Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:877

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
05-04-2017
Zaaknummer
201701617/1/A1 en 201701617/2/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 januari 2017 heeft het college onder meer de locatie nabij het appartementsgebouw Acropolis aan de Burgemeester Marijnenlaan te Den Haag (locatie 46-46) aangewezen voor het plaatsen van twee ondergrondse restafvalcontainers (hierna: orac’s).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/1401
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701617/1/A1 en 201701617/2/A1.

Datum uitspraak: 29 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [appellant], wonend te Den Haag, om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant], wonend te Den Haag,

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2017 heeft het college onder meer de locatie nabij het appartementsgebouw Acropolis aan de Burgemeester Marijnenlaan te Den Haag (locatie 46-46) aangewezen voor het plaatsen van twee ondergrondse restafvalcontainers (hierna: orac’s).

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

[appellant] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 maart 2017, waar [appellant], in persoon, is verschenen. Namens het college zijn verschenen mr. R.W. Schrijver en R. Coevorden.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Buiten bezwaren van partijen zijn nadere stukken in het geding gebracht.

    Overwegingen

Uitspraak in hoofdzaak

1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Inleiding

2.    Het college heeft bij het bestreden besluit, door vaststelling van het plaatsingsplan, in de wijk Archipelbuurt de concrete locaties aangewezen waar orac’s worden geplaatst. Eén van deze locaties, aangeduid als de locatie 46-46, is gesitueerd in de directe omgeving van het appartementengebouw Acropolis, waar [appellant] een appartement op de vijfde verdieping bewoont.

Zienswijze

3.    Ter zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat, gelet op artikel 6:13 van de Awb, [appellant] geen beroep bij de Afdeling kan instellen, omdat hij geen zienswijze heeft ingebracht over het ontwerpbesluit. [appellant] heeft bij zijn verzoekschrift een zienswijzegeschrift, dat niet is voorzien van datum en ondertekening, overgelegd en heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij via de elektronische weg een zienswijze over het ontwerpbesluit heeft ingebracht. [appellant] heeft op 16 maart 2017 alsnog een kopie van een ontvangstbevestiging van het college overgelegd. Uit de ontvangstbevestiging volgt dat [appellant] op 27 september 2016 via de elektronische weg een zienswijze betreffende de locatie 46-46 heeft ingediend bij het college. Gelet hierop moet worden vastgesteld dat hij tijdig een zienswijze heeft ingebracht. Derhalve bestaat geen aanleiding het beroep vanwege het niet indienen van een zienswijze niet-ontvankelijk te verklaren.

4.    [appellant] betoogt dat het college bij het bestreden besluit niet op al zijn gronden is ingegaan. Daarbij gaat hij ervan uit dat de in het besluit onder nummer 54 weergegeven zienswijze de zijne is.

    De voorzieningenrechter stelt vast dat het college bij het bestreden besluit niet uitdrukkelijk is ingegaan op de gronden van [appellant]. De in het besluit onder nummer 54 weergegeven zienswijze is door een andere omwonende ingediend, zo is ter zitting gebleken. Door het besluit te nemen zonder de zienswijze van [appellant] daarbij uitdrukkelijk te betrekken, heeft het college het besluit, voor zover het locatie 46-46 betreft, in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet met de nodige zorgvuldigheid voorbereid. Het beroep slaagt reeds hierom.

5.    De voorzieningenrechter stelt vast dat het college bij het besluit van 10 januari 2017 naar aanleiding van zienswijzen van anderen wel op alle onderwerpen is ingegaan, waarop de beroepsgronden van [appellant] betrekking hebben. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding om te beoordelen of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit in stand te laten.

Wijze van toetsing

6.    Bij de keuze van een locatie voor orac’s dient het college een afweging te maken van alle betrokken belangen. Daarbij heeft het beleidsruimte. De voorzieningenrechter toetst de keuze van het college terughoudend. Dit betekent dat de voorzieningenrechter aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of het college in redelijkheid tot zijn keuze heeft kunnen komen.

Straatbeeld

7.    [appellant] heeft betoogd dat de orac’s het straatbeeld ontsieren, waarbij hij erop heeft gewezen dat de locatie zich bevindt binnen een beschermd stadsgezicht. [appellant] vraagt zich af of het college adviezen heeft ingewonnen van de afdeling Monumentenzorg van de gemeente en de architect van onder meer zijn appartementengebouw Acropolis.

7.1.    Ter motivering van het besluit heeft het college verwezen naar de Nota van Antwoord. Daarin staat dat de orac's grotendeels ondergronds worden geplaatst, waarbij de hoogte van het bovengrondse gedeelte ongeveer 1 m bedraagt. Volgens de nota leidt plaatsing van orac’s dan ook niet tot ontsiering van het straatbeeld. Ter zitting heeft het college er nog op gewezen dat de orac’s in lijn met andere ruimtelijke voorwerpen worden geplaatst. Voorts heeft het college betoogd dat het voorafgaand aan de keuze voor een locatie de afdeling Monumentenzorg noch de architect van nabij een mogelijke locatie gelegen gebouwen raadpleegt.

    Gelet op de omvang van het bovengrondse gedeelte van de orac’s bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plaatsing van orac’s beperkte gevolgen voor het straatbeeld heeft. Evenmin bestaat aanleiding voor het oordeel dat het college voorafgaand aan het besluit had dienen te informeren naar de opvatting van de afdeling Monumentenzorg dan wel de architect van onder meer het appartementengebouw Acropolis naar hun opvattingen ter zake van een locatie voor orac’s. Aan de eventuele aantasting van het beschermd stadsgezicht Archipelbuurt heeft het college verder in redelijkheid geen doorslaggevend gewicht hoeven toekennen.    

Geluidhinder

8.    [appellant] stelt voor geluidhinder te vrezen indien afval in de orac’s wordt gedeponeerd en deze worden geleegd.

8.1.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat geluidhinder zich nauwelijks zal voordoen. De orac’s zijn voorzien van een dubbelschalige trommel met rubberen dempers. Het plaatsen van een huisvuilzak in de orac veroorzaakt dan ook niet of nauwelijks geluidhinder, aldus het college. Het legen van de orac’s gebeurt volgens het college doorgaans op werkdagen tussen 7:00 en 22:00 uur en duurt niet langer dan 5 tot 10 minuten.

8.2.    [appellant] heeft de juistheid van de stellingen van het college niet betwist. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geluidhinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijft. In hetgeen [appellant] ter zake van geluidhinder voor het overige heeft aangevoerd, behoefde het college, gezien het vorenoverwogene, in redelijkheid geen aanleiding te vinden om af te zien van de aanwijzing van de locatie voor de plaatsing van orac’s.

Waardedaling

9.    [appellant] voert aan dat zijn woning in waarde zal verminderen en betoogt dat het college bij de belangenafweging daaraan te weinig betekenis heeft toegekend.

9.1.    Het college heeft ter zitting toegelicht dat de waardevermindering van een nabij orac’s gelegen woning de belangen van de eigenaar in de regel niet zodanig aantast dat daaraan meer gewicht moet worden toegekend dan aan het belang dat is gediend met de plaatsing van orac’s. Het stelt zich op het standpunt dat dit in de situatie van [appellant] niet anders is.  

9.2.    Het college heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen en geen aanleiding hoeven vinden om daarom af te zien van de aanwijzing van locatie 46-46. [appellant] kan, indien hij meent dat hij schade leidt die niet voor zijn rekening dient te komen, een verzoek tot schadevergoeding tot het college richten.

Kabels en leidingen

10.    [appellant] vraagt zich af of de orac’s wel op de locatie 46-46 kunnen worden geplaatst. Hij betoogt dat buren bij een destijds gedane aanvraag voor boombeplanting op of nabij de locatie door het college zijn geïnformeerd dat dit niet mogelijk was vanwege in de bodem aanwezige kabels en leidingen.

10.1.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat nabij locatie 46-46 verschillende kabels liggen, maar dat voldoende ruimte aanwezig is voor het plaatsen van orac’s. Geen aanleiding bestaat aan de juistheid van dit standpunt te twijfelen.

Alternatief

11.    Volgens [appellant] zijn de orac’s op de locaties 46-45 en 46-48 uit een oogpunt van afvalinzameling toereikend en kan locatie 46-46 komen te vervallen. Daarbij wijst hij erop dat de appartementengebouwen Acropolis en Cresent en andere panden beschikken over eigen containers en de bewoners derhalve geen gebruik zullen maken van de orac’s.

11.1.    Het college heeft zich bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat per locatie een capaciteitsberekening is gemaakt van het aantal huishoudens dat gebruik kan maken van een orac. Bij het laten vervallen van locatie 46-46 zou de capaciteitsverdeling uit balans raken. Voorts worden volgens het college de loopafstanden voor bewoners van de Burgemeester Marijnenlijn (oneven nummers) en de Javastraat te groot, indien deze bewoners gebruik zouden moeten gaan maken van de locatie 46-45 (Alexanderplein-‘kop’ Burgemeester Marijnenlaan) en de locatie 46-48 (Nassauplein-‘staart’ Burgemeester Marijnenlaan). Volgens de door het college tot uitgangspunt genomen randvoorwaarden is slechts onder bijzondere omstandigheden een loopafstand tussen de 75 en 125 m toegestaan. Een loopafstand van meer dan 75 m is slechts toegestaan indien dichterbij geen geschikte locatie voorhanden is. Die situatie doet zich niet voor aangezien locatie 46-46 aan de randvoorwaarden voldoet, aldus het college.

11.2.    De voorzieningenrechter stelt op grond van het verhandelde ter zitting vast dat de orac’s op locatie 46-46 zijn bedoeld voor onder meer de bewoners van de woningen aan Burgemeester Marijnenlaan (oneven). Onweersproken is dat de locatie 46-46 nodig is uit een oogpunt van capaciteitsverdeling. Ter zitting is verder vast komen te staan dat bij het vervallen van locatie 46-46 de loopafstand voor bewoners van een aantal woningen te groot wordt. Het college heeft zich reeds daarom terecht op het standpunt gesteld dat locatie 46-46 niet kan vervallen.

Conclusie

12.    Het beroep is, gelet op hetgeen onder 4 is overwogen, gegrond. Het besluit van 10 januari 2017 dient in zoverre te worden vernietigd. De voorzieningenrechter ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

13.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

Proceskosten

14.     Niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 10 januari 2017, kenmerk DSB/2016.565 RIS296072, voor zover het locatie 46-46 betreft;

III.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dat besluit in zoverre geheel in stand blijven;

IV.    wijst het verzoek af;

V.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan W.H. van Morel het door hem voor de behandeling van het beroep en verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 336,00 (zegge: driehonderdzesendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Van Heusden

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2017

163.