Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:888

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-03-2017
Datum publicatie
05-04-2017
Zaaknummer
201606394/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juli 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2017/130
AB 2017/191 met annotatie van M.J. Jacobs
JB 2017/101
JG 2017/27 met annotatie van mr. I.M. van der Heijden
JOM 2017/348
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201606394/1/V2.

Datum uitspraak: 31 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 15 augustus 2016 in zaak nr. NL16.1723 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 15 augustus 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.F. Roza, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

    Overwegingen

1.    De vreemdeling, die gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om op vrijwillige basis bij de rechtbank langs elektronische weg te procederen, betoogt in zijn grief, voor zover thans van belang, dat de rechtbank ten onrechte voor de niet-ontvankelijkverklaring van zijn beroep van belang heeft geacht dat hij zijn stelling dat hij de gronden van het beroep tijdig digitaal heeft ingediend niet met stukken heeft onderbouwd. Daartoe voert de vreemdeling aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat haar digitale systeem tekortschiet, omdat hij geen ontvangstbevestiging heeft ontvangen nadat hij de gronden van het beroep had ingediend. Onder deze omstandigheden is het voor hem onmogelijk te bewijzen dat hij die gronden tijdig heeft ingediend, aldus de vreemdeling.

1.1.    De vreemdeling heeft op 18 juli 2016 via het digitale systeem van de rechtbank beroep ingesteld. De rechtbank heeft hem van de ontvangst van het beroepschrift een bevestiging gestuurd. Vervolgens heeft de rechtbank op 19 juli 2016 de vreemdeling bericht dat het beroepschrift niet aan de daaraan gestelde vereisten voldoet omdat de gronden van het beroep ontbreken, en dat hij, gelet op artikel 6:6 van de Awb, in de gelegenheid wordt gesteld deze uiterlijk op 26 juli 2016 in te dienen.

1.2.    De vreemdeling heeft gesteld dat hij op 24 juli 2016 de gronden van het beroep via het digitale systeem van de rechtbank heeft ingediend en dat hij deze op 26 juli 2016, ook via dat systeem, heeft aangevuld. De vreemdeling heeft desgevraagd aan de rechtbank bericht dat hij na het indienen van de gronden van het beroep - anders dan na het instellen van het beroep - geen ontvangstbevestiging heeft ontvangen. Wel verscheen na de indiening van de gronden een melding, die luidde 'uw document(en) is/zijn toegevoegd aan het dossier'. Deze melding, zo heeft de vreemdeling aan de rechtbank bericht, vermeldde geen datum of tijdstip van de indiening van de gronden, verdween na het afsluiten van het digitale systeem en keerde niet meer terug. De gronden waren voor hem ook niet direct zichtbaar in het digitale systeem nadat hij de melding kreeg dat deze aan het dossier waren toegevoegd.

1.3.    Deze door de vreemdeling beschreven werking van het digitale systeem van de rechtbank is door de staatssecretaris ter zitting van de rechtbank niet bestreden. Uit de aangevallen uitspraak, noch anderszins is gebleken dat het digitale systeem van de rechtbank op het moment dat de vreemdeling stelt zijn gronden van het beroep te hebben ingediend voorzag in een deugdelijke en betrouwbare wijze van ontvangstregistratie en bevestiging van ontvangst van een via dat systeem verzonden bericht. De melding dat het document is toegevoegd aan het dossier kan niet als zodanig worden aangemerkt, omdat deze volgens de vreemdeling geen datum of tijdstip vermeldde, na het afsluiten van het systeem verdween en daarna niet meer terugkeerde. Van de vreemdeling kon ook niet worden verlangd dat hij een schermafdruk van die melding maakte om te kunnen bewijzen dat hij de gronden tijdig heeft ingediend.

1.4.    Gelet op de door de vreemdeling beschreven, en door de staatssecretaris niet bestreden, werking van het digitale systeem was het voor de vreemdeling op het moment dat hij zijn gronden van het beroep stelt te hebben ingediend derhalve niet mogelijk om met stukken te onderbouwen dat hij dat tijdig heeft gedaan. Door bij haar oordeel te betrekken dat blijkens de informatie van het Rechtspraak Servicecentrum geen aanleiding bestaat aan te nemen dat er op dat moment sprake was van een storing, de vreemdeling naar eigen zeggen geen foutmelding heeft ontvangen en hij ook anderszins niet heeft aangetoond dat hij de gronden op de genoemde data op de juiste wijze heeft ingediend, is de rechtbank eraan voorbijgegaan dat hieraan onder de gegeven omstandigheden geen betekenis toekomt. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte het beroep van de vreemdeling wegens strijd met artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb niet-ontvankelijk verklaard.

1.5.    De grief slaagt. Hetgeen de vreemdeling overigens in zijn grief aanvoert, behoeft geen bespreking.

2.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak krachtens artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

3.    De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank moet over de vergoeding van deze kosten beslissen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 15 augustus 2016 in zaak nr. NL16.1723;

III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV.    stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 495,00 (zegge: vierhonderdvijfennegentig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist over de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Klinkers, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Klinkers

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2017

549.