Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1008

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-03-2018
Datum publicatie
28-03-2018
Zaaknummer
201702615/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:14423, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 21 februari 2017 (hierna: de besluiten) heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201702615/1/V3.

Datum uitspraak: 22 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdelingen],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 20 maart 2017 in zaken nrs. 17/4040 en 17/4043 in het geding tussen:

de vreemdelingen

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 21 februari 2017 (hierna: de besluiten) heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 20 maart 2017 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. F.L.M. van Haren, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

De vreemdelingen hebben een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De staatssecretaris heeft de asielaanvragen van de vreemdelingen krachtens artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat Koeweit voor de vreemdelingen nog altijd een veilig derde land is.

2.    Hetgeen de vreemdelingen in grief 1 hebben aangevoerd over toegang tot Koeweit, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vraag opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeft, wordt, gelet op het bepaalde in artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

3.    Voorts klagen de vreemdelingen in grief 2 dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de door hen aangevoerde omstandigheid dat  Koeweit geen veilig derde land is, geen nieuw element of nieuwe bevinding is die relevant is voor de beoordeling van de aanvragen in de zin van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Daartoe voeren de vreemdelingen aan dat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat Koeweit het non-refoulementbeginsel naleeft en in Koeweit bescherming overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag wordt geboden als bedoeld in artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder c en e, van het Vreemdelingenbesluit 2000.

4.    De in het hogerberoepschrift opgeworpen rechtsvraag of Koeweit een veilig derde land is, heeft de Afdeling beantwoord in de uitspraak van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3379. In de besluiten heeft de staatssecretaris aan zijn standpunt dat Koeweit voor de vreemdelingen als veilig derde land kan worden beschouwd geen andere motivering ten grondslag gelegd dan die welke de Afdeling in de uitspraak van 13 december 2017 ondeugdelijk heeft bevonden. Derhalve heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris de door de vreemdelingen aangevoerde omstandigheid dat Koeweit geen veilig derde land is als nieuw element of nieuwe bevinding had moeten aanmerken die relevant is voor de beoordeling van de aanvragen in de zin van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Gelet hierop slaagt de grief.

5.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen van de vreemdelingen tegen de besluiten alsnog gegrond verklaren en de besluiten wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb vernietigen.

6.    De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 20 maart 2017 in zaken nrs. 17/4040 en 17/4043;

III.    verklaart de door de vreemdelingen bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen gegrond;

IV.    vernietigt de besluiten van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 21 februari 2017, V-nummers […] en […];

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.503,00 (zegge: vijftienhonderddrie euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Nieuwenhuizen, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Nieuwenhuizen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2018

633.