Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:868

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
201600689/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "1e reparatieherziening bestemmingsplan buitengebied" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3447
Milieurecht Totaal 2017/6601
AR 2017/1904
JOM 2017/355
JM 2017/74 met annotatie van H.S. de Vries en P.B. Bokelaar
P.P.A. Bodden annotatie in TvAR 2017/5883, UDH:TvAR/14344
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600689/1/R1.

Datum uitspraak: 29 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. appellant sub 1A] en [appellante sub 1B], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), beiden wonend te Egchel, gemeente Peel en Maas,

2. [ appellant sub 2], wonend te Beringe, gemeente Peel en Maas,

3. [ appellant sub 3], wonend te Grashoek, gemeente Peel en Maas,

4. [ appellant sub 4], wonend te Panningen, gemeente Peel en Maas,

5. [ appellant sub 5], wonend te Meijel, gemeente Peel en Maas,

6. [ appellant sub 6], wonend te Grashoek, gemeente Peel en Maas,

7. [ appellante sub 7], wonend te Beringe, gemeente Peel en Maas,

8. [ appellant sub 8], wonend te Koningslust, gemeente Peel en Maas,

9. [ appellant sub 9], wonend te Grashoek, gemeente Peel en Maas,

10. [ appellant sub 10A], handelend onder de naam [bedrijf], gevestigd te Grasbroek, gemeente Peel en Maas en [appellant sub 10 B], wonende te Beringe, gemeente Peel en Maas, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 10]),

11. [ appellant sub 11], wonend te Beringe, gemeente Peel en Maas,

12. [ appellant sub 11A] en [appellante sub 11B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 11]), beiden wonend te Beringe, gemeente Peel en Maas,

13. [ appellant sub 13], wonend te Grashoek, gemeente Peel en Maas,

14. [ appellante sub 14A] en [appellant sub 14B], gevestigd onderscheidenlijk wonend te Grashoek, gemeente Peel en Maas,

15. [ appellante sub 15], gevestigd te Grashoek, gemeente Peel en Maas,

16. [ appellant sub 16], wonend te Baarlo, gemeente Peel en Maas,

17. [ appellante sub 17], gevestigd te Kessel, gemeente Peel en Maas,

18. [ appellante sub 18], gevestigd te Beringe, gemeente Peel en Maas,

19. [ appellante sub 19], gevestigd te Beringe, gemeente Peel en Maas,

20. [ appellante sub 20], gevestigd te Kessel, gemeente Peel en Maas, en anderen,

en

de raad van de gemeente Peel en Maas,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "1e reparatieherziening bestemmingsplan buitengebied" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft een aantal appellanten beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

Een aantal appellanten en andere partijen hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

Bij besluit van 18 oktober 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "3e reparatieherziening bestemmingsplan buitengebied Peel en Maas" vastgesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 en 29 november 2016, waar een aantal partijen is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Bestemmingsplan

2. Het bestemmingsplan dat op 15 december 2015 is vastgesteld dient ter reparatie van het bestemmingsplan "Buitengebied Peel en Maas" dat is vastgesteld door de raad van de gemeente Peel en Maas op 5 februari 2013 (hierna: het bestemmingsplan "Buitengebied Peel en Maas"). Van het bestemmingsplan "Buitengebied Peel en Maas" is bij de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4653, een aantal plandelen vernietigd.

Wijzigingsbesluit

3. Op 18 oktober 2016 heeft de raad ten behoeve van de percelen [locatie 1], [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 4] het bestemmingsplan "3e reparatieherziening bestemmingsplan buitengebied Peel en Maas" (hierna: het wijzigingsbesluit) vastgesteld. Daarbij heeft de raad getracht een aantal geconstateerde gebreken in de besluitvorming van 15 december 2015 te herstellen. De Afdeling merkt het wijzigingsbesluit aan als een besluit zoals bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De beroepen van [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellante sub 20] en anderen en de [appellante sub 17] zien ook op deze gronden. Bij de bespreking van de beroepen van deze appellanten zal tevens ingegaan worden op het wijzigingsbesluit.

Voormalige bedrijfswoningen

4. Alvorens in te gaan op de individuele beroepen ziet de Afdeling in verband met de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellante sub 7], [appellant sub 8] en [appellant sub 9] aanleiding om in algemene zin het volgende te overwegen. Aan de percelen van voormelde appellanten heeft de raad de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" toegekend waarbij per bouwvlak in beginsel maximaal één bedrijfswoning is toegestaan. De agrarische landbouwinrichtingen die op deze percelen werden gedreven, zijn echter reeds jaren geleden opgeheven, met dien verstande dat de voormalig agrariër, de zogenoemde "agrariër in ruste", de bedrijfswoning die bij de opgeheven landbouwinrichting behoorde, is blijven bewonen, dan wel deze heeft overgedragen aan een derde die geen voornemen heeft ter plaatse opnieuw een inrichting op te richten waarbij uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten worden verricht, dan wel activiteiten die daarmee verband houden.

4.1. In verband met de vrees van een aantal "agrariërs in ruste" voor handhaving omdat op grond van de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" reguliere bewoning van de bedrijfswoning niet is toegestaan, voert de raad aan dat uit de uitspraak van de Afdeling van 8 november 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ1730, volgt dat het blijven bewonen van een (voormalige) bedrijfswoning door een agrariër in ruste niet in strijd is met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden". De Afdeling plaatst daarbij de kanttekening dat dit, zoals uit de uitspraak van 8 november 2006 ook kan worden afgeleid, alleen geldt indien de oorspronkelijk bij het agrarisch bedrijf behorende gronden niet zijn verkocht en evenmin aan een derde in gebruik zijn gegeven. Indien de bij het bedrijf behorende gronden wel zijn verkocht of aan een derde in gebruik zijn gegeven, kan de (voormalige) bedrijfswoning niet langer de hoedanigheid van een woning behorend bij een agrarisch bedrijf worden toegedicht en kan de bewoning van de (voormalige) bedrijfswoning door de agrariër in ruste niet langer in overeenstemming worden geacht met de agrarische bestemming. De raad heeft dit in zijn algemeenheid miskend.

4.2. Een aantal van voormelde appellanten stelt dat de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" op hun perceel niet uitvoerbaar is, omdat het (her)oprichten van een (zelfstandig) agrarisch bedrijf ter plaatse niet meer rendabel is vanwege de geringe omvang van het desbetreffende perceel en de schaalvergroting die momenteel plaatsvindt in de agrarische sector. Deze stellingname van appellanten wordt in de meeste situaties door het deskundigenbericht onderschreven. De raad betwist deze stellingname van appellanten echter, omdat de betreffende percelen volgens de raad ook kunnen worden aangekocht of verpacht aan omliggende bedrijven. De Afdeling acht dit standpunt van de raad op zichzelf niet onaannemelijk, met dien verstande dat de raad daarbij miskent dat met de verkoop en/of het in gebruik geven van de bij het (voormalige) agrarische bedrijf behorende gronden aan een derde, de bewoning door een agrariër in ruste van de voormalige bedrijfswoning, gelet op hetgeen reeds hiervoor is overwogen, niet langer in overeenstemming kan worden geacht met de agrarische bestemming. Niet inzichtelijk is in hoeverre de raad dit bij zijn afwegingen heeft betrokken.

4.3. Ten aanzien van de figuur van de plattelandswoning, als bedoeld in artikel 1.1a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), overweegt de Afdeling in algemene zin het volgende. Zoals de Afdeling reeds in haar uitspraak van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4653, heeft overwogen is de wettelijke regeling voor plattelandswoningen uit artikel 1.1a van de Wabo niet van toepassing op de situatie dat de landbouwinrichting is opgeheven en vanwege de toegekende planologische bestemming ter plaatse ook niet meer kan worden (her)opgericht.

In aanvulling hierop overweegt de Afdeling dat de wettelijke regeling voor de plattelandswoningen wel toepassing kan vinden in een situatie waarbij de gronden waarop voorheen landbouwinrichting A werd geëxploiteerd en waarop nog steeds de daarbij van oudsher behorende (voormalige) bedrijfswoning A staat, worden betrokken bij een andere nabijgelegen landbouwinrichting B. De (voormalige) bedrijfswoning A wordt daarmee onderdeel van landbouwinrichting B. Uiteraard dient daarbij wel in ieder geval deugdelijk te worden gemotiveerd dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de (voormalige) bedrijfswoning A gewaarborgd blijft. Voorts moet in het bestemmingsplan duidelijk worden aangegeven dat toepassing is gegeven aan artikel 1.1a van de Wabo en dient de relatie van de voormalige bedrijfswoning met het (nieuwe) bijbehorende agrarische bedrijf duidelijk te worden weergegeven in de planregels en/of op de verbeelding. Dat is noodzakelijk, omdat duidelijk moet zijn van welke landbouwinrichting de plattelandswoning onderdeel uitmaakt. Het voorgaande kan planologisch worden verankerd door bijvoorbeeld een agrarische bestemming toe te kennen aan de gronden waarop voorheen landbouwinrichting A (inclusief bijbehorende bedrijfswoning A) werd geëxploiteerd, waarbij aan de (voormalige) bedrijfswoning A een aanduiding "plattelandswoning" wordt toegekend, met dien verstande dat in de planregels en/of de verbeelding de relatie van de bedrijfswoning A wordt aangegeven met het agrarisch bedrijf dat wordt geëxploiteerd op de gronden waar voorheen landbouwinrichting A werd gedreven. Voorts kan daarbij - indien dat gelet op de gekozen plansystematiek in het desbetreffende geval nodig is - worden geregeld dat landbouwinrichting B mag beschikken over twee bedrijfswoningen (waarvan één de plattelandswoning).

