 4 september 2014 en 2 oktober 2014 gemaakte bezwaar het besluit van 4 september 2014 in stand gelaten onder aanpassing van de motivering en het vervangen van de zin "Gelet op de aangetroffen situatie adviseert de Brandweer ons om de brandonveilige situatie zo spoedig mogelijk te beëindigen" door de zin "De constatering dat hier sprake is van een vlucht- en brandonveilige situatie is voor ons reden tot het opleggen van de last het gebruik van het pand als logiesgebouw onmiddellijk te (laten) staken en gestaakt te houden" en het besluit van 2 oktober 2014 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 22 juni 2016 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 maart 2015 vernietigd, voor zover daarin de last onder bestuursdwang en de beslissing inzake de spoedeisende bestuursdwang ten aanzien van de twee kamers op de begane grond in stand zijn gelaten en voor zover daarin de passages uit het besluit van 2 oktober 2014 in stand zijn gelaten waarin is bepaald dat de toegestane B&B-activiteiten slechts op de eerste verdieping mogen worden uitgevoerd en het gebruik van de begane grond als B&B wordt uitgesloten, de besluiten van 4 september 2014 en 2 oktober 2014 in zoverre herroepen, en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde gedeelten van het besluit van 10 maart 2015. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

Het algemeen bestuur en het college hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak, gelijktijdig met zaak nr. 201703485/1/A2, ter zitting behandeld op 12 december 2017, waar het algemeen bestuur en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J.A.P. Peters, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Vast staat dat het pand, dat inmiddels door [appellanten] is verkocht, ten tijde van belang door hen werd gebruikt als hun woning, alsmede ten behoeve van het bedrijfsmatig aanbieden van logies met ontbijt, bestaande uit vijf kamers. Van deze vijf kamers, die elk verblijf boden aan twee personen, bevonden zich twee kamers op de begane grond, twee kamers op de eerste verdieping en een kamer op de derde verdieping.

    Toezichthouders van de gemeente en de brandweer hebben naar aanleiding van een melding op 4 september 2014 een controle uitgevoerd in het pand. Het college heeft vervolgens in verband met de brand- en vluchtonveilige situatie in het pand besloten over te gaan tot spoedeisende bestuursdwang. [appellanten] hebben op 8 september 2014 de sleutels van de afgesloten kamers teruggekregen onder de volgende voorwaarden:

- op de eerste verdieping kan een bed & breakfast worden geëxploiteerd met inachtneming van de daarvoor geldende regels;

- de twee kamers op de begane grond en de kamer op de derde verdieping mogen niet als een logiesverblijf worden gebruikt;

- aangezien de bedden op de twee kamers op de begane grond te groot zijn om te verwijderen, zullen de matrassen worden verwijderd;

- de kamer op de derde verdieping wordt gebruikt als eigen slaapkamer c.q. logeerkamer.

Op 19 september 2014 heeft een toezichthouder van de gemeente opnieuw een controle uitgevoerd in het pand. Het college heeft daarna besloten een last onder dwangsom op te leggen.

2.    De relevante bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), het Bouwbesluit 2012, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor), de bouwverordening van de gemeente Amsterdam en het bestemmingsplan "Willemspark/Van Eeghenstraat 2002" zijn opgenomen in de bijlage die integraal onderdeel is van deze uitspraak.

Overtredingen

3.    Het algemeen bestuur en het college hebben zich op het standpunt gesteld dat het gebruik van het pand door [appellanten] ten behoeve van het bedrijfsmatig aanbieden van logies met ontbijt in strijd met de brandveiligheidseisen van het Bouwbesluit 2012 en het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Willemspark/Van Eeghenstraat 2002" was. Verder werd in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) gehandeld, nu de vereiste omgevingsvergunning voor brandveilig gebruik ontbrak.

