Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:95

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
18-01-2017
Zaaknummer
201601630/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 december 2015 heeft het college zijn beslissing om op 3 december 2015 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: de Afvalstoffenverordening) aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellante] komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2017/7499
JAF 2017/682 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601630/1/A1.

Datum uitspraak: 18 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2015 heeft het college zijn beslissing om op 3 december 2015 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: de Afvalstoffenverordening) aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellante] komt.

Bij besluit van 29 januari 2016 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 januari 2017, waar [appellante], bijgestaan door S. Karatay en J.M. Pol, en het college, vertegenwoordigd door M. Eser, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 3 december 2015 ter hoogte van de De Gaarde 64 te Den Haag is aangetroffen naast de daar aanwezige ondergrondse restafvalcontainer (hierna: de ORAC). Niet in geschil is dat de doos van [appellante] is en dat zij deze in strijd met de Afvalstoffenverordening ter inzameling heeft aangeboden.

2. Artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht luidt: de toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

3. [appellante] betoogt dat het college in redelijkheid had moeten besluiten om de kosten van de spoedeisende bestuursdwang niet op haar te verhalen. Zij voert daartoe aan dat zij op het moment van de overtreding pas anderhalve maand in Nederland woonde en daarom niet wist dat zij de doos niet naast de ORAC mocht plaatsen. Omdat zij geen Nederlands spreekt, kon zij de instructies op de ORAC niet lezen. Ook uit de pictogrammen die op de ORAC staan, kon zij niet opmaken dat ze de doos niet naast de ORAC mocht plaatsen. Omdat zij had gezien dat andere mensen hun dozen naast de ORAC plaatsten, heeft [appellante] dat ook gedaan. Zij voert verder aan dat het de taak van het college is om immigranten te informeren over de regels die gelden in een stad, waaronder regels over het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen.

3.1. Het betoog van [appellante] dat zij niet wist dat zij de doos niet naast de ORAC mocht plaatsen en het college daarom niet in redelijkheid de kosten van het verwijderen van de doos ten laste van [appellante] had mogen laten komen, slaagt niet. De omstandigheid dat zij zich niet van de regels omtrent het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen op de hoogte heeft gesteld, komt voor haar eigen risico. Op de website van de gemeente Den Haag staan deze regels in verschillende talen, waaronder het Engels, welke taal [appellante] machtig is. De omstandigheid dat [appellante] geen Nederlands spreekt en de pictogrammen op de ORAC niet begreep, geeft dan ook reeds daarom geen aanleiding voor het oordeel dat zij niet van deze regels op de hoogte had kunnen zijn. Verder is, anders dan [appellante] betoogt, de gemeente Den Haag niet verplicht om nieuwe inwoners van de stad op de in Den Haag geldende regels te wijzen.

Het betoog faalt.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2017

414-811.