4.4. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:236, hecht de Afdeling er nog wel aan te overwegen dat de omstandigheid dat een bedrijfswoning op grond van het bestemmingsplan door een derde bewoond mag worden en daarom voor de toepassing van de Wabo en de daarop rustende bepalingen wordt beschouwd als onderdeel van die inrichting, losstaat van de vraag of ingevolge artikel 5.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer de luchtkwaliteit ter plaatse van het perceel waarop die woning staat moet worden beoordeeld.

Het beroep van [appellant sub 1]

Inleiding

5. Het beroep van [appellant sub 1] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" wat betreft het perceel [locatie 5]. [appellant sub 1] exploiteerde tot 2011 een vleesvarkenshouderij op dit perceel en is nadien de (voormalige) bedrijfswoning op het perceel blijven bewonen.

Woonbestemming

5.1. [appellant sub 1] betoogt dat aan zijn perceel in strijd met het vertrouwensbeginsel geen woonbestemming is toegekend. Hiertoe voert hij aan dat hij in november 2008 met het gemeentebestuur is overeengekomen dat de intensieve veehouderij op het perceel [locatie 5] zou worden beëindigd in ruil voor de toekenning van een woonbestemming aan dat perceel en dat de intensieve veehouderij inmiddels is opgeheven.

Gelet op hetgeen in november 2008 is overeengekomen heeft de raad volgens [appellant sub 1] niet kunnen volstaan met de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - uitsterfconstructie [locatie 5]". In dit verband voert [appellant sub 1] onder meer aan dat een agrarische bestemming niet in overeenstemming is met het bestaande gebruik. Daarnaast mag de voormalige bedrijfswoning volgens [appellant sub 1] thans niet ten behoeve van de reguliere woonfunctie worden uitgebreid of verbouwd. Verder betoogt [appellant sub 1] dat, kort gezegd, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse is gewaarborgd.

5.2. De relevante wettelijke bepalingen van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wgv) zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

5.3. Op het perceel [locatie 5], voor zover dat in het plangebied ligt, staan blijkens het deskundigenbericht de (voormalige) bedrijfswoning en een loods van 400 m². Aan het perceel [locatie 5] is de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" toegekend met onder meer de aanduidingen "bouwvlak", "specifieke vorm van agrarisch - uitsterfconstructie [locatie 5]" en "specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - rundveehouderij uitgesloten".

Artikel 1, lid 1.34, van de planregels luidt: "Bedrijfswoning: een woning in of bij een bedrijfsgebouw of op dan wel bij een terrein, dienend voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden of maximaal vier personen die geen huishouden vormen, wiens huisvesting ter plaatse, gelet op de bedrijfsvoering, noodzakelijk is."

Artikel 5, lid 5.1, luidt: "De voor "Agrarisch - Grondgebonden" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. agrarisch bedrijfsmatig gebruik, in de vorm van een grondgebonden bedrijf, al dan niet met als nevenactiviteit;

1. een niet-grondgebonden bedrijfstak;

b. wonen in een bedrijfswoning;

c. een plattelandswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning";

d. wonen in een bedrijfswoning door een derde van maximaal één huishouden, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - uitsterfconstructie wonen [locatie 5]". Indien deze functie gedurende een aaneengesloten periode van één jaar niet meer ter plaatse is uitgeoefend, is uitoefening van deze functie niet meer is toegestaan."

Lid 5.2.1 luidt: "Op de voor "Agrarisch - Grondgebonden" aangewezen gronden mag uitsluitend ten behoeve van de in lid 5.1 genoemde bestemming worden gebouwd:

a. gebouwen;

b. een bedrijfswoning;

c. bijbehorende bouwwerken;

d. bouwwerken, geen gebouw zijnde."

5.4. In het deskundigenbericht staat dat op het perceel [locatie 5] een vleesvarkenshouderij werd geëxploiteerd door [appellant sub 1], doch dat hij in 2008 is ingegaan op een aanbod van de toenmalige gemeente Helden om de vleesvarkenshouderij op het perceel [locatie 5] te beëindigen per uiterlijk 1 december 2012. Uit het deskundigenbericht volgt dat het gemeentebestuur daartoe met [appellant sub 1] in november 2008 een overeenkomst heeft gesloten. De varkensstallen op het perceel zijn blijkens het deskundigenbericht inmiddels gesloopt en de milieuvergunning voor het houden van 2.200 vleesvarkens op het perceel is op 1 december 2012 ingetrokken. Uit de overeenkomst volgt verder dat [appellant sub 1] heeft ingestemd met de wijziging van de agrarische bestemming naar een woonbestemming en dat de intentie bestond om deze bestemmingswijziging met de eerstvolgende algehele herziening van het bestemmingsplan buitengebied van de voormalige gemeente Helden te laten plaatsvinden.

5.5. Naar het oordeel van de Afdeling kon [appellant sub 1] aan de overeenkomst met het gemeentebestuur niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen aan de overeenkomst met het gemeentebestuur dat aan het perceel een reguliere woonbestemming zou worden toegekend. Hierbij is van belang dat, mede gelet op de bewoordingen in die overeenkomst, voor alle partijen duidelijk was of had moeten zijn, dat definitieve besluitvorming omtrent de toekenning van een woonbestemming aan het perceel [locatie 5] pas bij de vaststelling van het bestemmingsplan zou plaatsvinden. Een overeenko³st als de onderhavige kan niet leiden tot een verplichting van de raad aan gronden een bestemming te geven die de raad niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening zou achten. Het aanvaarden van gebondenheid van de raad aan het leggen van de bestemming zoals in de overeenkomst voorzien, zou zich niet verdragen met de door de wetgever in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) aan de raad toegekende bevoegdheid om, in het belang van een goede ruimtelijke ordening, bestemmingsplannen vast te stellen na het volgen van de daartoe in deze wet dwingend voorgeschreven en met waarborgen omklede procedure. De definitieve beslissing over de vaststelling van het bestemmingsplan kan mede afhankelijk van alle in de loop van de procedure naar voren gekomen feiten en belangen - ook de mogelijke belangen van derden - anders uitvallen dan door het college van burgemeester en wethouders bij het sluiten van de overeenkomst is ingeschat. Dat met de overeenkomst van november 2008 enige verwachtingen zijn gewekt, betekent niet dat de raad in de bestemmingsplanprocedure geen andere afweging heeft mogen maken. Gelet op het voorgaande heeft de raad het bestreden besluit in zoverre niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. Het betoog faalt. Dat tussen [appellant sub 1] en de gemeente een overeenkomst is gesloten, is wel een omstandigheid die de raad bij de vaststelling van het plan in zijn overwegingen dient te betrekken.

5.6. De raad stelt dit met de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - uitsterfconstructie [locatie 5]" te hebben gedaan. Hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen volstaan met de toekenning van de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - uitsterfconstructie [locatie 5]" aan het perceel [locatie 5]. Hiertoe overweegt de Afdeling het volgende.

5.7. De afstand van de (voormalige) bedrijfswoning van [appellant sub 1] op het perceel [locatie 5] tot het dichtstbijzijnde emissiepunt van de intensieve veehouderij op het perceel [locatie 6] bedraagt blijkens het deskundigenbericht ongeveer 65 m en ongeveer 48 m tot het agrarisch bouwvlak van het perceel [locatie 6]. Nu de woning van [appellant sub 1] op het perceel [locatie 5] een geurgevoelig object betreft dat na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van de (inmiddels gestaakte) intensieve veehouderij op datzelfde perceel, staat vast dat in de bestaande situatie kan worden voldaan aan de vaste afstandsnorm van artikel 3, tweede lid, onder b, van de Wgv. [appellant sub 1] stelt in dit verband terecht dat indien tussen de veehouderij en een geurgevoelig object, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wgv, de in dat artikel genoemde afstand wordt aangehouden, in beginsel mag worden aangenomen dat bij het geurgevoelig object een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX7725). Voorts stelt [appellant sub 1] terecht dat het voor omliggende veehouderijen bij de toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wgv niet uitmaakt of het geurgevoelige object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een veehouderij, als burgerwoning of bedrijfswoning wordt bestemd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW1593).