4.    Het algemeen bestuur heeft zijn besluitvorming gebaseerd op het rapport van de controle op 4 september 2014 en de brief van de brandweer van 4 september 2014. Blijkens het rapport van 4 september 2014 werden bij de controle op 4 september 2014 door toezichthouders in elk van de kamers op de eerste en derde verdieping twee (buitenlandse) gasten aangetroffen. In de twee kamers op de begane grond waren geen gasten aanwezig maar wel twee slaapplaatsen per kamer. Blijkens de brief van de brandweer van 4 september 2014 heeft de brandweer het pand aangemerkt als logiesgebouw, nu het beschikt over vijf logiesverblijven met in totaal 10 slaapplaatsen, en ontbraken in strijd met de brandveiligheidseisen voor een logiesgebouw onder meer een brandmeldinstallatie en ontruimingsinstallatie. Het college heeft zijn besluitvorming gebaseerd op voormeld rapport van 4 september 2014 en de brief van de brandweer van 4 september 2014, alsmede het rapport van de controle op 19 september 2014 door een toezichthouder van de gemeente. Blijkens het rapport van die laatste controle waren beide kamers op de begane grond in gebruik door toeristen, waren de kamers op de eerste verdieping intact met bedden en matrassen met beddengoed en was de kamer op de derde verdieping geheel intact en waren koffers aanwezig.

5.    Vast staat dat het gebruik van het pand, zoals geconstateerd op 4 en 19 september 2014, in strijd was met de ingevolge het bestemmingsplan "Willemspark/Van Eeghenstraat 2002" op het perceel rustende bestemming "Woningen", nu het, gelet op het aantal aangeboden slaapplaatsen, niet voldeed aan de door de gemeente geformuleerde voorwaarden waaronder een bed & breakfast zich met een woonbestemming verdraagt, zoals de voorwaarden dat maximaal 40% van het woonoppervlak van de woning gebruikt mag worden voor een bed & breakfast en dat maximaal vier gasten tegelijk mogen worden ontvangen.

    Voorts staat vast dat in het pand op 4 en 19 september 2014 in strijd met de brandveiligheidseisen voor een logiesgebouw, zoals neergelegd in het Bouwbesluit 2012, onder meer een brandmeldinstallatie en ontruimingsinstallatie ontbraken.

    Uit artikel 2.1, eerste lid, onder d, van de Wabo in samenhang gelezen met artikel 2.2, eerste lid, onder a, van het Besluit omgevingsrecht en artikel 4.1 van de Bouwverordening volgt verder dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning bedrijfsmatig nachtverblijf te verschaffen aan meer dan vier personen. Vast staat dat een dergelijke omgevingsvergunning was vereist voor het geconstateerde gebruik van het pand, gelet op het aantal aangeboden slaapplaatsen, en niet was verleend.

    Het college was, gelet op het voorgaande, bevoegd om tot handhavend optreden over te gaan.

Spoedeisende bestuursdwang

6.    Artikel 5:31, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht luidt: "Een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last".

    Het tweede lid luidt: "Indien de situatie zo spoedeisend is dat een besluit niet kan worden afgewacht, kan terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt".

7.    Volgens het algemeen bestuur was, blijkens de bevindingen bij de controle op 4 september 2014, sprake van een brand- en vluchtonveilige situatie die het toepassen van spoedeisende bestuursdwang rechtvaardigde.

8.    [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat geen sprake was van spoedeisende situatie die het toepassen van spoedeisende bestuursdwang rechtvaardigde. De omstandigheid dat niet werd voldaan aan de eisen die het Bouwbesluit stelt aan een logiesgebouw brengt niet met zich dat sprake was van een spoedeisende situatie. [appellanten] stellen dat de brandweer niet heeft geadviseerd om tot sluiting over te gaan, terwijl het algemeen bestuur het advies van de brandweer wel aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd.

