Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:93

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
18-01-2017
Zaaknummer
201600720/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 september 2014 heeft de burgemeester een machtiging afgegeven om de garage dan wel berging (hierna: het bijgebouw) op het perceel [locatie] te Borne zonder toestemming van de eventuele bewoners binnen te treden (hierna: de machtiging).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2017/141 met annotatie van C.M.M. van Mil
JOM 2017/67
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600720/1/A3.

Datum uitspraak: 18 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de burgemeester van Borne,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 23 december 2015 in zaak nr. 15/1558 in het geding tussen:

[wederpartij A] en [wederpartij B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [wederpartij]), wonend te Borne,

en

de burgemeester.

Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2014 heeft de burgemeester een machtiging afgegeven om de garage dan wel berging (hierna: het bijgebouw) op het perceel [locatie] te Borne zonder toestemming van de eventuele bewoners binnen te treden (hierna: de machtiging).

Bij besluit van 9 juli 2015 heeft de burgemeester het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 december 2015 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 juli 2015 vernietigd en het besluit van 16 september 2014 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de burgemeester hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2016, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M.H. Blokvoort, mr. E. Hardenberg, beiden advocaat te Deventer, en A.H. Oude Middendorp, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. S.J.P. Kukolja, mr. M. Wulink, beiden advocaat te Hengelo, en [belanghebbende], zijn verschenen.

Overwegingen

Geen incidenteel hoger beroep

1. In het verweerschrift heeft [wederpartij] vermeld dat het tevens een voorwaardelijk incidenteel hogerberoepschrift inhoudt. Het daarin aangevoerde is evenwel niet gericht tegen de uitspraak van de rechtbank van 23 december 2015 maar is een herhaling van het door hem in beroep aangevoerde. Ter zitting van de Afdeling heeft [wederpartij] verklaard met het stuk te hebben beoogd zijn gronden tegen de in bezwaar gehandhaafde machtiging te benadrukken. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het verweerschrift niet tevens een incidenteel hogerberoepschrift is.

De besluitvorming

2. De burgemeester heeft het bezwaar tegen de machtiging ongegrond verklaard omdat volgens hem een controle van het bijgebouw noodzakelijk was wegens het vermoeden dat [wederpartij] in strijd met het bestemmingsplan het bijgebouw bewoonde. Dit vermoeden was gebaseerd op een controle in 2009 en stukken van [wederpartij] in procedures tegen de gemeente in het kader van een planschadeprocedure en een bestemmingsplanprocedure. Om de eventuele overtreding te kunnen vaststellen was het noodzakelijk om toegang tot het bijgebouw te verkrijgen, aldus de burgemeester.

De aangevallen uitspraak

3. De rechtbank heeft overwogen dat ten tijde van het afgeven van de machtiging bij de burgemeester voldoende bekend was over welke voorzieningen in het bijgebouw waren aangebracht en over het gebruik van de bovenverdieping ten behoeve van slapen en de benedenverdieping als studeer- en ontspanningsruimte. Volgens de rechtbank waren er minder ingrijpende middelen om te kunnen vaststellen of het bestemmingsplan werd overtreden. De burgemeester heeft [wederpartij] nooit uitdrukkelijk gevraagd om de actuele stand van zaken ten aanzien van het bijgebouw te vermelden. De in bezwaar gehandhaafde machtiging tot binnentreden is in strijd met artikel 3 van de Algemene wet op het binnentreden (hierna: Awbi), aldus de rechtbank.

Het hoger beroep van de burgemeester

4. De burgemeester bestrijdt het oordeel van de rechtbank. Volgens hem heeft hij niet in strijd met artikel 3 van de Awbi gehandeld, nu er concrete en serieuze aanwijzingen waren dat het bijgebouw in strijd met het bestemmingsplan voor woondoeleinden werd gebruikt. De burgemeester voert aan dat hij niet beschikte over een voldoende actueel en voldoende objectief inzicht in de feiten en omstandigheden verkregen door vaststelling van een deskundig medewerker van het bevoegd gezag. Dat is in het kader van handhaving gelet op het zorgvuldigheidsbeginsel wel vereist. De rechtbank heeft ten onrechte uit reeds bij hem bekende informatie geconcludeerd dat hij op de hoogte was van het gebruik van het bijgebouw en de daarin aangebrachte voorzieningen. De controle uit 2009 was onvoldoende actueel om in 2014 aan een eventueel handhavingsbesluit ten grondslag te leggen. De stukken waarover hij beschikt door andere procedures tussen [wederpartij] en de gemeente verstevigen zijn vermoeden dat het bijgebouw in strijd met het bestemmingsplan wordt gebruikt, maar bieden geen inzicht in het precieze gebruik en de aangebrachte voorzieningen. Voorts heeft [wederpartij] nooit erkend het bijgebouw te gebruiken als woning. [wederpartij] was niet bereid mee te werken aan de door hem gewenste controle van het gebruik van het bijgebouw. Minder ingrijpende middelen waren niet beschikbaar om een eventuele overtreding vast te stellen. Vragen stellen aan de mogelijke overtreder is geen geschikt middel in handhavingssituaties als deze, aldus de burgemeester.

4.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Awbi is voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner een schriftelijke machtiging vereist.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, is, voor zover de wet niet anders bepaalt, de burgemeester bevoegd tot het geven van een machtiging tot binnentreden in een woning, gelegen binnen zijn gemeente, voor andere doeleinden dan strafvordering.

Ingevolge het derde lid gaat degene die bevoegd is een machtiging te geven daartoe slechts over, indien het doel, waartoe wordt binnengetreden, het binnentreden zonder toestemming van de bewoner redelijkerwijs vereist.

4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1412, is het binnentreden van een woning tegen de wil van de bewoners een zeer ingrijpend middel dat alleen kan worden ingezet indien het vermoeden van een illegale situatie voldoende serieus is en het voor de bevestiging van dit vermoeden redelijkerwijs noodzakelijk is dat toegang wordt verkregen tot die woning omdat geen minder ingrijpende middelen aanwezig zijn.

4.3. [wederpartij] en de gemeente zijn al jaren met elkaar in juridische procedures verwikkeld. Gelet op de in deze procedure ingebrachte stukken heeft de burgemeester zich terecht op het standpunt gesteld dat een serieus vermoeden bestond dat in strijd met het bestemmingsplan in het bijgebouw werd gewoond, nu uit die stukken blijkt dat in het bijgebouw een douche, toilet, keuken en slaapruimtes zijn gerealiseerd. Om vast te stellen of daadwerkelijk een overtreding van het bestemmingsplan aan de orde is en eventueel een zorgvuldig voorbereid handhavingsbesluit te kunnen nemen, was het in dit geval noodzakelijk dat een toezichthouder van de gemeente het actuele gebruik van het bijgebouw zou vaststellen. De informatie uit de in 2009 door de gemeente gehouden controle was reeds gelet op het tijdsverloop sindsdien niet voldoende. Daar komt bij dat [wederpartij] niet bereid was medewerking te verlenen aan een controle van het bijgebouw. Het college van de gemeente Borne heeft verscheidene malen aangekondigd een controle te verrichten, waarna [wederpartij] heeft meegedeeld dat die controle geen doorgang kon vinden en het uitvoeren van een controle heeft belemmerd. Nu [wederpartij] niet bereid was mee te werken aan de controle, was een minder ingrijpend middel dan het afgeven van de machtiging, zoals het stellen van vragen over het actuele gebruik van het bijgebouw, niet voorhanden. Van de burgemeester kon in dit geval niet worden verlangd dat zou worden volstaan met een verzoek aan [wederpartij] om het college over de precieze actuele situatie in het bijgebouw te informeren. Uit het voorgaande volgt dat de toegang tot het bijgebouw noodzakelijk was voor de bevestiging van het vermoeden dat zich een illegale situatie voordeed. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend.

Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep van de burgemeester is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepsgronden tegen het besluit van 9 juli 2015 voor zover deze gelet op het vorenoverwogene nog beoordeling behoeven inhoudelijk beoordelen.

Het beroep van [wederpartij]

6. Het beroep van [wederpartij] komt erop neer dat de burgemeester de machtiging volgens hem ten onrechte in bezwaar heeft gehandhaafd. Daartoe heeft hij de hierna volgende gronden ingebracht.