5.7.1. Het voorgaande leidt evenwel niet tot het oordeel dat de raad daarmee gehouden is de (voormalige) bedrijfswoning op het perceel [locatie 5] als burgerwoning te bestemmen. Er kunnen zich immers bijzondere omstandigheden voordoen die de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening redelijkerwijs nopen tot een andere keuze. Uit het rapport "Onderzoek woon- en leefklimaat geur/fijnstof Arcadis" (hierna: het onderzoeksrapport van Arcadis), dat als bijlage 6 bij de plantoelichting is gevoegd, volgt dat op de woning op het perceel [locatie 5] de voorgrondbelasting in de bestaande situatie reeds 19,93 odour units per m3 lucht bedraagt en de achtergrondbelasting 20,32 odour units per m3 lucht. [appellant sub 1] heeft de conclusies van dit onderzoek niet bestreden. Uit paragraaf 4.3 van de plantoelichting volgt dat voor het plangebied geen geurverordening als bedoeld in artikel 6 van de Wgv is vastgesteld en dat de raad voor de beoordeling of in het kader van een goede ruimtelijke ordening een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd vanwege geurhinder van omliggende veehouderijen, aansluiting heeft gezocht bij de Handreiking geurhinder en veehouderij. In paragraaf 4.3 van de plantoelichting staat dat een voorgrondbelasting van 19,93 odour units per m3 lucht in de Handreiking geurhinder en veehouderij wordt gewaardeerd als een zeer slecht woon- en leefklimaat. Gelet hierop stelt de raad zich in het kader van een goede ruimtelijke ordening op het standpunt dat - ondanks dat in de bestaande situatie kan worden voldaan aan de vaste afstanden van artikel 3, tweede lid, onder b, van de Wgv - een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet gewaarborgd is vanwege geurhinder van omliggende intensieve veehouderijen en dat reeds daarom is afgezien van de toekenning van een woonbestemming. Hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

Het betoog faalt.

5.8. Gelet op het voorgaande behoeft het betoog van [appellant sub 1] ten aanzien van het aspect geluid geen bespreking meer.

5.9. Voor zover [appellant sub 1] aanvoert dat de bestaande woning op het perceel thans niet kan worden verbouwd, uitgebreid of vernieuwd, overweegt de Afdeling dat dit betoog feitelijke grondslag mist. De woning op het perceel is immers oorspronkelijk als bedrijfswoning opgericht en planologisch ook als zodanig bestemd en mag derhalve met inachtneming van de bouwregels binnen de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" als zodanig worden verbouwd, uitgebreid en vernieuwd, en met inachtneming van artikel 5, lid 5.1, onder d, van de planregels ook door derden worden bewoond. Het betoog faalt.

5.10. Verder volgt de Afdeling de stelling van [appellant sub 1] dat de bestemming "Agrarisch -Grondgebonden" voor het perceel [locatie 5] niet uitvoerbaar is, niet. De enkele omstandigheid dat [appellant sub 1], als agrariër in ruste, niet voornemens is om nog een agrarisch bedrijf op te richten, maakt niet dat de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel [locatie 5] onuitvoerbaar moet worden geacht binnen de planperiode. De raad heeft in dit verband toegelicht dat niet op voorhand is uitgesloten dat bij een eventuele verkoop van het perceel een derde ter plaatse een agrarisch bedrijf opricht. De Afdeling ziet hiervan een bevestiging in het deskundigenbericht. Voorts heeft de raad toegelicht dat evenmin op voorhand is uitgesloten dat het perceel binnen de planperiode wordt betrokken bij een omliggend agrarisch bedrijf, hetgeen de Afdeling niet onaannemelijk acht. Daar komt bij dat de bedrijfswoning op het perceel op grond van de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - uitsterfconstructie [locatie 5]" overeenkomstig artikel 5, lid 5.1, onder d, van de planregels door derden mag worden bewoond, zolang dit gebruik maar niet langer dan een aaneengesloten periode van één jaar wordt onderbroken.

Het betoog faalt.

5.11. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van het onroerend goed van [appellant sub 1] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

5.12. [appellant sub 1] heeft er verder op gewezen dat inmiddels een ontwerpplan ter inzage is gelegd waarbij aan het perceel [locatie 5] een woonbestemming is toegekend en dat de raad zich daarmee op een ander standpunt heeft gesteld dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan. Reeds hierom is het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid, aldus [appellant sub 1]. De Afdeling volgt dit betoog echter niet, reeds omdat het desbetreffende ontwerpplan voor het perceel [locatie 5] (nog) niet is vastgesteld door de raad.

Conclusie

6. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 1] ongegrond.

Proceskosten

7. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 1] bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 2]

Inleiding

8. Het beroep van [appellant sub 2] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" wat betreft zijn perceel aan de [locatie 7]. Uit het deskundigenbericht volgt dat [appellant sub 2] zijn varkensmesterij op het perceel [locatie 7] in 2002 heeft opgeheven, omdat hij heeft deelgenomen aan de Regeling beëindiging veehouderijtakken (hierna: Rbv), tweede tranche. Derhalve is op 7 januari 2003 de milieuvergunning ten behoeve van het perceel voor het houden van 393 mestvarkens ingetrokken door het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Helden. [appellant sub 2] is de (voormalige) bedrijfswoning na de beëindiging van zijn varkensmesterij blijven bewonen.

Woonbestemming

9. [ appellant sub 2] betoogt dat aan zijn perceel ten onrechte geen woonbestemming is toegekend. Hiertoe voert hij aan dat de voormalige veehouderij op het perceel in 2002 met toepassing van de Rbv is beëindigd en dat de toekenning van een woonbestemming derhalve, mede gelet op het bestaande gebruik, voor de hand had gelegen. Ten aanzien van de intensieve veehouderij op het perceel [locatie 8] wordt voldaan aan de vaste afstandsnorm van artikel 3, tweede lid, van de Wgv, zodat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat vanwege geurhinder volgens [appellant sub 2] gegeven is. Voorts wordt het bedrijf op het perceel [locatie 8] als gevolg van de toekenning van een woonbestemming aan zijn perceel, kort gezegd, niet beperkt in zijn uitbreidingsmogelijkheden, aldus [appellant sub 2]. Verder betoogt [appellant sub 2] dat zijn woning vanwege het ontbreken van een woonbestemming onverkoopbaar wordt, omdat geen hypotheek wordt verleend voor woningen zonder reguliere woonbestemming.

9.1. De relevante wettelijke bepalingen uit de Wgv zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

9.2. Op het perceel [locatie 7] staan blijkens het deskundigenbericht een woning en een voormalige varkensstal. De voormalige varkensstal is thans in gebruik als berging en hobbyruimte. Aan het perceel is de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - rundveehouderij" toegekend.

9.3. De meest nabijgelegen intensieve veehouderij ligt op het perceel [locatie 8]. Het agrarisch bouwvlak van deze intensieve veehouderij ligt op ongeveer 75 m van het gedeelte van het perceel [locatie 7] dat binnen het plangebied ligt. De afstand van de woning van [appellant sub 2] tot het dichtstbijzijnde emissiepunt van de intensieve veehouderij op het perceel [locatie 8] bedraagt ongeveer 98 m. Niet in geschil is dat de woning van [appellant sub 2] op het perceel [locatie 7] een geurgevoelig object betreft dat na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van de (inmiddels gestaakte) intensieve veehouderij op datzelfde perceel, zodat vast staat dat ten aanzien van de intensieve veehouderij op het perceel [locatie 8] wordt voldaan aan de vaste afstandsnorm van 50 m zoals neergelegd in artikel 3, tweede lid, onder b, van de Wgv.

9.4. [appellant sub 2] stelt terecht dat indien tussen de veehouderij en een geurgevoelig object als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wgv de in dat artikel genoemde afstand wordt aangehouden, in beginsel mag worden aangenomen dat bij het geurgevoelig object een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX7725). Voorts stelt [appellant sub 2] terecht dat het voor omliggende veehouderijen bij de toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wgv niet uitmaakt of het geurgevoelige object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een veehouderij, als burgerwoning of bedrijfswoning wordt bestemd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW1593). Dit leidt evenwel niet tot het oordeel dat de raad de (voormalige) bedrijfswoning op het perceel [locatie 7] als burgerwoning dient te bestemmen. Er kunnen zich immers bijzondere omstandigheden voordoen die de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening redelijkerwijs nopen tot een andere keuze. Uit het rapport "Onderzoek woon- en leefklimaat geur/fijnstof Arcadis" (hierna: het onderzoeksrapport van Arcadis), dat als bijlage 6 bij de plantoelichting is gevoegd, volgt dat op de woning op het perceel [locatie 7] de voorgrondbelasting in de bestaande situatie reeds 35,35 odour units per m3 lucht bedraagt en de achtergrondbelasting 47,14 odour units per m3 lucht. Uit paragraaf 4.3 van de plantoelichting volgt dat voor het plangebied geen geurverordening als bedoeld in artikel 6 van de Wgv is vastgesteld en dat de raad voor de beoordeling of in het kader van een goede ruimtelijke ordening een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd vanwege geurhinder van omliggende veehouderijen, aansluiting heeft gezocht bij de Handreiking geurhinder en veehouderij. In paragraaf 4.3 van de plantoelichting staat dat een voorgrondbelasting van 35,35 odour units per m3 lucht in de Handreiking geurhinder en veehouderij wordt gewaardeerd als een extreem slecht woon- en leefklimaat. Gelet hierop stelt de raad zich in het kader van een goede ruimtelijke ordening op het standpunt dat - ondanks dat in de bestaande situatie kan worden voldaan aan de vaste afstanden van artikel 3, tweede lid, onder b, van de Wgv - een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet gewaarborgd is vanwege geurhinder van omliggende intensieve veehouderijen en dat reeds daarom is afgezien van de toekenning van een woonbestemming. Hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

9.5. Voor zover [appellant sub 2] heeft gesteld dat uit de omgevingsvergunning die ten behoeve van de intensieve veehouderij op het perceel [locatie 8] is verleend voor het veranderen van de inrichting, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo volgt dat de voorgrondbelasting op zijn woning 25,6 odour units per m³ lucht bedraagt, overweegt de Afdeling dat, wat daar ook van zij, de raad heeft toegelicht dat het woon- en leefklimaat blijkens paragraaf 4.3 van de plantoelichting bij 25,6 odour units eveneens wordt gewaardeerd als extreem slecht.