8.1.    Zoals hiervoor is overwogen is door de brandweer bij de controle op 4 september 2014 geconstateerd dat in het pand in strijd met het Bouwbesluit 2012 onder meer een brandmeldinstallatie en een ontruimingsinstallatie ontbraken. Het door [appellanten] aangevoerde biedt geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich, gelet op de bevindingen bij de controle op 4 september 2014, op het standpunt heeft mogen stellen dat, nu het pand niet voldeed aan de brandveiligheidseisen van het Bouwbesluit 2012, een concreet risico voor de veiligheid en de gezondheid van de in dat pand verblijvende personen bij een eventuele uitbraak van brand bestond en daarmee sprake was van een spoedeisende situatie die het toepassen van spoedeisende bestuursdwang rechtvaardigde. De brandweer heeft in de brief van 4 september 2014 niet geadviseerd om tot sluiting van het pand over te gaan en heeft zich beperkt tot de constatering dat het pand op meerdere punten niet voldeed aan de brandveiligheidseisen van het Bouwbesluit 2012. Het algemeen bestuur heeft vervolgens op basis daarvan geoordeeld dat sprake was van een spoedeisende situatie. Er is geen grond voor het oordeel dat het algemeen bestuur niet tot dat oordeel kon komen.

    Het betoog faalt.

Last onder dwangsom

9.    [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de last niet voldoende duidelijk is, dan wel te verstrekkend is. Zij wijzen er in dit kader op dat in de last onder dwangsom ten onrechte is opgenomen dat het gelijktijdig laten verblijven van bed & breakfast-gasten en vrienden niet past binnen de bed & breakfast-regels, indien het maximale aantal personen van vier wordt overschreden.

9.1.    Er is geen grond voor het oordeel dat de last onvoldoende duidelijk is. Een van de voorwaarden waaronder een bed & breakfast door het college aanvaardbaar binnen een woonbestemming wordt geacht betreft de voorwaarde dat in de woning maximaal vier gasten tegelijk ontvangen mogen worden. Het college heeft in het besluit van 2 oktober 2014 uiteengezet dat het daarbij om het aanbieden van slaapplaatsen gaat en niet uitsluitend om de feitelijk aanwezige gasten en dat het niet relevant is of de gasten betalende of niet-betalende gasten zijn, zodat het gelijktijdig laten verblijven van bed & breakfast-gasten en vrienden niet past binnen de bed & breakfast-regels, indien het maximaal aantal personen van vier wordt overschreden. Er is voorts geen grond voor het oordeel dat de last in zoverre te verstrekkend is. Ter zitting heeft het college toegelicht dat de voorwaarde van maximaal vier gasten vanuit het oogpunt van brandveiligheid is gesteld en dat gasten die in een woning verblijven, zowel betalende als niet-betalende, minder bekend zijn met de situatie ter plaatse, zoals de vluchtroute, dan de leden van een gezin die daar wonen. Het college kon, vanuit het oogpunt van veiligheid, de last nader preciseren door te bepalen dat het gelijktijdig laten verblijven van bed & breakfast-gasten en vrienden niet past binnen de bed & breakfast-regels, indien het maximaal aantal van vier personen wordt overschreden.

    Het betoog faalt.

10.    [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat aan de last onder dwangsom van 2 oktober 2014 ten onrechte geen begunstigingstermijn is verbonden.

10.1.    De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat aan de last onder dwangsom van 2 oktober 2014 ten onrechte geen begunstigingstermijn is verbonden. De rechtbank heeft terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4404, overwogen dat aan een last onder dwangsom niet per se een begunstigingstermijn hoeft te worden verbonden, in geval de last strekt tot het voorkomen van herhaling van een overtreding en dat die situatie zich hier voordoet. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat op 2 oktober 2014 sprake was van een overtreding dan wel dat sprake was van een overtreding die niet direct beëindigd kon worden. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die noopten tot het verbinden van een begunstigingstermijn aan de last onder dwangsom. De omstandigheid dat [appellanten] nog gedurende een bepaalde periode boekingen van gasten hadden is niet een dergelijke bijzondere omstandigheid, gelet op het spoedeisend belang bij de veiligheid van diezelfde gasten.

    Het betoog faalt.

