Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:870

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
201605956/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 mei 2015 heeft de minister aan [appellante] een bestuurlijke boete opgelegd van € 500,00, omdat zij als werkgever heeft nagelaten om tijdens de vaart voortdurend de minimum bemanning aan boord van een vaartuig te hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2017/138
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605956/1/A3.

Datum uitspraak: 29 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 juni 2016 in zaak nr. 15/7129 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Infrastructuur en Milieu.

Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2015 heeft de minister aan [appellante] een bestuurlijke boete opgelegd van € 500,00, omdat zij als werkgever heeft nagelaten om tijdens de vaart voortdurend de minimum bemanning aan boord van een vaartuig te hebben.

Bij besluit van 5 oktober 2015 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 juni 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 februari 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. M.J. van Dam, advocaat te Capelle aan den IJssel, en de minister, vertegenwoordigd door mr. K. Ulmer, M.J. Meijer en Th.A.A. Bijkersma, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De relevante bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), het Wetboek van Strafrecht, de Binnenvaartwet, de Binnenvaartregeling, het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn (hierna: Rsp) en het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995 (hierna: RosR 1995) zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Inleiding

2. Op 21 maart 2015 hebben toezichthouders van Rijkswaterstaat aan boord van een hecht samenstel, bestaande uit [duwboot] en duwbakken [duwbak A] en [duwbak B] (hierna samen: het vaartuig), onderzoek verricht naar naleving van bepalingen, gesteld bij en krachtens de Binnenvaartwet. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden op het Julianakanaal ter hoogte van Maasbracht, gemeente Maasgouw. Naar aanleiding daarvan hebben de toezichthouders op 16 april 2015 op ambtseed en ambtsbelofte een boeterapport opgemaakt. Het boeterapport vermeldt dat de duwboot aan standaarduitrusting S2 voldoet, dat het vaartuig ongeveer 179 m lang is en dat daarmee ten tijde van belang in exploitatiewijze A1 werd gevaren. Ingevolge artikel 5.6, vierde lid, van de Binnenvaartregeling, gelezen in samenhang met bijlage 5.1, moet de bemanning aan boord van het vaartuig bij exploitatiewijze A1 minimaal bestaan uit één schipper, één stuurman en twee lichtmatrozen, waarbij één lichtmatroos door een deksman mag worden vervangen. Gezien de overgelegde bewijzen van bekwaamheid bestond de bemanning aan boord van het vaartuig uit schipper, tevens [gezagvoerder], [stuurman] en [deksman]. Uit de Rijnvaartverklaring blijkt dat [appellante] de exploitant is, hetgeen wordt bevestigd door een uittreksel over de duwboot uit het Kadaster en een uittreksel over [appellante] uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Gezien de bevindingen heeft de werkgever nagelaten om tijdens de vaart voortdurend de minimumbemanning aan boord van het vaartuig te hebben, aldus het boeterapport. Blijkens een op 19 augustus 2015 op ambtseed opgemaakt aanvullend boeterapport heeft een van beide toezichthouders op 21 maart 2015 aan [gezagvoerder] gevraagd wie diens werkgever is en heeft [gezagvoerder] toen verklaard dat hij in opdracht van [appellante] werkt en dat dit conform het vermelde in het voorlopig certificaat van onderzoek en de Rijnvaartverklaring is.

3. De minister heeft aan [appellante] een boete opgelegd, omdat [appellante] als werkgever in strijd met artikel 22, zevende en negende lid, van de Binnenvaartwet, gelezen in samenhang met de artikelen 5.6, vierde lid, en 5.8 van de Binnenvaartregeling en bijlage 5.1 bij de Binnenvaartregeling, heeft nagelaten om tijdens de vaart voortdurend de minimumbemanning aan boord te hebben op hechte samenstellen bij een tekort van één lichtmatroos. Het betreft hier feitcode BVW 3.3.133 O in bijlage 11.1 bij de Binnenvaartregeling. Boetebedrag € 500,00.