9.6. Aan de door [appellant sub 2] gestelde omstandigheid dat het voormalige agrarische bedrijf met toepassing van de Rbv is beëindigd, noch aan de omstandigheid dat bij de bepaling van de WOZ-waarde de woning wordt aangemerkt als een burgerwoning, kan [appellant sub 2] het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat zijn woning in dit plan als reguliere woning zou worden bestemd. (vgl. de uitspraken van de Afdeling van 24 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL5321 en 11 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW1593).

9.7. Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat bij de verlening van de milieuvergunningen ten behoeve van de intensieve veehouderij op het perceel [locatie 8] ten onrechte geen rekening is gehouden met het gebruik van zijn voormalige bedrijfswoning voor reguliere bewoning en dat deze op grond van de voormalige Wet stankemissie veehouderijen niet verleend hadden mogen worden, overweegt de Afdeling dat, wat daar ook van zij, deze vergunningen thans in rechte onaantastbaar zijn geworden.

Voor zover het betoog van [appellant sub 2] aldus moet worden begrepen dat het hem bevreemdt dat zijn woning bij de verlening van de omgevingsvergunningen voor het wijzigen van de intensieve veehouderij op het perceel [locatie 8] geen belemmering oplevert, terwijl in de voorliggende bestemmingsplanprocedure de raad meent dat bij zijn woning geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd, overweegt de Afdeling het volgende. Anders dan bij een omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo dient de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan op grond van artikel 3.1 van de Wro - behalve of kan worden voldaan aan de relevante milieutechnische wetgeving - eveneens te beoordelen of bij de keuze van een bepaald planologisch regime in het kader van de goede ruimtelijke ordening een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd is. Naar aanleiding van juist die toets stelt de raad zich op het standpunt dat de toekenning van een woonbestemming niet wenselijk is.

Het betoog faalt.

9.8. Voor zover het betoog van [appellant sub 2] aldus moet worden begrepen dat de bestemming "Agrarisch -Grondgebonden" voor het perceel [locatie 7] niet uitvoerbaar is, overweegt de Afdeling dat zij dit niet volgt. De enkele omstandigheid dat [appellant sub 2], als agrariër in ruste, niet voornemens is om ter plaatse nog een agrarisch bedrijf op te richten, maakt niet dat de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel onuitvoerbaar moet worden geacht binnen de planperiode. De raad heeft in dit verband toegelicht dat niet op voorhand is uitgesloten dat het perceel binnen de planperiode wordt betrokken bij een omliggend agrarisch bedrijf, hetgeen de Afdeling niet onaannemelijk acht. Het betoog faalt.

9.9. Ten overvloede hecht de Afdeling er aan in verband met de situatie van [appellant sub 2] te wijzen op overweging 4.1, nu uit het deskundigenbericht volgt dat het gedeelte van het perceel [locatie 7] dat buiten het plangebied ligt, momenteel in gebruik is bij de intensieve veehouderij op het perceel [locatie 8] en de reguliere bewoning van [appellant sub 2] van zijn voormalige bedrijfswoning derhalve thans niet in overeenstemming kan worden geacht met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden", noch met de voorheen ter plaatse geldende agrarische bestemming. De Afdeling geeft het gemeentebestuur van Peel en Maas dan ook in overweging om te onderzoeken of de verlening van een persoonsgebonden gedoogbeschikking in de voorliggende uitzonderlijke situatie mogelijk is.

Conclusie

10. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2] ongegrond.

Proceskosten

11. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 2] bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 3]

Inleiding

12. Het beroep van [appellant sub 3] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" wat betreft het perceel kadastraal bekend gemeente Helden, sectie N, nummer 128 (hierna: [locatie 9]). Op dit perceel was voorheen een pluimveehouderij gevestigd, die blijkens het deskundigenbericht ongeveer twintig jaar geleden is opgeheven. [appellant sub 3] heeft het perceel blijkens het deskundigenbericht in 2012 aangekocht en de ter plaatse aanwezige voormalige bedrijfswoning datzelfde jaar betrokken.

Woonbestemming

13. [ appellant sub 3] betoogt dat aan zijn perceel ten onrechte geen woonbestemming is toegekend. Hiertoe voert hij aan dat het pluimveebedrijf dat voorheen op het perceel werd geëxploiteerd reeds twintig jaar geleden is beëindigd en dat het perceel te klein is om aldaar een volwaardig agrarisch bedrijf te exploiteren.

De toekenning van een woonbestemming aan zijn perceel belemmert volgens [appellant sub 3] niet het streven van de raad om omliggende glastuinbouwbedrijven ontwikkelruimte te bieden, mede nu aan de naastgelegen percelen [locatie 10] en [locatie 11] reeds onderscheidenlijk een woon- en een recreatiebestemming zijn toegekend en thans geen glastuinbouwbedrijven in de directe omgeving van zijn perceel gevestigd zijn. Daarnaast betoogt hij dat veel glastuinbouwbedrijven in de omgeving vanwege economische redenen juist worden gestaakt. [appellant sub 3] betoogt dat zijn woning vanwege het ontbreken van een woonbestemming onverkoopbaar wordt, omdat banken geen hypotheek verlenen voor woningen zonder reguliere woonbestemming.

13.1. De raad voert aan dat het gebied waarin het perceel [locatie 9] ligt, is aangewezen als ontwikkelingsgebied voor glastuinbouw en dat andere ontwikkelingen die de glastuinbouwbranche belemmeren beleidsmatig in het gebied worden geweerd. Daarmee wordt volgens de raad ruimte geboden aan niet alleen de uitbreiding van bestaande glastuinbouw, maar ook de nieuwvestiging daarvan. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan volgens de raad op het perceel [locatie 9] bovendien niet worden gewaarborgd. De raad stelt verder dat op het perceel nog steeds een agrarisch bedrijf kan worden gevestigd.

13.2. Het perceel [locatie 9] heeft, voor zover dat in het plangebied ligt, een oppervlakte van ongeveer 5.200 m². Op het perceel staan de voormalige bedrijfswoning, een kleine schuur en een oude stal. Aan het perceel is de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" met onder meer de aanduiding "overige zone - concentratiegebied glastuinbouw 1" toegekend.

Artikel 44, lid 44.2.1, luidt: "Ter plaatse van de aanduiding "concentratiegebied glastuinbouw 1" (lees: overige zone - concentratiegebied glastuinbouw 1) zijn de gronden tevens bestemd als glastuinbouw concentratiegebied met mogelijkheden voor nieuwvestiging."

13.3. In het deskundigenbericht staat dat zowel ten zuidwesten als ten zuidoosten van het perceel [locatie 9] twee glastuinbouwbedrijven worden geëxploiteerd. De kleinste afstand tussen het perceel [locatie 9] en de glasopstanden van het glastuinbouwbedrijf op het perceel [locatie 12] bedraagt blijkens het deskundigenbericht ongeveer 130 m. Het waterbassin dat bij dat glastuinbouwbedrijf hoort ligt blijkens het deskundigenbericht op ongeveer 95 m. Ten westen van het perceel [locatie 9] ligt het perceel [locatie 11] waaraan in het voorliggende bestemmingsplan de bestemming "Wonen" is toegekend. Ten oosten van het perceel [locatie 9] ligt het perceel [locatie 10] waarop een bed and breakfast wordt geëxploiteerd en waaraan reeds in het bestemmingsplan "Buitengebied Peel en Maas" de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" is toegekend.

13.4. Uit de gemeentelijke structuurvisie "Structuurvisie Buitengebied gemeente Peel en Maas", die is vastgesteld door de raad op 3 februari 2015, (hierna: de gemeentelijke structuurvisie) volgt dat als algemeen uitgangspunt geldt dat het woon- en leefklimaat in het buitengebied niet mag verslechteren, doch dat dit algemene uitgangspunt niet geldt voor woningen in de glastuinbouwconcentratiegebieden en de Landbouwontwikkelingsgebieden (hierna: LOG’s). Het primaat van deze gebieden ligt bij de ontwikkelmogelijkheden voor respectievelijk de glastuinbouw en de intensieve veehouderij en in principe wordt wonen niet toegestaan, zo volgt uit de gemeentelijke structuurvisie. Dat de raad met dit beleidsuitgangspunt in het kader van een goede ruimtelijke ordening in beginsel niet wenst te voorzien in reguliere woonfuncties in een concentratiegebied voor glastuinbouw acht de Afdeling in zijn algemeenheid niet onredelijk. Overeenkomstig dit beleidsuitgangspunt heeft de raad geen woonbestemming toegekend aan het perceel [locatie 9]. Hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad redelijkerwijs niet heeft kunnen vasthouden aan dit beleid.

13.5. Wat betreft de stelling van [appellant sub 3] dat thans geen behoefte bestaat aan glastuinbouw in de omgeving, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 3] de juistheid van deze stelling niet aannemelijk heeft gemaakt. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat de glastuinbouwbranche weer opbloeit en dat weer concrete aanvragen worden ingediend voor de ontwikkeling en/of uitbreiding van glastuinbouwbedrijven in de gemeente.