Bijzondere omstandigheden

11.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

12.    [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake was van concreet zicht op legalisering. [appellanten] stellen zich op het standpunt dat de weigering medewerking te verlenen onvoldoende is gemotiveerd. Daartoe voeren zij aan dat het college ten onrechte heeft verwezen naar de hotelladder en hun logiesbedrijf als hotel heeft aangeduid. Het betrof volgens [appellanten] geen hotel maar een bed & breakfast. [appellanten] wijzen er op dat de bed & breakfast door gasten zeer goed beoordeeld werd en de buurt ook tevreden was met de situatie. De belangen van de hotelbranche in Amsterdam zouden niet worden geschaad met de toevoeging van twee of drie kamers. De ruimtelijke argumenten die het college heeft aangevoerd kunnen het besluit voorts evenmin dragen, aldus [appellanten].

12.1.    Het college heeft gewezen op het nieuwe hotelbeleid van de gemeente dat is gericht op hotelontwikkelingen die zorgen voor optimale en duurzame waardetoevoeging en de hotelladder waarin kansgebieden zijn benoemd waar het in eerste instantie wenselijk is hotels toe te voegen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat onderhavige locatie geen onderdeel is van een kansengebied en nu het hotel zich bevindt in een straatwand met woningen wordt betwijfeld wat de meerwaarde is van het hotel voor de directe omgeving. Het college heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het behoud van woningen, zeker in een buurt met veel kantoren, wenselijk is en een hotel een andere en in dit geval zwaardere invloed op het woon- en leefklimaat heeft dan een bed & breakfast die aan de voorwaarden voldoet. In een straatwand als de onderhavige met vrij veel woningen weegt het behoud van het bestaande woon- en leefklimaat zwaarder en is het onwenselijk de bestaande omgeving bloot te stellen aan de invloed van een hotel. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu er geen aanvraag is ingediend voor een omgevingsvergunning voor strijdig gebruik en brandveilig gebruik en het niet mee wil werken aan legalisering van de strijd met het bestemmingsplan geen concreet zich op legalisering bestaat.

12.2.    Reeds nu geen aanvraag voor een omgevingsvergunning voor strijdig gebruik en brandveilig gebruik was ingediend en bovendien strijd bestond met het Bouwbesluit 2012, was geen sprake van concreet zicht op legalisering. Daarbij komt dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat op voorhand moet worden geconcludeerd dat het door het college ingenomen standpunt met betrekking tot de legalisering van de strijd met het bestemmingsplan rechtens onhoudbaar is en de vereiste omgevingsvergunning niet had kunnen worden geweigerd, indien deze was aangevraagd. Dat het college met betrekking tot zijn standpunt dat het niet bereid is medewerking te verlenen het woord "hotel" gebruikt om het logiesbedrijf van [appellanten] aan te duiden is hier, anders dan [appellanten] betogen, niet relevant. Daarmee heeft het college uitsluitend bedoeld dat het om het bedrijfsmatig aanbieden van logies gaat dat niet voldoet aan de voorwaarden voor het hebben van een bed & breakfast en daarmee in strijd is met de woonbestemming.

    Het betoog faalt.

13.    [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat aan hen geen geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel toekomt. In dat kader wijzen zij op de bed & breakfast "Museum Suites" dat volgens hen ook in strijd was met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en eveneens niet beschikt over een omgevingsvergunning voor brandveilig gebruik, maar waartegen desondanks niet handhavend is opgetreden. Voorts is deze bed & breakfast nadien positief bestemd in het bestemmingsplan "Museumkwartier", aldus [appellanten].

13.1.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet is gebleken dat het college en het algemeen bestuur in strijd met het gelijkheidsbeginsel hebben gehandeld. Er is geen sprake van een gelijk geval, nu "Museum Suites" in een gebied met een ander bestemmingsplan, te weten "Museumkwartier en Valeriusbuurt", was gelegen dan het onderhavige pand en met betrekking tot dit logiesbedrijf geen sprake was van een handhavingsprocedure naar aanleiding van een melding zoals in het onderhavige geval. Een bestemmingsplanprocedure, die in het geval van "Museum Suites" heeft geleid tot een positieve bestemming, is hier niet aan de orde.

    Het betoog faalt.

14.    [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat handhavend optreden onevenredig was, gelet op hun belangen.