Hoger beroep

4. [ appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister haar terecht als werkgever in de zin van artikel 1 van de Binnenvaartwet en daarmee als overtreder heeft aangemerkt. [appellante] voert daartoe aan dat het aanvullend boeterapport eerst is opgesteld nadat zij te kennen heeft gegeven niet de werkgever van [gezagvoerder] te zijn. Nu een boete alleen aan een overtreder kan worden opgelegd, is het onverklaarbaar waarom de in het aanvullend boeterapport vermelde verklaring van [gezagvoerder] niet in het boeterapport is opgenomen. Verder voert [appellante] aan dat de uittreksels van het Kadaster en de Kamer van Koophandel geen informatie bevatten over de exploitatie van de duwboot en dat uit de Rijnvaartverklaring noch uit het ten behoeve van de duwboot afgegeven voorlopig certificaat van onderzoek blijkt dat [appellante] als werkgever kan worden aangemerkt. De eigendom noch de exploitatie van de duwboot is bepalend voor de vraag wie ten tijde van belang de werkgever van [gezagvoerder] was. [appellante] wijst voorts op een door hem in bezwaar overgelegde schriftelijke verklaring van [gezagvoerder] van 11 september 2015 waarin staat dat [gezagvoerder] ten zeerste betwijfelt dat hij heeft verklaard als in het aanvullend boeterapport is vermeld en voorts dat hij zijn opdrachten niet krijgt van [appellante], maar van [bedrijf]. Tevens wijst [appellante] op een brief van 27 januari 2017 waarin staat dat zij en [bedrijf] verklaren dat [gezagvoerder] niet in dienst van [appellante] is. [appellante] stelt dat [bedrijf] haar enige werknemer is.

4.1.

In beginsel moet van de juistheid en volledigheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend boeterapport worden uitgegaan. Dit is slechts anders indien zich bijzondere omstandigheden voordoen die nopen tot afwijking van dit uitgangspunt. Hoewel uit het aanvullend boeterapport blijkt dat het boeterapport niet volledig is geweest, is in de niet nader onderbouwde verklaring van [gezagvoerder] van 11 september 2015 geen bijzondere omstandigheid gelegen om uit te gaan van een onjuiste weergave in het aanvullend boeterapport van hetgeen [gezagvoerder] tijdens het onderzoek heeft verklaard. Gelet hierop, alsmede gelet op de omstandigheid dat de rechtbank onbestreden heeft geoordeeld dat [appellante] eigenaar en exploitant van de duwboot is, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [gezagvoerder] ten tijde van belang onder het gezag van [appellante] arbeid op de duwboot van [appellante] heeft verricht. Met de enkele ontkenning van het bestaan van deze gezagsverhouding tussen haar en [gezagvoerder] heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval niet zij, maar een ander als werkgever in de zin van artikel 1 van de Binnenvaartwet moet worden aangemerkt.

Het betoog faalt.

5. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister ten aanzien van het vaartuig terecht geen vrijstelling van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, van de Binnenvaartregeling voorgeschreven minimumbemanning heeft verleend. [appellante] voert daartoe aan dat [deksman] ten tijde van belang, gezien zijn leeftijd en zijn beroepservaring van meer dan drie jaar vaartijd, aan de ingevolge artikel 2.9, zevende lid, aanhef en onder b, sub 1, geldende bekwaamheidseisen voor een matroos voldeed. Voorts voert [appellante] aan dat de duwboot ten tijde van belang aan de inrichtingseisen voor een eenmansstuurstelling voldeed en dat het voorlopig certificaat van onderzoek hiervan ten onrechte geen melding maakt. [appellante] verwijst daarbij naar een e-mail van expertisebureau Doorn B.V. van 13 december 2015 waarin staat dat in het begin van 2015 werkzaamheden zijn uitgevoerd waardoor de duwboot aan de in het RosR 1995 geldende voorschriften voor een eenmansstuurstelling voldoet, dat dit niet in het oude certificaat van onderzoek is vermeld, maar dat de eenmansstuurstelling, nadat de duwboot opnieuw bedrijfsklaar is gemaakt en is afgenomen, in het certificaat van onderzoek zal worden aangetekend.

5.1.

Ingevolge artikel 5.21, elfde lid, van de Binnenvaartregeling wordt ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A1 varen uitsluitend vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voor groep 4 voorgeschreven minimumbemanning, indien aan de volgende drie voorschriften is voldaan. In de eerste plaats moet de minimumbemanning bestaan uit een schipper, een stuurman en een matroos. In de tweede plaats moet het schip zijn uitgerust met een eenmansstuurstelling en moet het voldoen aan de daarop betrekking hebbende bepalingen in hoofdstuk 7 van het RosR 1995 dan wel artikel 7.13 in bijlage II van Richtlijn 2006/87/EG. Laatstgenoemde bepaling komt overeen met artikel 7.13 van het RosR 1995 dat bepaalt dat in het certificaat van onderzoek moet worden aangetekend dat het schip is goedgekeurd voor het voeren met behulp van radar door één persoon, indien het desbetreffende schip aan de voorschriften voor een eenmansstuurstelling voldoet. In de derde plaats moet het schip aan standaard S2 voldoen.