Gelet hierop faalt het betoog.

13.6. Voor zover de gemachtigde van [appellant sub 3] ter zitting heeft toegelicht dat zij met haar verwijzing naar de percelen [locatie 10] en [locatie 11] bedoelt te betogen dat deze percelen, gelet op de aldaar geldende bestemmingen, reeds belemmeringen opleveren voor de ontwikkeling en/of uitbreiding van glastuinbouwbedrijven in de omgeving, heeft de raad ter zitting toegelicht dat ten behoeve van die percelen reeds bestaande rechten worden gerespecteerd en dat de raad, gelet op het gemeentelijk beleid ten aanzien van glastuinbouw, in het kader van een goede ruimtelijke ordening in beginsel niet wenst te voorzien in nog meer beperkingen in een concentratiegebied voor de glastuinbouw. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat ten zuiden van het perceel [locatie 9] geen andere reguliere woon- of recreatiebestemmingen zijn voorzien.

Het betoog faalt.

13.7. Dat de raad redelijkerwijs geen woonbestemming heeft kunnen toekennen aan het perceel [locatie 9] betekent echter niet dat met de toekenning van de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" aan het perceel een bestemming in het kader van een goede ruimtelijke ordening gegeven is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad, mede gelet op hetgeen reeds in overweging 4.3 is overwogen, onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom is afgezien van de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning" aan de (voormalige) bedrijfswoning op het perceel [locatie 9]. Zo is onduidelijk of de raad in zijn afweging heeft betrokken de omstandigheid dat het gemeentebestuur sinds het vertrek van de agrariër in ruste uit de voormalige bedrijfswoning nooit handhavend heeft opgetreden, de meest nabijgelegen glasopstand op ongeveer 130 m afstand op het perceel [locatie 12] ligt en in het deskundigenbericht staat dat daarmee ruimschoots wordt voldaan aan de aanbevolen richtafstand uit de VNG-brochure. Voorts acht de Afdeling van belang dat de raad zijn stelling dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het perceel [locatie 9] niet kan worden gewaarborgd, niet met enig onderzoek heeft onderbouwd.

Het betoog slaagt.

13.8. Nu de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt of voor het perceel [locatie 9] kan worden voorzien in een plattelandswoning, is het besluit in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen. Het betoog van [appellant sub 3] slaagt. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van [appellant sub 3] geen bespreking meer.

Conclusie

14. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel [locatie 9], is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 3] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Proceskosten

15. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 3] te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 4]

Inleiding

16. Het beroep van [appellant sub 4] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" wat betreft het perceel [locatie 13]. Uit het deskundigenbericht volgt dat [appellant sub 4] zijn varkenshouderij op het perceel in 2002 heeft opgeheven, doch de bijbehorende voormalige bedrijfswoning ter plaatse nadien is blijven bewonen. Het perceel heeft een oppervlakte van ongeveer 5,5 ha, waarvan ongeveer 0,33 ha in het plangebied ligt. Op het gedeelte van het perceel dat in het plangebied ligt staan een woning, een garage en een schuur.

Formele aspecten

17. [ appellant sub 4] betoogt dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Awb.

Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

Het betoog faalt.

Inhoudelijke aspecten

18. [ appellant sub 4] betoogt dat aan zijn perceel ten onrechte geen woonbestemming is toegekend. Hiertoe voert hij aan dat zijn perceel weliswaar in het zoekgebied landbouwontwikkelingsgebied (hierna: LOG) Laagheide ligt, maar dat het niet voor de hand ligt dat binnen de planperiode in dit zoekgebied een intensieve veehouderij wordt gevestigd. Allereerst is dit volgens [appellant sub 4] zo omdat eerst het LOG Egchelse Heide en het zoekgebied LOG Egchelse Heide volledig zullen moeten worden benut. Daarnaast is het zoekgebied Laagheide volgens [appellant sub 4] minder geschikt, vanwege de ligging van een aantal burgerwoningen in de directe omgeving en is in het zoekgebied bovendien niet bij recht voorzien in intensieve veehouderijen.

Verder voert [appellant sub 4] aan dat zijn woning geen beperking voor veehouderijen oplevert, nu in de bestaande situatie wordt voldaan aan de vereiste afstand die op grond van artikel 3, tweede lid, onder b, van de Wgv moet worden aangehouden tussen zijn woning en een veehouderij. De gronden binnen een straal van 50 m van zijn woning zijn namelijk ofwel zijn eigendom, dan wel als openbare weg bestemd. Gelet op het voorgaande is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in zijn woning gegeven. Bovendien maakt het voor omliggende veehouderijen volgens [appellant sub 4] geen verschil of een voormalige bedrijfswoning als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wgv wordt bestemd als burger- of als bedrijfswoning.

Subsidiair voert [appellant sub 4] aan dat indien de toekenning van een woonbestemming aan zijn perceel niet mogelijk is, de raad ten onrechte niet langer heeft voorzien in de vestiging van een intensieve veehouderij.

18.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de toekenning van een woonbestemming ter plaatse in strijd is met het gemeentelijk beleid met betrekking tot de nieuwvestiging en uitbreiding van intensieve veehouderijen, omdat het perceel ligt in een gebied dat is aangewezen als LOG. Daarnaast volgt uit geuronderzoek dat ter plaatse sprake is van een zeer slecht woon- en leefklimaat vanwege de geurhinder van nabijgelegen veehouderijen.

18.2. De relevante wettelijke bepalingen uit de Wgv zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

18.3. Aan het perceel [locatie 13] is de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" met de aanduidingen "bouwvlak" en "specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - rundveehouderij" toegekend.

18.4. Aan het perceel was in het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied" dat op 16 september 1991 is vastgesteld door de raad van de voormalige gemeente Helden, en in zoverre goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg op 28 april 1992, een agrarische bestemming toegekend op grond waarvan burgerbewoning niet was toegestaan.

18.5. Uit het deskundigenbericht volgt dat de dichtstbijzijnde stal van een intensieve veehouderij ([locatie 14]) op ongeveer 76 m staat. Het bouwvlak van [locatie 13] ligt op een afstand van ongeveer 23 m van het bouwvlak [locatie 14]. Niet in geschil is dat de woning van [appellant sub 4] op het perceel [locatie 13] een geurgevoelig object betreft dat na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van de (inmiddels gestaakte) intensieve veehouderij op datzelfde perceel, zodat vast staat dat in de bestaande situatie ten opzichte van de intensieve veehouderij op het perceel [locatie 14] wordt voldaan aan de vaste afstandsnorm van 50 m zoals neergelegd in artikel 3, tweede lid, onder b, van de Wgv.

18.6. [appellant sub 4] stelt terecht dat indien tussen de veehouderij en een geurgevoelig object als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wgv de in dat artikel genoemde afstand wordt aangehouden, in beginsel mag worden aangenomen dat bij het geurgevoelig object een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX7725). Voorts stelt [appellant sub 4] terecht dat het voor omliggende veehouderijen bij de toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wgv niet uitmaakt of het geurgevoelige object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een veehouderij, als burgerwoning of bedrijfswoning wordt bestemd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW1593). Dit leidt evenwel niet tot het oordeel dat de raad de (voormalige) bedrijfswoning op het perceel [locatie 13] als burgerwoning dient te bestemmen. Er kunnen zich immers bijzondere omstandigheden voordoen die de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening redelijkerwijs nopen tot een andere keuze. Uit het rapport "Onderzoek woon- en leefklimaat geur/fijnstof Arcadis" (hierna: het onderzoeksrapport van Arcadis), dat als bijlage 6 bij de plantoelichting is gevoegd, volgt dat op de woning op het perceel [locatie 13] de voorgrondbelasting in de bestaande situatie reeds 20,43 odour units per m3 lucht bedraagt en de achtergrondbelasting 20,95 odour units per m3 lucht. Uit een nadere berekening van de geurbelasting die in opdracht van de raad met inachtneming van het verspreidingsmodel V-Stacks is gemaakt, blijkt dat de voorgrondbelasting bij de woning 17,2 odour units per m³ lucht bedraagt. Uit paragraaf 4.3 van de plantoelichting volgt dat voor het plangebied geen geurverordening als bedoeld in artikel 6 van de Wgv is vastgesteld en dat de raad voor de beoordeling of in het kader van een goede ruimtelijke ordening een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd vanwege geurhinder van omliggende veehouderijen, aansluiting heeft gezocht bij de Handreiking geurhinder en veehouderij. In paragraaf 4.3 van de plantoelichting staat dat een voorgrondbelasting van 20,43 odour units per m3 lucht onderscheidenlijk 17,3 odour units per m³ lucht in de Handreiking geurhinder en veehouderij wordt gewaardeerd als een zeer slecht onderscheidenlijk slecht woon- en leefklimaat. Gelet hierop stelt de raad zich in het kader van een goede ruimtelijke ordening op het standpunt dat - ondanks dat in de bestaande situatie kan worden voldaan aan de vaste afstanden van artikel 3, tweede lid, onder b, van de Wgv - een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet gewaarborgd is vanwege geurhinder van omliggende intensieve veehouderijen en dat reeds daarom is afgezien van de toekenning van een woonbestemming. Hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Gelet hierop behoeven de beroepsgronden van [appellant sub 4] ten aanzien van de ontwikkeling van het LOG Laagheide geen bespreking meer.