14.1.    Het algemeen bestuur heeft zich in het besluit van 4 september 2014 op het standpunt gesteld dat sprake is van diverse overtredingen en een gevaarlijke en onveilige situatie en dat het meer belang hecht aan het algemene belang, het Bouwbesluit, de Wabo en het bestemmingsplan dan aan de belangen van de gebruikers en overtreders. Het college heeft zich in het besluit van 2 oktober 2014 op het standpunt gesteld dat het algemeen belang bij het handhaven van wettelijke regels en bepalingen, het handhaven van beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen en het voorkomen van precedentwerking zwaarder weegt dan het belang van [appellanten] bij het laten voortbestaan van de illegale situatie, te meer nu ook de veiligheid van hotelgasten en omwonenden in het geding is en daarnaast de economische belangen van legale hotels in de omgeving in het geding zijn. Van een onevenredige schending van belangen is volgens het college geen sprake.

14.2.    Het door [appellanten] aangevoerde biedt geen grond voor het oordeel dat het algemeen bestuur en het college zich niet op deze standpunten hebben mogen stellen. De omstandigheid dat [appellanten] in hun financiële belangen zijn geraakt door het handhavend optreden en dat de buurt geen bezwaar had tegen het gebruik van het pand voor een logiesverblijf met vijf kamers, wat daar verder van zij, brengt niet met zich dat handhavend optreden onevenredig was, gelet op de belangen die gediend zijn bij dat handhavend optreden, waaronder het algemeen belang.

    Het betoog faalt.

15.    [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het algemeen bestuur en het college in strijd met het verbod op détournement de pouvoir en met vooringenomenheid hebben gehandeld. Volgens hen is niet het woningbeleid en de ruimtelijke ordening de reden voor handhavend optreden, maar wordt handhavend opgetreden tegen alle vormen van toeristisch onderdak die zich tussen het verblijf van maximaal vier personen en de grotere hotels bevindt om de grotere hotels te bevoordelen. Aan het handhavend optreden liggen geen ruimtelijke maar economische motieven ten grondslag. Het algemeen bestuur en het college willen geen logiesbedrijf op de onderhavige locatie en hebben enkel gezocht naar argumenten om dat te onderbouwen, aldus [appellanten].

15.1.    Er is geen grond voor het oordeel dat het algemeen bestuur en het college de bevoegdheid tot handhavend optreden hebben gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend en aldus in strijd met het verbod van détournement de pouvoir hebben gehandeld. Er waren overtredingen waartegen in beginsel handhavend opgetreden diende te worden en er was bovendien een door de brandweer geconstateerde brand- en vluchtonveilige situatie die doorslaggevend is geweest bij het besluit om over te gaan tot spoedeisende bestuursdwang en een doorslaggevende rol heeft gespeeld in de belangenafweging. De omstandigheid dat de gemeente een hotelbeleid heeft en uitvoert maakt dit niet anders.

    Het betoog faalt.

Europese dienstenrichtlijn

16.    [appellanten] betogen eerst in hoger beroep dat het beleid van de gemeente met betrekking tot bed & breakfasts in strijd is met de richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de diensten op de interne markt. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom dit betoog niet reeds voor de rechtbank kon worden aangevoerd en [appellanten] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen hadden behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

Conclusie

17.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

18.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Kos

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2018

580. BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 5:31 luidt:

"1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last".

2. Indien de situatie zo spoedeisend is dat een besluit niet kan worden afgewacht, kan terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt".

Bouwbesluit 2012

Artikel 6.19 luidt:

"1. Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen dat brand tijdig kan worden ontdekt zodat veilig kan worden gevlucht.

[..]"

Artikel 6.20 luidt:

"[..]

5. Voor zover vanuit de uitgang van een verblijfsruimte slechts in één richting kan worden gevlucht, zijn de buiten die verblijfsruimte gelegen ruimten waardoor die enkele vluchtroute voert alsmede aan die ruimten grenzende verblijfsruimten en ruimten met een verhoogd brandrisico voorzien van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking als bedoeld in NEN 2535, indien:

a. de loopafstand tussen de uitgang van een verblijfsruimte en het punt van waaruit in meer dan één richting kan worden gevlucht meer dan 10 m is;

b. de totale vloeroppervlakte van de ruimten waardoor die enkele vluchtroute voert alsmede van de daarop aangewezen verblijfsruimten meer dan 200 m2 is, of

c. het aantal aan de enkele vluchtroute gelegen verblijfsruimten meer dan twee is.