5.2.

Blijkens zijn dienstboekje heeft [deksman] tot en met 21 maart 2015 in totaal 193 dagen gevaren, verdeeld over de jaren 1995, 1996, 2013, 2014 en 2015. Ingevolge artikel 1.1, tweede lid, van de Binnenvaartregeling wordt onder één jaar vaartijd in de binnenvaart verstaan: 180 effectieve vaardagen in de binnenvaart in een periode van 365 opeenvolgende dagen. Gelet hierop beschikte [deksman] ten tijde van belang niet over een beroepservaring van ten minste drie jaar vaartijd. Bijgevolg voldeed [deksman] ten tijde van belang niet aan de ingevolge artikel 2.9, zevende lid, aanhef en onder b, sub 1, geldende bekwaamheidseisen voor een matroos. [appellante] heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat de bemanning ten tijde van belang ten minste uit een schipper, een stuurman en een matroos bestond. [appellante] heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de duwboot ten tijde van belang was goedgekeurd voor het voeren met behulp van radar door één persoon. Nog daargelaten dat deze goedkeuring niet uit een ten tijde van belang afgegeven certificaat van onderzoek blijkt, heeft de minister ter zitting, na digitale raadpleging van het ten behoeve van de duwboot afgegeven nieuwe certificaat van onderzoek, onweersproken vastgesteld dat deze goedkeuring evenmin in het nieuwe certificaat is aangetekend. Het hiervoor onder 5 vermelde mailbericht heeft derhalve niet geresulteerd in een aantekening in het certificaat. De minister heeft ten aanzien van het vaartuig derhalve terecht geen vrijstelling verleend als hier aan de orde.

Het betoog faalt.

6. Voor zover de bemanning niet aan artikel 5.21, elfde lid, aanhef en onder a, van de Binnenvaartregeling voldoet, betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte onder verwijzing naar bijlage 11.1 bij de Binnenvaartregeling, zoals deze luidde na de wijziging daarvan op 1 juli 2015, heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen sprake is van onderkwalificatie, maar van onderbemanning. [appellante] voert daartoe aan dat de gestelde overtreding vóór 1 juli 2015 heeft plaatsgevonden, zodat de rechtbank ten onrechte naar de per 1 juli 2015 gewijzigde bijlage heeft verwezen. [appellante] voert voorts aan dat ten tijde van belang met een bemanning van drie personen aan boord van het vaartuig kon worden volstaan. Zij verwijst daartoe naar artikel 5.21, elfde lid, en stelt dat het in strijd is met het legaliteitsbeginsel, indien van een ander minimum aantal bemanningsleden wordt uitgegaan. Nu de bemanning ten tijde van belang uit drie personen bestond, is geen sprake van onderbemanning, maar van onderkwalificatie, aldus [appellante].

6.1.

Ingevolge artikel 5.6 van de Binnenvaartregeling, gelezen in samenhang met bijlage 5.1, moet de bemanning aan boord van een groep 4 vaartuig, dat met een uitrustingstandaard S2 in exploitatiewijze A1 vaart minimaal bestaan uit één schipper, één stuurman en twee lichtmatrozen, waarbij één lichtmatroos door een deksman mag worden vervangen. Nu de minister, gezien hetgeen hiervoor onder 5.2 is overwogen, ten aanzien van het vaartuig terecht geen vrijstelling van dit vereiste heeft verleend, kan [appellante] niet worden gevolgd in haar standpunt dat met een bemanning van drie personen kon worden volstaan. Ten tijde van belang ontbrak één lichtmatroos aan boord van het vaartuig om aan de vereiste minimumbemanning te kunnen voldoen. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat sprake was van onderbemanning. Dat de rechtbank daarbij heeft verwezen naar bijlage 11.1, zoals deze luidde na de wijziging daarvan op 1 juli 2015, doet daaraan niet af, omdat de rechtbank alleen naar deze bijlage heeft verwezen voor de daarin vervatte uitleg van het begrip onderkwalificatie. Nu bovendien de vereiste minimumbemanning in artikel 5.6, gelezen in samenhang met bijlage 5.1, is geregeld, doet de door [appellante] gestelde strijdigheid met het legaliteitsbeginsel zich niet voor.

Het betoog faalt.

7. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat ten tijde van het besluit van 5 oktober 2015 nog steeds een grondslag voor de opgelegde boete bestond. Aan deze aangevallen overweging heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat feitcode BVW 3.3.133 O in bijlage 11.1 bij de Binnenvaartregeling, zoals deze luidde van 1 december 2014 tot 1 juli 2015, ten tijde van het besluit van 5 oktober 2015 onder feitcode BVW 3.3.118 viel. [appellante] voert aan dat deze feitcodes niet hetzelfde luiden, omdat in de laatstvermelde feitcode de gelijkstelling van lichtmatroos en deksman is komen te vervallen.

7.1.

Voor de vraag of ten tijde van het besluit van 5 oktober 2015 nog een grondslag voor de boete bestond, is niet bepalend of beide feitcodes hetzelfde luiden, maar of de aan [appellante] verweten gedraging ten tijde van het besluit van 5 oktober 2015 nog beboetbaar was. De rechtbank heeft terecht overwogen dat dit het geval is. Nu het boetebedrag bij feitcode BVW 3.3.118 aanzienlijk hoger is dan bij feitcode BVW 3.3.133 O, heeft de rechtbank, gezien artikel 5:46, vierde lid, van de Awb, eveneens terecht overwogen dat de minister bij besluit van 5 oktober 2015 terecht het lagere boetebedrag van toepassing heeft geacht.

Het betoog faalt.

8. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat door hem aangevoerde omstandigheden niet bijzonder zijn in de zin van artikel 5:46, derde lid, van de Awb. [appellante] wijst op de uit het dienstboekje van [deksman] blijkende vakbekwaamheid die, naar gesteld, uitstijgt boven de bekwaamheidseisen waaraan een deksman en een lichtmatroos moeten voldoen. Voorts wijst hij naar de op de website www.rijksoverheid.nl gepubliceerde inhoud van een door de minister op 5 februari 2014 bij de start van Binnenvaart Logistiek Nederland gehouden toespraak. Ten slotte wijst hij op een op 7 juni 2016 door de Tweede Kamer der Staten-Generaal aangenomen motie van haar leden Van Helvert en Jacobi van 31 mei 2016 (Handelingen II 2015/16, nr. 92, item 11 en Kamerstukken II 2015/16, 31 409, nr. 119). [appellante] stelt dat de aan haar opgelegde boete, gezien deze omstandigheden, te hoog is.

8.1.

De minister heeft in haar toespraak te kennen gegeven zich in te zetten voor de modernisering van wet- en regelgeving. De minister heeft de bemanningsregels daarbij als voorbeeld genoemd, omdat bepaalde functies aan boord, zoals de functies van machinist/motordrijver en volmatroos, technisch niet meer nodig zijn en voor sommige voorgeschreven functies geen opleidingen meer bestaan. De op 7 juni 2016 aangenomen motie behelst een verzoek aan de regering om rondom de voor de zee- en binnenvaart geldende bemannings- en arbeidstijdenregels een instructie aan de Inspectie Leefomgeving en Transport van het ministerie te geven om anticiperend te gaan handhaven en in overleg met de branche de regels te gaan evalueren. De toespraak van de minister noch de motie hebben geleid tot aanpassing van de regelgeving in de zin dat de boetebedragen wegens het nalaten om tijdens de vaart voortdurend de minimumbemanning aan boord te hebben, zijn verlaagd. Met ingang van 1 juli 2015 heeft de minister deze boetebedragen zelfs aanzienlijk verhoogd. Nu de minister voorts ter zitting te kennen heeft gegeven dat geen regelgeving in voorbereiding is die, zou die ten tijde van belang hebben gegolden, tot een lagere boete zou hebben geleid, is in de toespraak van de minister noch in de motie grond gelegen voor het oordeel dat de aan [appellante] opgelegde boete te hoog is. Gezien hetgeen hiervoor onder 5.2 is overwogen, geldt hetzelfde voor het beroep van [appellante] op het dienstboekje van [deksman].

Het betoog faalt.

9. [appellante] betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte geen proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de aangevallen uitspraak heeft gevoegd. [appellante] voert daartoe aan dat zij de rechtbank ter zitting heeft verzocht een proces-verbaal op te stellen.

9.1.

Het betoog faalt, reeds omdat [appellante] inmiddels in bezit is van dat proces-verbaal en uit de wet niet de verplichting voortvloeit dat de rechtbank dat proces-verbaal tegelijk met de uitspraak naar partijen moet versturen.

10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.

w.g. Slump w.g. Robben

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2017

610.

BIJLAGE

Awb

Artikel 5:46

3. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.

4. Artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8:61

3. De griffier maakt van de zitting een proces-verbaal op:

a. indien de bestuursrechter dit ambtshalve of op verzoek van een partij die daarbij belang heeft, bepaalt, of

b. op verzoek van de hogerberoepsrechter of de Hoge Raad.

9. De griffier die een proces-verbaal opmaakt, zendt dit aan partijen.

Wetboek van Strafrecht

Artikel 1

2. Bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, worden de voor de verdachte gunstigste bepalingen toegepast.

Binnenvaartwet

Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder:

[…]

gezagvoerder: degene die het gezag voert over een schip;

[…]

Onze Minister: Onze Minister van […] [Infrastructuur en Milieu];

[…]

werkgever:

1°. degene jegens wie de gezagvoerder krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die gezagvoerder aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid welke die derde gewoonlijk doet verrichten;

2°. degene aan wie de gezagvoerder ter beschikking is gesteld voor het verrichten van arbeid als bedoeld onder 1°; of

3°. degene die zonder werkgever als bedoeld onder 1° of 2° te zijn, de gezagvoerder onder zijn gezag arbeid doet verrichten;

[…].

Artikel 22

1. Overeenkomstig bindende besluiten van instellingen van de Europese Gemeenschappen dan wel anderszins ter uitvoering van verdragen of bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties worden bij ministeriële regeling regels gesteld voor bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën van schepen met betrekking tot de vaartijden en bemanningssterkte, de uitrustingsstukken van binnenschepen en de hiermee verband houdende eisen.

2. In het belang van de veiligheid van de vaart kan de regeling, bedoeld in het eerste lid, aanvullende regels bevatten inzake:

a. de vaartijden van schepen;

b. de samenstelling van de minimumbemanning van in die regeling aan te wijzen soorten schepen en categorieën daarvan en bij te onderscheiden exploitatiewijzen, alsmede de aan bemanningsleden te stellen eisen;

c. eisen aan de deskundigheid van bemanningsleden, waaronder begrepen opleiding en ervaring;

d. de rusttijden van de bemanningsleden.

7. De gezagvoerder of de werkgever zijn verplicht tot naleving van:

a. het bepaalde krachtens het eerste en tweede lid, onderdelen a tot en met c;

b. het tot hen gerichte krachtens het tweede lid, onderdeel d, bepaalde; en

c. […].

9. Het is verboden te handelen in strijd met dit artikel.

Artikel 48

1. Onze Minister kan aan degene die handelt in strijd met de artikelen […] 22, negende lid, […] een bestuurlijke boete opleggen.

2. De bestuurlijke boete die ten hoogste kan worden opgelegd komt overeen met de boete van de vierde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

4. Bij ministeriële regeling worden de boetebedragen voor de beboetbare feiten vastgesteld.

Binnenvaartregeling

Artikel 1.1

1. In deze regeling wordt verstaan onder:

[…]

duwbak: schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen, geschikt om te worden geduwd en dat:

1°. niet is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen; onderscheidenlijk

2°. is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen die slechts voor verplaatsing over kleine afstanden geschikt zijn;

duwstel: hecht samenstel van schepen, waarvan ten minste één is geplaatst voor het schip met motoraandrijving dat dient voor het voortbewegen van het samenstel, dan wel voor de beide schepen met motoraandrijving die dienen voor het voortbewegen van het samenstel. Hieronder wordt ook verstaan een duwstel dat is samengesteld uit een duwend en een geduwd schip waarvan de koppelingen een beheerst knikken mogelijk maken;

[…]

hecht samenstel: een duwstel of een gekoppeld samenstel;

[…].

2. Waar in deze regeling de aanduiding ‘jaar’ wordt gebruikt in relatie tot vaartijd, wordt hieronder verstaan 180 effectieve vaardagen in de binnenvaart. Binnen een periode 365 opeenvolgende dagen worden maximaal 180 dagen als vaartijd worden meegerekend. 250 Vaardagen in de zee- of kustvaart dan wel de visserij gelden als één jaar vaartijd.

Artikel 2.9

7. Een matroos is:

a. […] of

b. ten minste 19 jaar en:

1°. heeft een beroepservaring van ten minste drie jaar vaartijd als lid van een dekbemanning, waarvan ten minste één jaar in de binnenvaart en twee jaar in hetzij de binnenvaart, de zeevaart, de kustvaart of de visserij;

2°. […] of

3°. […].

Artikel 2.11

De bekwaamheid voor een functie aan boord kan te allen tijde worden aangetoond:

a. door de schipper door middel van het vaarbewijs; of

b. door de overige leden van de bemanning door middel van het dienstboekje bedoeld in artikel 5.11.

Artikel 5.6

4. De minimumbemanning van hechte samenstellen, schepen voor dagtochten, stoomschepen voor dagtochten, hotelschepen, veerboten en sleepschepen wordt onderscheidenlijk vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlagen 5.1 tot en met 5.6.

Artikel 5.8

Voor de toepassing van deze paragraaf is artikel 2.02, eerste en tweede lid, met uitzondering van de derde alinea, van het Rsp van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.21

4. […]

e. het schip is uitgerust met een eenmansstuurstelling voor het varen op radar en voldoet aan de daarop betrekking hebbende artikelen in hoofdstuk 7 van het RosR 1995 dan wel bijlage II, artikel 7.13, van richtlijn 2006/87/EG; en

f. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2.

11. Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A1 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voor groep 4 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften:

a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper, een stuurman en een matroos; en

b. de voorschriften, bedoeld in het vierde lid, onder e en f.

Artikel 11.1

1. De bedragen van de bestuurlijke boete op overtredingen als bedoeld in de artikelen […] 22, negende lid, van de wet zijn opgenomen in tabel 1 in bijlage 11.1 bij deze regeling.

Bijlage 5.1

Minimumbemanning van hechte samenstellen als bedoeld in artikel 5.6, vierde lid.

* De lichtmatroos of een van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman.

[…]

*) In [groep 4] van deze tabel wordt als duwbak aangemerkt al datgene wat tijdens transport geduwd of langszij meegevoerd wordt.

[…]

Bijlage11.1 zoals deze luidde van 1 december 2014 tot 1 juli 2015

Tabel 1B. Overige wateren […]

[…]

2) Het boetebedrag wordt met 50% verminderd indien de boete wordt opgelegd aan een gezagvoerder in loondienst.

3) De hoogte van het boetebedrag is afhankelijk van het aantal niveaus van onderkwalificatie. Om het aantal niveaus te bepalen worden de volgende niveaus onderscheiden:

1. schipper;

2. stuurman/machinist;

3. volmatroos/matroos motordrijver;

4. matroos;

5. lichtmatroos.

Wanneer volgens een tabel minimumbemanning een lichtmatroos niet mag worden vervangen door een deksman is er sprake van onderbemanning indien er een deksman is in plaats van een lichtmatroos. De deksman telt niet mee voor de minimumbemanning.

De boete bedraagt bij onderkwalificatie van:

• 1 niveau € 300,-;

• 2 niveaus € 700,-;

• 3 niveaus € 1.100,-;

• 4 niveaus € 1.400,-.

Indien er bijvoorbeeld een lichtmatroos aanwezig is terwijl er volgens de bemanningsvoorschriften een volmatroos aanwezig moet zijn is er sprake van 2 niveaus tekort.

[…]

Rsp

Artikel 2.02

1. De bemanning en het veiligheidspersoneel die zich overeenkomstig het Rijnvaartpolitiereglement aan boord moeten bevinden van schepen die de Rijn bevaren, dienen in overeenstemming te zijn met de voorschriften van dit reglement. De voor de desbetreffende exploitatiewijze en vaartijd voorgeschreven bemanning en veiligheidspersoneel moeten zich tijdens de vaart voortdurend aan boord bevinden. Het is niet toegestaan zonder de voorgeschreven bemanning of zonder het veiligheidspersoneel te vertrekken. […]

RosR 1995

Artikel 7.13

Wanneer een schip voldoet aan de in de artikelen 7.01, 7.04 tot en met 7.08 en 7.11 bedoelde voorschriften voor schepen met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar, moet in het certificaat van onderzoek worden aangetekend: "Goedgekeurd voor het voeren van het schip met behulp van radar door één persoon.