18.7. Voor zover het betoog van [appellant sub 4] aldus moet worden begrepen dat de bestemming "Agrarisch -Grondgebonden" voor het perceel [locatie 13] niet uitvoerbaar is, overweegt de Afdeling dat zij dit niet volgt. De enkele omstandigheid dat [appellant sub 4], als agrariër in ruste, niet voornemens is om ter plaatse nog een agrarisch bedrijf op te richten, maakt niet dat de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel onuitvoerbaar moet worden geacht binnen de planperiode. Daargelaten of de oprichting van een zelfstandig agrarisch bedrijf op de gronden van [appellant sub 4] binnen en buiten het plangebied mogelijk is, heeft de raad toegelicht dat niet op voorhand is uitgesloten dat het perceel binnen de planperiode wordt betrokken bij een omliggend agrarisch bedrijf, hetgeen de Afdeling niet onaannemelijk acht. Het betoog faalt.

18.8. Wat betreft het betoog van [appellant sub 4] dat de raad op het perceel [locatie 13] niet langer heeft voorzien in een intensieve veehouderij, overweegt de Afdeling dat op grond van artikel 2.04, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften van het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied 1991" de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf op de gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden A" niet bij recht was toegestaan, doch alleen na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid en dat niet gebleken is van concrete plannen van [appellant sub 4] tot de oprichting van een intensieve veehouderij. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid niet hoeven voorzien in een intensieve veehouderij op het perceel [locatie 13].

18.9. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van het perceel [locatie 13] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

18.10. Ten overvloede hecht de Afdeling er aan in verband met de situatie van [appellant sub 4] te wijzen op overweging 4.1, nu uit het deskundigenbericht volgt dat de gronden van [appellant sub 4] gedeeltelijk worden verpacht, zodat de reguliere bewoning van [appellant sub 4] van zijn voormalige bedrijfswoning thans niet in overeenstemming kan worden geacht met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden", noch met de voorheen ter plaatse geldende agrarische bestemming. De Afdeling geeft het gemeentebestuur van Peel en Maas dan ook in overweging te onderzoeken of de verlening van een persoonsgebonden gedoogbeschikking in de voorliggende uitzonderlijke situatie mogelijk is.

Conclusie

19. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 4] ongegrond.

Proceskosten

20. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 4] bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 5]

Inleiding

21. Het beroep van [appellant sub 5] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" wat betreft het perceel [locatie 15]. [appellant sub 5] heeft het perceel met daarop een (voormalige bedrijfs)woning met garage blijkens het deskundigenbericht in 1996 gekocht. Uit het deskundigenbericht volgt dat het perceel oorspronkelijk hoorde bij een zeugenbedrijf dat in 1999 is gesaneerd. De overige bij het zeugenbedrijf behorende gronden zijn in 2000 aan een derde verkocht.

Agrarische bestemming

22. [ appellant sub 5] betoogt dat aan het perceel ten onrechte een agrarische bestemming is toegekend. Hiertoe voert hij aan dat op het perceel geen agrarisch bedrijf meer gevestigd is en dat dit, gelet op de omvang van het perceel, ook niet mogelijk is. [appellant sub 5] verzoekt derhalve om de toekenning van een passende bestemming waarmee het bestaande gebruik van het perceel voor reguliere woondoeleinden als zodanig wordt bestemd.

Nu wordt voldaan aan de minimale richtafstand van 30 m ten opzichte van het glastuinbouwbedrijf op het perceel [locatie 16] en het bouwvlak van dat perceel nagenoeg volledig benut is, had de raad volgens [appellant sub 5] een woonbestemming aan zijn perceel moeten toekennen.

Met een beroep op het gelijkheidsbeginsel betoogt [appellant sub 5] dat op het perceel [locatie 17] wel is voorzien in een plattelandswoning, terwijl dit gebied ook in een concentratiegebied voor glastuinbouw ligt.

22.1. Aan het perceel [locatie 15] is de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" met onder meer de aanduiding "overige zone - concentratiegebied glastuinbouw 1" toegekend.

22.2. Uit de gemeentelijke structuurvisie volgt dat als algemeen uitgangspunt geldt dat het woon- en leefklimaat in het buitengebied niet mag verslechteren, doch dat dit algemene uitgangspunt niet geldt voor woningen in de glastuinbouwconcentratiegebieden en de LOG’s. Het primaat van deze gebieden ligt bij de ontwikkelmogelijkheden voor respectievelijk de glastuinbouw en de intensieve veehouderij en in principe wordt wonen niet toegestaan, zo volgt uit de gemeentelijke structuurvisie. Dat de raad met dit beleidsuitgangspunt in het kader van een goede ruimtelijke ordening in beginsel niet wenst te voorzien in reguliere woonfuncties in een concentratiegebied voor glastuinbouw acht de Afdeling in zijn algemeenheid niet onredelijk. Vast staat dat het perceel ligt in het glastuinbouwconcentratiegebied "Platveld". Gelet hierop heeft de raad overeenkomstig voormeld beleidsuitgangspunt geen woonbestemming toegekend aan het perceel [locatie 15]. Hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen vasthouden aan dit beleid door geen woonbestemming toe te kennen aan het perceel [locatie 15].

22.3. Dat de raad redelijkerwijs geen woonbestemming heeft kunnen toekennen aan het perceel [locatie 15] betekent niet dat met de toekenning van de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" aan het perceel een bestemming in het kader van een goede ruimtelijke ordening gegeven is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad, mede gelet op hetgeen reeds in overweging 4.3 is overwogen, onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom is afgezien van de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning" aan de (voormalige) bedrijfswoning op het perceel [locatie 15]. Zo is onduidelijk of de raad in zijn afweging de omstandigheid heeft betrokken dat het gemeentebestuur sinds het vertrek van de agrariër in ruste uit de voormalige bedrijfswoning nooit handhavend heeft opgetreden, de stelling van [appellant sub 5] dat het bouwvlak van het glastuinbouwbedrijf op het perceel [locatie 16] volledig is benut en de omstandigheid dat de meest nabijgelegen glasopstand op 37 m afstand ligt en in het deskundigenbericht staat dat wordt voldaan aan de aanbevolen richtafstand uit de VNG-brochure. Voorts acht de Afdeling van belang dat de raad zijn stelling dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het perceel [locatie 9] niet kan worden gewaarborgd, niet met enig onderzoek heeft onderbouwd en evenmin inzichtelijk heeft gemaakt waarom wel op het perceel [locatie 17] is voorzien in een plattelandswoning.

Het betoog slaagt.

22.4. Nu de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt of voor het perceel [locatie 15] kan worden voorzien in een plattelandswoning, is het besluit in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen. Het betoog van [appellant sub 5] slaagt.

Conclusie

23. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel [locatie 15] is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 5] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Proceskosten

24. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 5] te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 6]

Inleiding

25. Het beroep van [appellant sub 6] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" wat betreft het perceel [locatie 18]. In het deskundigenbericht staat dat het perceel [locatie 18] bestaat uit drie percelen kadastraal bekend gemeente Helden, sectie N, nummers 525, 526 en 527. Deze drie percelen hebben tezamen een omvang van 5.070 m². Op deze percelen werd voorheen een varkenshouderij geëxploiteerd. [appellant sub 6] heeft de percelen in 2008 aangekocht teneinde ter plaatse een bed en breakfast op te richten. Na een omvangrijke verbouwing van de woning heeft hij deze betrokken, zo volgt uit het deskundigenbericht.

Agrarische bestemming

26. [ appellant sub 6] betoogt dat aan het perceel ten onrechte een agrarische bestemming is toegekend. Hiertoe voert hij aan dat op het perceel geen agrarisch bedrijf gevestigd is en dat dit, gelet op de omvang van het perceel, ook niet mogelijk is. [appellant sub 6] verzoekt derhalve om de toekenning van een passende bestemming waarmee het bestaande gebruik van het perceel voor reguliere woondoeleinden als zodanig wordt bestemd.

[appellant sub 6] erkent dat het perceel in een concentratiegebied voor glastuinbouw ligt, maar voert aan dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt welke ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt met de toekenning van een woonbestemming aan zijn perceel.

Met een beroep op het gelijkheidsbeginsel betoogt [appellant sub 6] dat op het perceel [locatie 17] wel is voorzien in een plattelandswoning, terwijl dit perceel ook in een concentratiegebied voor glastuinbouw ligt.

26.1. Aan het perceel [locatie 18] is de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" met onder meer de aanduiding "overige zone - concentratiegebied glastuinbouw 1" toegekend.

26.2. In het deskundigenbericht staat dat ten westen van de [locatie 18] aan de Ontginningsweg en de Kievit twee glastuinbouwbedrijven zijn gesitueerd. Ten zuidoosten van het perceel van [appellant sub 6] zijn eveneens twee glastuinbouwbedrijven gevestigd. Het glastuinbouwbedrijf Heliflor B.V. (Marisbaan 19) ligt het meest nabij het perceel [locatie 18]. De kleinste afstand tussen het perceel [locatie 18] en de glasopstanden bedraagt ongeveer 110 m. Het waterbassin dat bij het bedrijf hoort, ligt op ongeveer 75 m afstand.