[..]"

Artikel 6.22 luidt:

"1. Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen dat het ontvluchten goed kan verlopen."

Artikel 6.23 luidt:

"1. Een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 6.20, eerste, tweede en vijfde lid, heeft een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575."

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1 luidt:

"1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

[..]

d. het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk in met het oog op de brandveiligheid bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen;

[..]."

Besluit omgevingsrecht

Artikel 2.2 luidt:

"1. Als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d, van de wet worden aangewezen:

a. het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk waarin bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft aan meer dan 10 personen, dan wel het in afwijking daarvan bij de bouwverordening, bedoeld in artikel 8 van de Woningwet, bepaalde aantal personen;

[..]"

Bouwverordening van de gemeente Amsterdam

Artikel 4.1 luidt:

"In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, onder a van het Besluit omgevingsrecht wordt het aantal personen bepaald op 4."

Bestemmingsplan "Willemspark/Van Eeghenstraat 2002"

Artikel 4 luidt:

"1. De gronden, op de kaart bestemd voor "Woningen" (W), zijn aangewezen voor:

a. woningen met inbegrip van bijbehorende bergingen en andere nevenruimten;

b. tuinen voor wat betreft de onbebouwd blijvende delen;

c. maatschappelijke voorzieningen daar waar dat nader op de kaart is aangegeven;

d. huisgebonden beroepen.

2. Op de in lid 1 genoemde gronden mag slechts worden gebouwd ten behoeve van de aldaar genoemde bestemming, met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.

3. Voor de in de leden 1 en 2 genoemde gronden en bouwwerken gelden de volgende maxima en minimum:

a. gronden:

minimum bebouwingspercentage: 90 %;

b. gebouwen:

maximum bouwhoogte: zoals op de kaart is aangegeven;

maximum goothoogte: zoals op de kaart is aangegeven;

maximum aantal bouwlagen: zoals op de kaart is aangegeven;

c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde:

maximum bouwhoogte: 2 meter.

4. In afwijking van het bepaalde in de leden 1 en 2 is het toegestaan daar waar dat nader op de plankaart is aangegeven het souterrain of een bouwlaag te gebruiken voor:

a. kantoren;

b. praktijken;

c. horecavoorzieningen;

d. onderwijsvoorzieningen;

e. gebouwde parkeervoorzieningen."

Artikel 12 luidt:

"1. Voor zover de gronden met de bestemming "Woningen (W)", "Woningen en kantoren (W+K)" en "Woningen en hotel (W+H)"mogen worden gebruikt voor huisgebonden beroepen, zijn slechts bedrijven toegestaan die in de bij deze voorschriften behorende Staat van Inrichtingen vallen onder categorie I.

[..]"

Artikel 1 luidt:

"In dit plan wordt verstaan onder:

 [..]

25. huisgebonden beroepen:

a. aan huis gebonden beroepen: beroep dat met overwegend behoud van de woonfunctie wordt uitgeoefend waarbij maximaal 40% van het bruto vloeroppervlak met een maximum bruto vloeroppervlak van 60 m2 van een woning voor een aan huisgebonden beroep wordt gebruikt;

b. aan huis gebonden bedrijven: bedrijfsactiviteiten die gezien hun aard en omvang geen afbreuk doen en ondergeschikt zijn aan het woongebruik en geen hinder opleveren voor de woonsituatie (maximaal categorie I Staat van Inrichtingen zoals in artikel 12 bepaald) en waarbij maximaal 40% van het bruto vloeroppervlak met een maximum bruto vloeroppervlak van 60 m2 van een woning voor een aan huisgebonden bedrijf wordt gebruikt, niet zijnde detailhandel of horeca."

Artikel 15, eerste lid, luidt:

"Het is verboden de in het plan begrepen gronden en de zich daarop bevindende bebouwing te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de bestemming of de daarbij behorende voorschriften."