Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:91

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
18-01-2017
Zaaknummer
201603880/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 mei 2015 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om vergoeding van extra uren rechtsbijstand ten behoeve van [partij] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201603880/1/A2.

Datum uitspraak: 18 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], kantoorhoudend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 april 2016 in zaak nr. 15/6940 in het geding tussen:

[appellant] en [partij]

en

de raad voor rechtsbijstand (lees: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand; hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2015 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om vergoeding van extra uren rechtsbijstand ten behoeve van [partij] afgewezen.

Bij besluit van 18 september 2015 heeft de raad, voor zover hier van belang, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 april 2016 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. C.M. Bijl, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [partij] is het slachtoffer geworden van een aanrijding door een fietser. Zij heeft hierbij letsel opgelopen. Met het oog op het verkrijgen van een vergoeding van de als gevolg van de aanrijding geleden schade, heeft zij zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. In dit kader heeft zij zich laten bijstaan door [appellant], die advocaat is.

De raad heeft aan [appellant] een toevoeging verstrekt voor het verlenen van 15 uren rechtsbijstand aan [partij].

[appellant] heeft op 15 april 2015 verzocht om toekenning van 21 extra uren rechtsbijstand. Bij besluit van 11 mei 2015 heeft de raad dit verzoek afgewezen, omdat niet is gebleken dat er sprake is van feitelijke en/of juridische complexiteit. Tegen de afwijzing van het verzoek heeft [appellant] bezwaar gemaakt en later beroep ingesteld.

De uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe in de eerste plaats overwogen dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere rechtsvragen die de zaak van [partij] juridisch complex maken. In de tweede plaats heeft [appellant] naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van feitelijke complexiteit. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat de afwijzing van zijn aanvraag in strijd is met artikel 51c, van het Wetboek van Strafvordering, de artikelen 6 en 13 van het Verdrag inzake de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012, tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ (hierna: Richtlijn 2012/29/EU).

Hoger beroep

3. [appellant] heeft een aantal gronden aangevoerd in hoger beroep, die hierna zullen worden besproken.

De positie van het slachtoffer in strafzaken

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn betoog dat het aantal forfaitaire uren dat in zaken waarin het gaat om het indienen van een vordering benadeelde partij in een strafzaak - gelet op de ontwikkeling van de positie van slachtoffers in het strafproces waarbij aan slachtoffers een catalogus aan rechten is toegekend en er dus sprake is van een toename van de rechtsbijstand aan slachtoffers - niet meer voldoet. De rechtbank heeft volgens [appellant] ten onrechte geoordeeld dat dit betoog buiten de omvang van het geding valt en aan de orde had moeten komen in een procedure tegen de verlening van de toevoeging. Ter onderbouwing van dit betoog voert [appellant] aan dat niet op voorhand kan worden voorzien of het aantal uren rechtsbijstand waarvoor een toevoeging is verleend voldoende is. Dit valt pas te bezien als de zaak zich ontwikkelt, aldus [appellant].

4.1. In beroep heeft [appellant] onder meer aangevoerd dat het systeem van puntentoekenning dat de raad hanteert en aan de hand waarvan hij bepaalt voor hoeveel uren rechtsbijstand voor een bepaald type zaak een toevoeging wordt verstrekt niet voldoet aan de huidige praktijk. In dit verband heeft hij gewezen op de ontwikkeling van de positie van het slachtoffer in strafzaken. Die ontwikkeling komt er op neer dat slachtoffers meer rechten in het strafproces hebben gekregen. Als gevolg daarvan moet aan slachtoffers in het strafproces vaak meer rechtsbijstand worden verleend dan vroeger het geval was. Dit betekent volgens [appellant] dat het standaard aantal uren rechtsbijstand waarvoor in dit soort zaken een toevoeging wordt verleend achterhaald is.

4.2. Voormeld betoog richt zich in algemene zin tegen het aantal uren rechtsbijstand waarvoor toevoegingen worden verleend voor het bijstaan van slachtoffers in strafzaken. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat een dergelijk betoog aan de orde dient te komen in het kader van de verlening van een toevoeging, aangezien in dat kader het aantal uren rechtsbijstand waarvoor de toevoeging wordt verstrekt wordt bepaald. In deze procedure, waarin de beoordeling van een verzoek om vergoeding van extra uren ter toets voorligt, kan het aantal uren rechtsbijstand waarvoor de toevoeging is verleend geen rol spelen. Hieraan doet niet af dat, naar de raad ter zitting te kennen heeft gegeven, het aantal uren rechtsbijstand dat standaard wordt toegekend voor het bijstaan van slachtoffers in een strafproces onder druk staat en dat in verband daarmee wordt onderzocht of het aantal uren dat standaard wordt toegekend zou moeten worden uitgebreid.

Het betoog faalt.

Juridische en feitelijke complexiteit

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere rechtsvragen die de zaak juridisch complex maken. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van feitelijke complexiteit. Ter onderbouwing voert hij aan dat als verweer tegen de door [partij] ingediende vordering tot schadevergoeding door de verdachte is aangevoerd dat zij eigen schuld heeft. Dit maakt de zaak juridisch complex. Daarnaast is de zaak juridisch en feitelijk complex omdat [partij] ernstig letsel heeft opgelopen als gevolg van de aanrijding en het moeilijk was in te schatten welke schade zij hierdoor lijdt en nog zal lijden. Daartoe diende een omvangrijk medisch dossier te worden bestudeerd. [appellant] wijst in dit verband op de door hem overgelegde verklaring van de officier van justitie, dat het letsel van [partij] de zaak juridisch complex maakt, waaraan de rechtbank voorbij is gegaan. Tot slot is de zaak feitelijk complex omdat er geen getuigen waren van het ongeval, zodat de feiten moesten worden gereconstrueerd aan hand van onderzoek aan de fiets van verdachte en het medisch dossier van [partij]. Dit vergde meer dossierstudie dan gebruikelijk, aldus [appellant].

5.1. De relevante bepalingen uit het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: het Bvr 2000) luiden als volgt:

Artikel 14

Aan een strafzaak wordt het aantal punten toegekend dat in de bijlage voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak is bepaald.

Artikel 22

1. Ten aanzien van strafzaken die in de bijlage zijn aangemerkt als strafrecht verdachten wordt:

a. indien in een strafzaak de tijdsbesteding aan de verlening van rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk is aan drie maal het aantal punten dat in de bijlage voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak of op grond van artikel 15 is bepaald, voor elk uur waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt verleend, 0,955 punt toegekend, mits het bestuur de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31, heeft goedgekeurd.

[…]

Artikel 31

1. In afwijking van het eerste lid van artikel 28 dient de rechtsbijstandverlener bij het bereiken van de in de artikelen 13 en 22 bedoelde tijdgrens een aanvraag in bij het bestuur tot vaststelling van de vergoeding voor de verrichte werkzaamheden. Tegelijkertijd legt hij een begroting over met betrekking tot de tijdsbesteding van de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden.

2. Het bestuur stemt geheel of gedeeltelijk in met de begroting, bedoeld in het eerste lid, indien het van oordeel is dat de rechtsbijstand doelmatig wordt verleend.

[…]

5.2. Bij de toepassing van artikel 31 van het Bvr hanteert de raad beleid dat is neergelegd in de op de website van de raad (kenniswijzer.rvr.org) gepubliceerde ‘Werkinstructie toekennen aanvraag extra uren’ (hierna: het beleid). In paragraaf 2.2 is voor wat betreft de vraag wat onder ‘doelmatig’ moet worden verstaan opgemerkt dat dit criterium is gekoppeld aan de feitelijke en/of juridische complexiteit van de zaak.

Ten aanzien van de feitelijke complexiteit is uiteengezet dat van een bewerkelijk zaak wordt gesproken, als sprake is van een omvangrijk juridisch relevant feitencomplex, waardoor niet verwacht kan worden dat alle rechtsbijstand binnen de forfaitaire grens kan worden verleend. Feitelijke complexiteit moet objectief vast te stellen zijn in vergelijking met een soortgelijke zaak. Geen bewerkelijkheid van de zaak wordt aangenomen als uitsluitend wordt verwezen naar het aantal aan de zaak bestede uren, omvang van het dossier of factoren die herleidbaar zijn tot de persoon(lijkheid) van de rechtzoekende of wederpartij.

Ten aanzien van de juridische complexiteit is uiteengezet dat daarvan sprake is als er bijzondere rechtsvragen zijn, die zelden voorkomen in soortgelijke zaken. De advocaat moet aantonen dat sprake is van een bijzondere rechtsvraag, omdat in die zaak geen of beperkte jurisprudentie aanwezig is én de wetgeving onduidelijk is, of omdat nieuwe Nederlandse wetgeving moet worden getoetst aan Europese wetgeving, aldus het beleid.

5.3. Voorop dient te worden gesteld dat, gegeven het forfaitaire karakter van het toevoegingenstelsel, niet iedere overschrijding van het aantal verleende uren tot honorering van een verzoek om extra uren behoeft te leiden. [partij] heeft een toevoeging aangevraagd voor het verlenen van rechtsbijstand, omdat zij zich als benadeelde partij heeft gevoegd in een strafproces. Zij heeft dat gedaan met het oog op het verkrijgen van een vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit. Gelet op de aard van deze procedure acht de Afdeling niet aannemelijk dat het debat over het gevoerde verweer van de verdachte, dat [partij] zelf schuld had aan de door haar geleden schade, een bijzondere rechtsvraag oplevert die zelden voorkomt in strafzaken. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, naar de raad ter zitting uiteen heeft gezet, de strafrechter de vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer behandelt voor zover de behandeling daarvan geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In het geval van [partij] heeft de strafrechter de vordering gedeeltelijk toegewezen en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard, omdat behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. [partij] kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Hieruit volgt dat in de strafzaak slechts vorderingen van betrekkelijk eenvoudige aard aan de orde kunnen komen. De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de zaak juridisch complex is.

Dat het letsel van [partij] complex was en heeft geleid tot een omvangrijk medisch dossier, betreft een tot de persoon te herleiden factor en vormt, gelet op het beleid, op zichzelf derhalve geen grond voor het oordeel dat de zaak feitelijk complex is. Dat de officier van justitie, op verzoek van [appellant], heeft verklaard dat [partij] gecompliceerd letsel had, waardoor zij allerlei soorten van lastig in te schatten schade heeft geleden en nog zou lijden, maakt dat niet anders. Dat er geen getuigen waren van het ongeval, met als gevolg dat de feiten gereconstrueerd moesten worden aan hand van onderzoek aan de fiets van verdachte en het medisch dossier van [partij], en de zaak dientengevolge arbeidsintensief is, vormt evenmin grond voor het oordeel dat de zaak feitelijk complex is. Dat feiten moeilijk zijn vast te stellen en daardoor meer tijd aan de zaak is besteed, biedt op zichzelf immers geen grond voor het oordeel dat de zaak zodanig feitelijk of juridisch complex is dat de behandeling daarvan in redelijkheid niet binnen de tijdgrens heeft kunnen plaatsvinden.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de zaak niet juridisch en/of feitelijk complex is en daarom niet als bewerkelijk kan worden aangemerkt.

Het betoog faalt.

Verbod op slavernij

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank er aan voorbij is gegaan dat artikel 24, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb), op grond waarvan een advocaat verplicht is om in een zaak waarvoor een toevoeging is verleend rechtsbijstand te blijven verlenen, in strijd is met het verbod op slavernij, wanneer de aanvraag om vergoeding van extra uren wordt afgewezen. Dat betekent immers dat hij rechtsbijstand moet verlenen tegen een zeer geringe en niet kostendekkende vergoeding.

6.1. De relevante bepaling uit de Wrb luidt als volgt:

Artikel 24

[…]

4. De rechtsbijstandverlener kan slechts met instemming van het bestuur de toevoeging weigeren. Zolang de toevoeging niet is gewijzigd of ingetrokken, is hij verplicht de nodige rechtsbijstand te verlenen.

[…]

De relevante bepalingen uit het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) luiden als volgt:

Artikel 5

1. Niemand mag in slavernij of dienstbaarheid worden gehouden.

2. Niemand mag gedwongen worden dwangarbeid of verplichte arbeid te verrichten.

[…]

Artikel 51

1. De bepalingen van dit handvest zijn gericht tot de instellingen en organen van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. […].

De relevante bepaling uit het EVRM luidt als volgt:

Artikel 4

1. Niemand mag in slavernij of dienstbaarheid worden gehouden.

2. Niemand mag gedwongen worden dwangarbeid of verplichte arbeid te verrichten.

[…]

6.2. Ingevolge artikel 51, eerste lid, van het Handvest zijn de bepalingen van dit handvest uitsluitend gericht tot de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Met het besluit van de raad tot afwijzing van de aanvraag om vergoeding van extra uren rechtsbijstand is geen recht van de Unie ten uitvoer gebracht, aangezien met de bepalingen uit het Bvr 2000 waarop dit besluit is gebaseerd, het Unierecht niet wordt omgezet en ook anderszins geen sprake is van een juridische situatie die binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt. Derhalve valt dit besluit niet binnen de materiële werkingssfeer van het Handvest, zodat reeds daarom geen strijd met het Handvest aan de orde is. De Afdeling ziet evenwel aanleiding het aangevoerde tevens aan te merken als een beroep op het in artikel 4 van het EVRM vervatte verbod op slavernij en dwangarbeid.

Het toevoegingenstelsel heeft een forfaitair karakter. Dit betekent dat per zaaktype een vaste vergoeding wordt gegeven die is gebaseerd op de gemiddelde tijdsbesteding (Stb. 1999, 580, p. 16-17). Alleen in het geval van juridische of feitelijke complexiteit kan van dit gemiddelde worden afgeweken en kunnen extra uren worden vergoed. Wanneer, zoals hier het geval is, geen juridische of feitelijke complexiteit wordt aangenomen, geldt dat de extra uren die in een bepaalde zaak worden besteed moeten worden geacht te worden gecompenseerd door een onder het gemiddelde blijvend aantal uren dat is besteed in een andere zaak. [appellant] moet dan ook worden geacht de extra uren die hij stelt te hebben besteed aan de zaak van [partij] te compenseren in andere zaken die hij behandelt. Dat [appellant] niet de extra uren zijn toegekend dat hij heeft gevraagd, betekent dan ook niet dat sprake is van dwangarbeid of slavernij als bedoeld in artikel 4 van het EVRM. Deze verdragsbepaling is derhalve evenmin geschonden. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV3224.

Het betoog faalt.

Artikel 51c van het Wetboek van Strafvordering en Richtlijn 2012/29/EU

7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn betoog, dat afwijzing van zijn aanvraag in strijd is met artikel 51c van het Wetboek van Strafvordering en Richtlijn 2012/29/EU, onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen. Hij voert in dit verband aan dat een slachtoffer op grond van artikel 51c van het Wetboek van Strafvordering het recht heeft zich te doen bijstaan door een advocaat. Uit Richtlijn 2012/29/EU volgt dat slachtoffers van strafbare feiten moeten worden beschermd tegen secundaire en herhaalde victimisatie en dat zij daartoe voldoende toegang moeten krijgen tot de rechter. Deze toegang heeft [partij] volgens [appellant] niet, wanneer hij stopt met het verlenen van rechtsbijstand.

7.1. De relevante bepaling uit het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt:

Artikel 51c

[…]

2. Het slachtoffer kan zich op de terechtzitting doen vertegenwoordigen door een advocaat, indien deze verklaart daartoe uitdrukkelijk gevolmachtigd te zijn, of door een gemachtigde die daartoe een bijzondere en schriftelijke volmacht heeft.

[…]

7.2. De afwijzing van de aanvraag om vergoeding van extra uren leidt in essentie niet tot een beperking van het in artikel 51c, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde recht, maar leidt tot een beperking van de subsidiëring van het aantal uren waarvoor rechtsbijstand wordt verleend. Voor het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in strijd is met voormeld artikel, bestaat derhalve geen grond.

Het betoog faalt in zoverre.

7.3. Daargelaten of - gelet op de ten tijde van de beslissing op bezwaar nog niet verstreken omzettingstermijn - Richtlijn 2012/29/EU in dit geval rechtstreekse werking heeft en [appellant] daar dus een beroep op kan doen, is de Afdeling van oordeel dat het besluit niet in strijd is met die richtlijn. Van belang daarbij is dat uit overweging 9 van de preambule onder meer volgt dat de richtlijn als doel heeft slachtoffers van strafbare feiten te beschermen tegen secundaire en herhaalde victimisatie, tegen intimidatie en tegen vergelding. Daartoe dienen zij passende ondersteuning te krijgen om hun herstel te bevorderen en voldoende toegang tot de rechter krijgen. De weigering om een vergoeding toe te kennen voor extra uren rechtsbijstand tast de toegang tot de rechter en bijstand door een advocaat daarbij niet in essentie aan. Het gaat slechts om een beperking van de subsidiëring van het aantal uren waarvoor rechtsbijstand wordt verleend.

Het betoog faalt ook voor het overige.

Recht op een eerlijk proces en een daadwerkelijk rechtsmiddel

8. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn betoog, dat door de afwijzing van zijn aanvraag om vergoeding van extra uren rechtsbijstand het door artikel 6 van het EVRM neergelegde recht van [partij] op een eerlijk proces wordt geschonden, ongemotiveerd heeft verworpen. Als in een zaak als deze geen vergoeding van extra uren wordt toegekend, dan zal dat betekenen dat in de toekomst advocaten niet meer bereid zullen zijn dergelijke zaken aan te nemen. Het recht op een eerlijk proces wordt dan illusoir, aldus [appellant]. Verder voert hij aan dat het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, zoals neergelegd in artikel 13 van het EVRM, wordt geschonden.

8.1. De relevante bepalingen uit het EVRM luiden als volgt:

Artikel 6

1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. […]

Artikel 13

Een ieder wiens rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze schending is begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.

8.2. Niet valt in te zien dat de afwijzing van de aanvraag van [appellant] om extra uren er op zichzelf toe leidt dat het recht van [partij] op een eerlijk proces wordt geschonden. Zoals de Afdeling eerder, onder verwijzing naar jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, heeft overwogen in de uitspraak van 1 april 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BH9243) mag het recht op toegang tot de rechter worden beperkt en is dat niet in strijd met artikel 6 van het EVRM mits de beperkingen niet in essentie het recht op toegang tot de rechter schaden, een gerechtvaardigd doel dienen en proportioneel zijn. In dit geval is aan deze vereisten voldaan. Het toegepaste beleid beperkt niet in essentie de toegang tot de rechter, maar leidt tot een beperking van de subsidiëring van het aantal uren waarvoor rechtsbijstand wordt verleend, omdat, gelet op het onder 5.2 overwogene, niet aannemelijk is dat de zaak feitelijk of juridisch bijzonder complex is. Gelet daarop is voorts geen grond voor het oordeel dat de gevolgen van de afwijzing extra uren te vergoeden onevenredig zijn in verhouding tot het ermee te dienen doel, te weten het in stand houden van een betaalbaar systeem van toevoegingen voor rechtsbijstand.

Dat het systeem van rechtsbijstand en in het bijzonder het beleid dat wordt gevoerd ten aanzien van verzoeken om vergoeding van extra uren in strijd is met artikel 6 van het EVRM, omdat dat systeem ertoe leidt dat advocaten bepaalde zaken niet meer zullen aannemen, zoals [appellant] betoogt, staat in deze procedure niet ter beoordeling.

Evenmin valt in te zien dat de afwijzing van de aanvraag van [appellant] om extra uren ertoe leidt dat het recht van [partij] op een daadwerkelijk rechtsmiddel wordt geschonden.

Het betoog faalt.

Slotsom

9. De conclusie is dat de raad de aanvraag van [appellant] om vergoeding van extra uren rechtsbijstand ten behoeve van [partij] in redelijkheid heeft kunnen afwijzen.

10. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Wieland

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2017

502.