26.3. Uit de gemeentelijke structuurvisie volgt dat als algemeen uitgangspunt geldt dat het woon- en leefklimaat in het buitengebied niet mag verslechteren, doch dat dit algemene uitgangspunt niet geldt voor woningen in de glastuinbouwconcentratiegebieden en de LOG’s. Het primaat van deze gebieden ligt bij de ontwikkelmogelijkheden voor respectievelijk de glastuinbouw en de intensieve veehouderij en in principe wordt wonen niet toegestaan, zo volgt uit de gemeentelijke structuurvisie. Dat de raad met dit beleidsuitgangspunt in het kader van een goede ruimtelijke ordening in beginsel niet wenst te voorzien in reguliere woonfuncties in een concentratiegebied voor glastuinbouw acht de Afdeling in zijn algemeenheid niet onredelijk. Vast staat dat het perceel ligt in het glastuinbouwconcentratiegebied "De Kievit". Gelet hierop heeft de raad overeenkomstig voormeld beleidsuitgangspunt geen woonbestemming toegekend aan het perceel [locatie 18]. Hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in het onderhavige geval redelijkerwijs niet heeft kunnen vasthouden aan dit beleid.

26.4. Dat de raad redelijkerwijs geen woonbestemming heeft kunnen toekennen aan het perceel [locatie 18] betekent niet dat met de toekenning van de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" aan het perceel een bestemming in het kader van een goede ruimtelijke ordening gegeven is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad, mede gelet op hetgeen reeds in overweging 4.3 is overwogen, onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom is afgezien van de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning" aan de (voormalige) bedrijfswoning op het perceel [locatie 18]. Zo is onduidelijk of de raad in zijn afweging heeft betrokken de omstandigheid dat het gemeentebestuur sinds het vertrek van de agrariër in ruste uit de voormalige bedrijfswoning nooit handhavend heeft opgetreden, de meest nabijgelegen glasopstand op 110 m afstand ligt en in het deskundigenbericht staat dat thans wordt voldaan aan de aanbevolen richtafstand uit de VNG-brochure. Voorts acht de Afdeling van belang dat de raad zijn stelling dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het perceel [locatie 18] niet kan worden gewaarborgd, niet met enig onderzoek heeft onderbouwd en evenmin inzichtelijk heeft gemaakt waarom wel op het perceel [locatie 17] is voorzien in een plattelandswoning.

Het betoog slaagt.

26.5. Nu de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt of op het perceel [locatie 18] kan worden voorzien in een plattelandswoning, is het besluit in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen.

Het betoog van [appellant sub 6] slaagt.

Conclusie

27. In hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel [locatie 18] is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 6] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Proceskosten

28. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 6] te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellante sub 7]

Inleiding

29. Het beroep van [appellante sub 7] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" met de aanduiding "overige zone - concentratiegebied glastuinbouw 2" wat betreft het perceel [locatie 19]. In het deskundigenbericht staat dat de echtgenoot van [appellante sub 7] in 1963 op het perceel een glastuinbouwbedrijf heeft opgericht met een omvang van ongeveer 0,5 ha, doch dat hij zijn bedrijf in 1985 heeft gestaakt.

Agrarische bestemming

30. [ appellante sub 7] betoogt dat aan het perceel ten onrechte een agrarische bestemming voor (onder meer) glastuinbouw is toegekend. Hiertoe voert zij aan dat op het perceel geen agrarisch bedrijf meer wordt geëxploiteerd en dat dit, gelet op de omvang van het perceel, ook niet mogelijk is. Daarnaast sluit de agrarische bestemming volgens haar niet aan bij het bestaande gebruik op het perceel voor woondoeleinden en kan haar woning nu ook niet ten behoeve van dat gebruik worden verbouwd.

[appellante sub 7] erkent dat het perceel in een concentratiegebied voor glastuinbouw ligt, maar betwist dat de toekenning van een woonbestemming aan haar (voormalige) bedrijfswoning de ontwikkelingsmogelijkheden van glastuinbouw in het gebied beperkt.

In dit verband voert zij onder meer aan dat haar perceel aan de rand van het concentratiegebied ligt en dat het perceel in het voorgaande bestemmingsplan eveneens - onder verwijzing naar dezelfde gemeentelijke structuurvisie - was aangewezen als concentratiegebied voor de glastuinbouw, en dat die aanwijzing toen volgens de raad niet in de weg stond aan de toekenning van de bestemming "Wonen - plattelandswoning". Verder stelt [appellante sub 7] dat ruimschoots wordt voldaan aan de aanbevolen richtafstand uit de VNG-brochure. Daarnaast leent het gebied zich niet voor de uitbreiding van glasopstanden en bestaat daaraan bovendien geen behoefte, aldus [appellante sub 7].

Tot slot voert zij aan dat de agrarische bestemming voor haar perceel, gelet op het feitelijke gebruik voor reguliere woondoeleinden sinds 1985, niet uitvoerbaar is en haar perceel onverkoopbaar maakt. Daarnaast vreest zij thans voor handhaving door het gemeentebestuur van de agrarische bestemming.

30.1. Op het perceel, voor zover dat in het plangebied ligt, staan de voormalige bedrijfswoning en een kassengebouw. Aan het perceel [locatie 19] zijn de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" en onder meer de aanduidingen "bouwvlak" en "overige zone - concentratiegebied glastuinbouw 2" toegekend.

Artikel 44, lid 44.3.1, luidt: "Ter plaatse van de aanduiding "concentratiegebied glastuinbouw 2" zijn de gronden tevens bestemd als glastuinbouw concentratiegebied met mogelijkheden voor uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven, maar zonder mogelijkheden voor nieuwvestiging."

30.2. Uit de gemeentelijke structuurvisie volgt dat als algemeen uitgangspunt geldt dat het woon- en leefklimaat in het buitengebied niet mag verslechteren, doch dat dit algemene uitgangspunt niet geldt voor woningen in de glastuinbouwconcentratiegebieden en de LOG’s. Het primaat van deze gebieden ligt bij de ontwikkelmogelijkheden voor respectievelijk de glastuinbouw en de intensieve veehouderij en in principe wordt wonen niet toegestaan, zo volgt uit de structuurvisie. Dat de raad met dit beleidsuitgangspunt in het kader van een goede ruimtelijke ordening in beginsel niet wenst te voorzien in reguliere woonfuncties in een concentratiegebied voor glastuinbouw acht de Afdeling in zijn algemeenheid niet onredelijk. Vast staat dat het perceel ligt in het glastuinbouwconcentratiegebied "De Kaumeshoek". Gelet hierop heeft de raad overeenkomstig voormeld beleidsuitgangspunt geen woonbestemming toegekend aan het perceel [locatie 19]. Hetgeen [appellante sub 7] heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in het onderhavige geval redelijkerwijs niet heeft kunnen vasthouden aan dit beleid.

30.3. Dat de raad redelijkerwijs geen woonbestemming heeft kunnen toekennen aan het perceel [locatie 19] betekent niet dat met de toekenning van de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" aan het perceel een bestemming in het kader van een goede ruimtelijke ordening gegeven is.

30.4. Wat betreft de stelling van [appellante sub 7] dat thans geen behoefte bestaat aan glastuinbouw in de omgeving, overweegt de Afdeling dat [appellante sub 7] de juistheid van deze stelling niet aannemelijk heeft gemaakt. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat de glastuinbouwbranche weer opbloeit en dat weer concrete aanvragen worden ingediend voor de ontwikkeling en/of uitbreiding van glastuinbouwbedrijven in de gemeente. Gelet hierop faalt het betoog.

30.5. Voor zover [appellante sub 7] betoogt dat de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel [locatie 19] onuitvoerbaar is, overweegt de Afdeling dat zij dit niet volgt. De enkele omstandigheid dat [appellante sub 7], als agrariër in ruste, niet voornemens is om ter plaatse nog een agrarisch glastuinbouwbedrijf op te richten, daargelaten of dit gelet op het voorziene planologische regime ter plaatse mogelijk is, maakt niet dat de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel onuitvoerbaar moet worden geacht binnen de planperiode. De raad heeft in dit verband toegelicht dat niet op voorhand is uitgesloten dat het perceel binnen de planperiode wordt betrokken bij een omliggend agrarisch bedrijf, hetgeen de Afdeling niet onaannemelijk acht. Het betoog faalt.

30.6. Voor zover [appellante sub 7] vreest voor handhaving van de reguliere bewoning van de voormalige bedrijfswoning, overweegt de Afdeling, dat niet in geschil is dat [appellante sub 7], na beëindiging van haar agrarisch bedrijf, de bijbehorende bedrijfswoning is blijven bewonen en de bij het (voormalig) agrarische bedrijf behorende gronden niet zijn verkocht en thans evenmin in gebruik zijn bij derden. Gelet op overweging 4.1 kan onder die omstandigheden de (voormalige) bedrijfswoning nog steeds de hoedanigheid van een woning behorend bij een agrarisch bedrijf worden toegedicht en kan de bewoning van de (voormalige) bedrijfswoning door [appellante sub 7] in overeenstemming worden geacht met de agrarische bestemming.

30.7. Het voorgaande neemt naar het oordeel van de Afdeling niet weg dat de raad, mede gelet op hetgeen reeds in overweging 4.3 is overwogen, onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom is afgezien van de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning" aan de (voormalige) bedrijfswoning op het perceel [locatie 19]. Zo is onduidelijk of de raad in zijn afweging de omstandigheid heeft betrokken dat op het perceel [locatie 19] de oprichting van een agrarisch glastuinbouwbedrijf, gelet op artikel 44, lid 44.3.1, slechts mogelijk is indien de gronden van [appellante sub 7] worden betrokken bij een omliggend reeds bestaand glastuinbouwbedrijf, dat de meest nabijgelegen glasopstand op 64 m afstand ligt en dat in het deskundigenbericht staat dat daarmee wordt voldaan aan de aanbevolen richtafstand uit de VNG-brochure en dat de gronden langs de westgrens van het Concentratiegebied "Kaumeshoek" liggen. Voorts acht de Afdeling van belang dat de raad zijn stelling dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het perceel [locatie 19] niet kan worden gewaarborgd, niet met enig onderzoek heeft onderbouwd.

30.8. Nu de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt of voor het perceel [locatie 19] kan worden voorzien in een plattelandswoning, is het besluit in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen. Het betoog van [appellante sub 7] slaagt. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van [appellante sub 7] geen bespreking meer.

Conclusie

31. In hetgeen [appellante sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel [locatie 19] is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Proceskosten

32. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is ten aanzien van [appellante sub 7] niet gebleken.

Het beroep van [appellant sub 8]

Het wijzigingsbesluit

33. Zoals hiervoor is overwogen is het perceel [locatie 2] opgenomen in het wijzigingsbesluit van 18 oktober 2016. Aan deze gronden is met dat besluit de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" toegekend.

33.1. Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb luidt: "Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben."

34. [ appellant sub 8] heeft beroep tegen het bestemmingsplan ingesteld, omdat aan zijn perceel [locatie 2] geen woonbestemming is toegekend. Met het wijzigingsbesluit is aan de bezwaren van [appellant sub 8] niet tegemoet gekomen. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb is voor [appellant sub 8] een beroep van rechtswege ontstaan tegen het wijzigingsbesluit.

34.1. Het beroep van [appellant sub 8] is van rechtswege gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" wat betreft het perceel [locatie 2]. In het deskundigenbericht staat dat [appellant sub 8] van 1976 tot ongeveer 1996 een klein glastuinbedrijf exploiteerde op het perceel [locatie 2] en dat hij sinds 1973 de bijbehorende (voormalige) bedrijfswoning op het perceel [locatie 2] bewoont.

34.2. [appellant sub 8] betoogt dat de raad ten onrechte geen woonbestemming heeft toegekend aan het perceel [locatie 2]. Hiertoe voert hij aan dat het glastuinbouwbedrijf dat hij voorheen op het perceel exploiteerde reeds ongeveer twintig jaar geleden is beëindigd, en dat hij de (voormalige) bedrijfswoning sindsdien regulier bewoont.

Daarnaast voert [appellant sub 8] aan dat het voor omliggende bedrijven bijvoorbeeld in verband met de aspecten geluid en geur niet uitmaakt of zijn (voormalige) bedrijfswoning wordt bestemd als burgerwoning of bedrijfswoning, want het blijft een gevoelig object waar de bedrijven bij uitbreiding en/of wijziging van hun bedrijfsactiviteiten mee worden geconfronteerd. Het bevreemdt [appellant sub 8] bovendien dat de raad een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten behoeve van een bedrijfswoning wel gewaarborgd acht, maar niet ten behoeve van een burgerwoning. Verder voert [appellant sub 8] aan dat zijn woning thans onverkoopbaar is.

Teneinde eventuele belemmeringen voor de agrarische bedrijven in zijn omgeving te voorkomen, stelt [appellant sub 8] dan ook voor de woonbestemming te begrenzen tot de muren van zijn bestaande woning.

34.3. De relevante wettelijke bepalingen uit de Wgv zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

34.4. Op het gedeelte van het perceel dat in het plangebied ligt staan een woning, een garage en een schuur. Aan het gedeelte van het perceel [locatie 2] dat in het plangebied ligt zijn de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" en onder meer de aanduidingen "bouwvlak" en "specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - rundveehouderij" toegekend.

Artikel 4, lid 4.1, van de planregels van het wijzigingsbesluit luidt: "De voor "Agrarisch - Grondgebonden" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. agrarisch bedrijfsmatig gebruik, in de vorm van een grondgebonden bedrijf, al dan niet met als nevenactiviteit;

1. een niet-grondgebonden bedrijfstak;

b. wonen in een bedrijfswoning;

met daaraan ondergeschikt:

c. mestverwerking van mest afkomstig van het eigen bedrijf;

[…]"

34.5. In het deskundigenbericht staat dat tegenover het perceel [locatie 2], op ongeveer 20 m afstand van de (voormalige) bedrijfswoning, het bouwvlak van het perceel Zandstraat 15 ligt en dat het meest nabijgelegen bestaande bedrijfsgebouw op het perceel Zandstraat 15 op ongeveer 34 m afstand ligt. Aan het perceel Zandstraat 15 is in het bestemmingsplan "Buitengebied", dat is vastgesteld door de raad op 24 december 2014, de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" toegekend.

34.6. Voor zover [appellant sub 8] vreest voor handhaving van de reguliere bewoning van zijn voormalige bedrijfswoning, overweegt de Afdeling, dat niet in geschil is dat [appellant sub 8], na beëindiging van zijn agrarisch bedrijf, de bijbehorende bedrijfswoning is blijven bewonen. Niet gebleken is dat de bij het (voormalig) agrarische bedrijf behorende gronden zijn verkocht of anderszins in gebruik zijn bij derden. Gelet op overweging 4.1 kan onder die omstandigheden de (voormalige) bedrijfswoning nog steeds de hoedanigheid van een woning behorend bij een agrarisch bedrijf worden toegedicht en kan de bewoning van de (voormalige) bedrijfswoning door [appellant sub 8] in overeenstemming worden geacht met de agrarische bestemming.

34.7. Uit het rapport "Onderzoek woon- en leefklimaat geur/fijnstof Arcadis" (hierna: het onderzoeksrapport van Arcadis), dat als bijlage 6 bij de plantoelichting van het bestreden besluit van 15 december 2015 is gevoegd en waar de raad tevens in het kader van de motivering van het wijzigingsbesluit naar verwijst, volgt dat op de woning op het perceel [locatie 2] een voorgrondbelasting van 15,39 odour units per m3 lucht is berekend en een achtergrondbelasting van 21,47 odour units per m3 lucht. Voor zover [appellant sub 8] heeft aangevoerd dat niet inzichtelijk is hoe deze berekeningen tot stand zijn gekomen, heeft de raad toegelicht dat de geurbelasting met behulp van het programma V-stacks rekenmodel (rekenmodel voor geur uit stallen van veehouderijen) is berekend waarbij gebruik is gemaakt van de Web-BVB databestanden van de provincies Limburg en Noord-Brabant. Gemeenten zijn verplicht om alle milieuvergunningen daarin op te nemen, zodat bij het onderzoek ook alle destijds verleende vergunningen zijn betrokken, aldus de raad. [appellant sub 8] heeft de juistheid van deze berekeningsmethode niet bestreden, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het onderzoeksrapport dusdanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad zich daar niet in redelijkheid op heeft mogen baseren.

34.8. Uit paragraaf 4.3 van de plantoelichting volgt dat voor het plangebied geen geurverordening als bedoeld in artikel 6 van de Wgv is vastgesteld en dat de raad voor de beoordeling of in het kader van een goede ruimtelijke ordening een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd vanwege geurhinder van omliggende veehouderijen, aansluiting heeft gezocht bij de Handreiking geurhinder en veehouderij. In paragraaf 4.3 van de plantoelichting staat dat een voorgrondbelasting van 15,39 odour units per m3 lucht in de Handreiking geurhinder en veehouderij wordt gewaardeerd als een slecht woon- en leefklimaat. Gelet hierop stelt de raad zich in het kader van een goede ruimtelijke ordening op het standpunt dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet gewaarborgd is vanwege geurhinder van omliggende intensieve veehouderijen en dat reeds daarom is afgezien van de omzetting van een agrarische bedrijfsbestemming naar een woonbestemming. Hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

34.9. Voor zover [appellant sub 8] betoogt dat de bestemming "Agrarisch -Grondgebonden" voor het perceel [locatie 2] onuitvoerbaar is, overweegt de Afdeling dat zij dit niet volgt. De enkele omstandigheid dat [appellant sub 8], als agrariër in ruste, niet voornemens is om ter plaatse nog een agrarisch glastuinbouwbedrijf op te richten maakt niet dat de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel onuitvoerbaar moet worden geacht binnen de planperiode. De raad heeft in dit verband toegelicht dat niet op voorhand is uitgesloten dat het perceel binnen de planperiode wordt betrokken bij een omliggend agrarisch bedrijf, hetgeen de Afdeling niet onaannemelijk acht.

Het betoog faalt.

Conclusie wijzigingsbesluit

35. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 8] tegen het wijzigingsbesluit ongegrond.

Het bestemmingsplan

36. Het beroep van [appellant sub 8] richt zich voorts tegen het bestemmingsplan voor zover daarbij aan het perceel [locatie 2] de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" is toegekend. Nu het beroep van [appellant sub 8] tegen het wijzigingsbesluit ongegrond is, is het wijzigingsbesluit daarmee in zoverre onherroepelijk geworden. