Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:90

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
18-01-2017
Zaaknummer
201601222/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 mei 2014 heeft de burgemeester [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woning aan het [locatie] te Schiedam te sluiten voor de duur van drie maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601222/1/A3.

Datum uitspraak: 18 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Schiedam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 januari 2016 in zaak nr. 15/1574 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Schiedam.

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2014 heeft de burgemeester [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woning aan het [locatie] te Schiedam te sluiten voor de duur van drie maanden.

Bij besluit van 27 februari 2015 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 januari 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door T.M.R. Weissenbruch, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. E. Neef en E.J. Vruggink, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 30 mei 2014 heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat in de woning van [appellant] 73,49 gram henneptoppen is aangetroffen. Dit is een handelshoeveelheid, nu het de door het Openbaar Ministerie (hierna: OM) vastgestelde gebruikershoeveelheid van vijf gram softdrugs ruimschoots overschrijdt. In de woning van [appellant] is verder een niet in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Ook dat maakt het aannemelijk dat het gaat om drugs die zijn bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking, aldus de burgemeester.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester zijn woning voor drie maanden mocht sluiten. Daartoe voert hij aan dat het OM heeft besloten de strafzaak te seponeren wegens onvoldoende bewijs. Dit brengt mee dat de burgemeester niet mocht uitgaan van de juistheid van de opgemaakte processen-verbaal. Bovendien is het daarin vermelde gewicht van aangetroffen henneptoppen onjuist. De gehele, niet gedroogde plant is namelijk gewogen inclusief de bladeren en takken. Natte hennep weegt veel meer dan gedroogde hennep. Bovendien is in het ene proces-verbaal vermeld dat 37 gram hennep is aangetroffen, terwijl later is gezegd dat 73,49 gram hennep is aangetroffen. Het is onjuist dat na het wegen van de 37 gram nog meer henneptoppen zijn aangetroffen, aldus [appellant].

2.1. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen een middel als bedoeld in lijst II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Op lijst II is hennep vermeld.

De burgemeester voerde ten tijde van belang de vaste gedragslijn dat hij een woning of inrichting voor drie maanden sluit ingeval meer dan 30 gram softdrugs wordt aangetroffen. Deze vaste gedragslijn is inmiddels neergelegd in schriftelijk beleid.

2.2. Aan de last zijn twee processen-verbaal ten grondslag gelegd, te weten van 22 en 23 april 2014. In de omstandigheid dat het OM heeft besloten [appellant] niet te vervolgen voor een op 22 april 2014 gepleegd strafbaar feit wegens onvoldoende bewijs heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de burgemeester niet bestuursrechtelijk kon optreden tegen de aangetroffen hoeveelheid hennep.

Het sepot is niet gemotiveerd. Ter zitting bij de Afdeling heeft Vruggink namens de burgemeester toegelicht dat de strafzaak is geseponeerd wegens een vormfout. Die vormfout bestond er in dat de verbalisanten de woningen hebben doorzocht zonder de vereiste toestemming van de officier van justitie, nadat zij de woning met toestemming van [appellant] hebben betreden, aldaar meer dan de voor eigen gebruik toegelaten hoeveelheid hennep hebben aangetroffen en [appellant] werd aangehouden. Het enkele feit dat de toestemming van de officier van justitie voor verdere doorzoeking van de woning niet is verkregen betekent niet dat de inhoud van de processen-verbaal, die overigens slechts voor een deel betrekking hebben op bij de doorzoeking aangetroffen voorwerpen, door de burgemeester niet aan zijn besluit ten grondslag mag worden gelegd. Het ontbreken van toestemming van de officier van justitie levert geen aanwijzing dat de inhoud van de processen-verbaal onjuist zou zijn.

Uit de processen-verbaal blijken de volgende feiten en omstandigheden. In de woning werd een henneptent aangetroffen en onder meer potten met stronken, een ventilator en diverse plantengroeimiddelen. In de henneptent werden henneptoppen in een pot aangetroffen. Volgens de keukenweegschaal wogen die 37 gram. Daarna zijn nog meer henneptoppen aangetroffen in de tent. De in totaal in beslag genomen henneptoppen zijn de volgende dag op het politiebureau gewogen. Het ging om 73,49 gram henneptoppen.

De rechtbank heeft terecht verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2362). Daaruit volgt dat bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een pand die groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik, in beginsel aannemelijk is dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbende van het pand om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien het tegendeel niet aannemelijk is gemaakt, is de burgemeester ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen.

De aangetroffen hoeveelheid van 73,49 gram henneptoppen overschrijdt ruimschoots de vijf gram softdrugs die door het OM als hoeveelheid voor eigen gebruik wordt aangemerkt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, en ook ruimschoots de 30 gram softdrugs die de burgemeester hanteert in de vaste gedragslijn voor het sluiten van woningen. Voor de toepasselijkheid van artikel 13b van de Opiumwet is - anders dan in de strafrechtelijke procedure - het al dan niet bestaan van verwijtbaarheid aan de zijde van [appellant] niet vereist. De Afdeling wijst in dit verband nog op haar uitspraak van 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:185. Uit die uitspraak volgt dat voor het mogen aanwenden van de bevoegdheid van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet niet is vereist dat de betrokkene een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Voor het oordeel dat de gehele plant inclusief de bladeren en takken is gewogen bestaat geen aanleiding, nu in de processen-verbaal is vermeld dat alleen de henneptoppen zijn gewogen. Weliswaar zijn natte henneptoppen zwaarder dan gedroogde hennep, maar de aangetroffen hoeveelheid overschrijdt ook in gedroogde vorm ruimschoots de maximale hoeveelheid voor eigen gebruik, ervan uitgaande dat natte hennep tijdens het drogen slechts 20 tot 25 procent van zijn gewicht verliest. De rechtbank is de burgemeester terecht gevolgd in zijn standpunt dat niet aannemelijk is dat de aangetroffen hoeveelheid bestemd was voor eigen gebruik. Daar komt bij dat naast de aangetroffen hennep ook een hennepkwekerij is aangetroffen in de woning van [appellant], hoewel deze op dat moment niet in werking was.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de burgemeester in dit geval bevoegd was om onder aanzegging van bestuursdwang de woning van [appellant] te sluiten voor de duur van drie maanden krachtens artikel 13b van de Opiumwet. Bijzondere omstandigheden om van de vaste gedragslijn af te wijken zijn niet gebleken.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Niane-van de Put, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Niane-van de Put

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2017

805.