6.1. [wederpartij] voert allereerst aan dat de machtiging in strijd is met de Awbi. De machtiging is onbevoegd afgegeven, nu deze ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Awbi alleen mag worden afgegeven voor andere doelen dan strafvordering. In de machtiging wordt verwezen naar artikel 5.13 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). Daar gaat het om bevoegdheden van ambtenaren om strafbare feiten op te sporen. Bovendien is artikel 5.13 van de Wabo onvoldoende specifiek nu het een schakelbepaling is. Ook de verwijzing naar artikel 5.10 van de Wabo is nietszeggend omdat het niet naar een concrete vermeende overtreding verwijst. Voorts is er geen geldig aanwijzingsbesluit dat op de juiste wijze is bekend gemaakt van aangewezen ambtenaren als bedoeld in artikel 5.10 van de Wabo. Er is wel gewezen op een krantenpublicatie van 11 november 2010, maar daarin staat slechts dat er toezichthouders zijn en niet wie dat zijn. De omstandigheid dat toezichthouders over een door het college afgegeven identificatiebewijs beschikken geldt niet als wettelijke aanwijzing. [persoon] was dan ook niet bevoegd tot binnentreden. [wederpartij] voert verder aan dat het in strijd met artikel 8, tweede lid, van de Awbi is dat [persoon] zich kon doen vergezellen door anderen. De omstandigheden gaven daar geen aanleiding toe. Ook artikel 9 van de Awbi is volgens [wederpartij] geschonden. Het meebrengen van vier politieagenten was disproportioneel. De enige reden om de controle met twee ambtenaren en vier politieagenten tegenover één belanghebbende en twee advocaten te verrichten was intimidatie, aldus [wederpartij].

6.1.1. Ingevolge artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 3:42, tweede lid, geschiedt de bekendmaking van besluiten van een niet tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door kennisgeving van het besluit of van de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze.

Ingevolge het derde lid wordt het besluit tegelijkertijd ter inzage gelegd indien alleen van de zakelijke inhoud wordt kennisgegeven. In de kennisgeving wordt vermeld waar en wanneer het besluit ter inzage ligt.

Ingevolge artikel 5.10, derde lid, van de Wabo zijn met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de betrokken wet bepaalde binnen hun ambtsgebied belast de bij besluit van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren.

Ingevolge artikel 5.13, aanhef, onder a, onder 1˚ en slot, zijn de ambtenaren die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van strafbaar gestelde feiten ter zake van het bepaalde bij of krachtens deze wet met betrekking tot activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c bevoegd, een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Awbi kan degene die bevoegd is zonder toestemming van de bewoner binnen te treden zich door anderen doen vergezellen, voor zover dit voor het doel van het binnentreden redelijkerwijs is vereist, en indien krachtens een machtiging wordt binnengetreden, de machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt.

Ingevolge artikel 9 kan degene die bevoegd is zonder toestemming van de bewoner binnen te treden zich de toegang tot of de doorgang in de woning verschaffen, voor zover het doel van het binnentreden dit redelijkerwijs vereist. Hij kan daartoe zo nodig de hulp van de sterke arm inroepen.

6.1.2. Op 2 november 2010 heeft het college een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 5.10, derde lid, van de Wabo genomen. In dit besluit is een opsomming gegeven van functiebenamingen waaraan het toezichthouderschap wordt toegekend. Het college heeft voor een categorale aanwijzing gekozen om te voorkomen dat bij personele wijzigingen een nieuw aanwijzingsbesluit moet worden genomen. Op 11 november 2010 is de zakelijke inhoud van het aanwijzingsbesluit gepubliceerd in de Bornse Courant, het wekelijkse huis-aan-huisblad van de gemeente Borne. Verder is vermeld dat het aanwijzingsbesluit vanaf die dag op het gemeentehuis ter inzage ligt. Gelet op het voorgaande is voldaan aan de eisen uit de artikelen 3:40 en 3:42, tweede en derde lid, van de Awb. Het aanwijzingsbesluit is op de juiste wijze bekendgemaakt en dus in werking getreden. [persoon] is bouwkundig medewerker bij de gemeente. In de opsomming in het aanwijzingsbesluit is de functiebenaming bouwkundig medewerker opgenomen. Dit betekent dat [persoon] is aangewezen als toezichthouder.

Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat de machtiging onbevoegd is afgegeven omdat het zou gaan om de opsporing van strafbare feiten. Artikel 5.13 van de Wabo verwijst ook naar ambtenaren die zijn belast met toezicht op de naleving van het bestemmingsplan.

[wederpartij] wordt evenmin gevolgd in zijn betoog dat de machtiging onvoldoende specifiek is omdat daarin niet naar een concrete overtreding zou worden verwezen. In de machtiging is vermeld dat het vermoeden bestaat dat het bijgebouw in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan wordt gebruikt. In artikel 2 van de Awbi en artikel 5.13 van de Wabo is een bevoegdheid neergelegd voor het binnentreden van een woning. Laatstgenoemde bepaling verwijst naar artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, waarin is bepaald dat het verboden is om gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken. Dat artikel 5.13 van de Wabo een schakelbepaling is maakt niet dat de machtiging onvoldoende specifiek is.

In de machtiging is er overeenkomstig het bepaalde van artikel 8, tweede lid, van de Awbi uitdrukkelijk in voorzien dat [persoon] zich kon laten vergezellen bij het binnentreden. Artikel 9 van de Awbi voorziet in de mogelijkheid de hulp van de politie in te roepen. Gelet op het al jarenlang spelende geschil tussen [wederpartij] en de gemeente en de omstandigheid dat [wederpartij] eerder niet bereid was medewerking te verlenen aan controle en uitvoering daarvan eerder had belet, heeft de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat door [persoon] zich mocht laten bijstaan door de politie en A.H. Oude Middendorp, tevens een aangewezen toezichthouder.

Uit het voorgaande volgt dat de in bezwaar gehandhaafde machtiging niet in strijd is met de Awbi. Derhalve faalt het betoog in zoverre.

6.2. [wederpartij] voert ten tweede aan dat een nieuwe controle niet nodig was omdat de burgemeester op de hoogte was van het gebruik van en de voorzieningen in het bijgebouw gelet op de eerdere controle in 2009 en de stukken waarover de burgemeester reeds beschikte. Bovendien waren er volgens hem minder ingrijpende middelen aanwezig om het gebruik van het bijgebouw en de daarin aangebrachte voorzieningen vast te stellen.

6.2.1. In rechtsoverweging 4.3. heeft de Afdeling geoordeeld dat het voor de bevestiging van het vermoeden dat zich een illegale situatie voordeed noodzakelijk was om de toegang te verkrijgen tot het bijgebouw door middel van de machtiging. Derhalve faalt het betoog in zoverre.

6.3. [wederpartij] voert ten derde aan dat het gebruik van het bijgebouw niet in strijd is met het bestemmingsplan omdat het niet kan dienen voor zelfstandige huisvesting nu onder meer een eigen kookgelegenheid ontbreekt. Verder heeft het college in mei 2009 gezegd dat het gebruik van het bijgebouw niet in strijd is met het bestemmingsplan. Een paar weken later heeft een ambtenaar bericht dat dat mogelijk toch het geval is, maar dat erop zal worden teruggekomen. Dat laatste is echter nooit gebeurd. Hiermee is het vertrouwen gewekt dat het gebruik van het bijgebouw niet in strijd is met het bestemmingsplan dan wel wordt gedoogd. Bovendien valt het huidige gebruik van het bijgebouw onder de uitsterfregeling van het bestemmingsplan. Gelet hierop bestond volgens [wederpartij] geen reden tot handhaving en dus heeft de burgemeester de machtiging ten onrechte afgegeven.

6.3.1. In het hier voorliggende geval gaat het om de vraag of de burgemeester terecht de machtiging in bezwaar heeft gehandhaafd. De beantwoording van de vraag of het gebruik van het bijgebouw daadwerkelijk in strijd is met het bestemmingsplan kan in deze procedure niet aan de orde komen. [wederpartij] kan dit aanvoeren in een eventuele handhavingsprocedure. Dat zou anders kunnen zijn indien een redelijk denkend en handelend burgemeester tot het oordeel zou moeten komen dat van een vermoeden van het handelen in strijd met het bestemmingsplan geen sprake kan zijn. De enkele stelling dat door het college zou zijn medegedeeld dat een in 2009 voorgestelde wijze van gebruik niet in strijd zou zijn met het bestemmingsplan is, alleen al omdat daarvan kort daarna namens het college is teruggekomen, daarvoor onvoldoende.

6.4. [wederpartij] voert ten vierde aan dat het afgeven van de machtiging in strijd is met het verbod op détournement de pouvoir. Uit een door hem overgelegd stuk blijkt immers dat een wethouder tegenover een raadslid heeft verklaard dat de reden van binnentreden is gelegen in het sterker staan bij een rechtszaak tegen [wederpartij].

6.4.1. Zoals hiervoor onder 4.3. is overwogen was de machtiging voor binnentreden zonder toestemming nodig om het vermoeden dat het bijgebouw illegaal werd gebruikt al dan niet te kunnen bevestigen. Uit de mail van het raadslid kan niet de conclusie worden getrokken dat de machtiging voor een ander doel is gebruikt dan waartoe de bevoegdheid is gegeven, te weten voor toezicht op de naleving van de regelgeving en het eventueel nemen van een zorgvuldig voorbereid handhavingsbesluit. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat de machtiging in strijd met het verbod op détournement de pouvoir is afgegeven.

Het betoog faalt in zoverre.

6.5. [wederpartij] voert ten vijfde aan dat de machtiging in strijd is met de artikelen 8 en 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), omdat het niet mogelijk was om deze voorafgaand aan de controle te laten toetsen door een rechter. Daarmee is het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel geschonden en een inbreuk gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer. De Awbi is op dit punt in strijd met voormelde bepalingen uit het EVRM. De burgemeester heeft de machtiging met opzet pas op de dag van de controle afgegeven en niet de dag ervoor om rechterlijke toetsing vooraf onmogelijk te maken, aldus [wederpartij].

6.5.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Ingevolge artikel 13 heeft een ieder wiens rechten en vrijheden die in het EVRM zijn vermeld, zijn geschonden, recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze schending is begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.

6.5.2. Uit geen van de bepalingen van het EVRM waarop [wederpartij] zich beroept volgt dat hij voorafgaande aan het binnentreden in de gelegenheid moet zijn gesteld een rechtsmiddel aan te wenden. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het besluit tot afgifte van een machtiging tot binnentreden weliswaar een mogelijke inbreuk op het huisrecht van [wederpartij] tot gevolg heeft, maar daarvan kan niet worden gezegd dat deze ernstig is en tot onomkeerbare gevolgen leidt. Bovendien kan tegen het besluit in een bezwaar- en beroepsprocedure achteraf worden opgekomen. Indien dan geoordeeld wordt dat het huisrecht ongerechtvaardigd is beperkt, kan een schadevergoeding worden toegekend. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat de Awbi in strijd is met de genoemde bepalingen uit het EVRM.

Verder overweegt de Afdeling dat het binnentreden van het bijgebouw van [wederpartij] een inmenging van de overheid betekent als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Het EVRM voorziet echter in de mogelijkheid van beperking van het huisrecht als aan de daar genoemde voorwaarden is voldaan. In de Awbi is voorzien in de bevoegdheid tot binnentreden zonder toestemming en gelet op hetgeen hiervoor onder 4.3. is overwogen is voldaan aan de eisen van noodzakelijkheid en evenredigheid.

Het betoog faalt in zoverre.

6.6. [wederpartij] voert tot slot aan dat artikel 6 van het EVRM is geschonden omdat de redelijke termijn is overschreden. De discussie over het gebruik van het bijgebouw speelt al sinds 2009 en sinds 22 juni 2012 dreigt de gemeente al met binnentreden. Gezien de duur dat de gemeente deze situatie heeft laten voortbestaan en de aangekondigde controle niet heeft verricht, mocht hij erop vertrouwen dat de controle achterwege zou blijven.

6.6.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

6.6.2. Voor de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn in dit geval is overschreden dient alleen te worden te worden bezien hoe lang de procedure in het hier voorliggende geval heeft geduurd. Daarbij gaat het om de duur van de procedure in het geheel gerekend vanaf het moment waarop de burgemeester het bezwaarschrift van [wederpartij] heeft ontvangen. Dat daarvoor al discussie was over het gebruik van het bijgebouw is hier dan ook niet van belang. In dit geval is de redelijke termijn niet overschreden omdat de procedure over de afgegeven machtiging in het geheel minder dan vier jaren heeft geduurd.

Voor zover [wederpartij] beoogt te betogen dat het vertrouwensbeginsel is geschonden door de lange duur, overweegt de Afdeling als volgt. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Weliswaar heeft het college in een brief van 26 mei 2009 aan [wederpartij] meegedeeld naar aanleiding van de controle van 12 mei 2009 geen reden tot handhavend optreden te zien, maar gelet op het tijdsverloop sindsdien, de vele juridische procedures tussen de gemeente en [wederpartij] en de omstandigheid dat de gemeente verscheidene malen heeft aangekondigd de situatie ter plaatse te willen inspecteren, kon [wederpartij] aan deze brief en aan het enkele tijdsverloop sindsdien niet de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat geen controle zou plaatsvinden.

Het betoog faalt ook in zoverre.

7. De conclusie is dat de burgemeester de machtiging in bezwaar mocht handhaven.

8. Het beroep van [wederpartij] is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van de burgemeester van Borne gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 23 december 2015 in zaak nr. 15/1558;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Niane-van de Put, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Niane-van de Put

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2017

805.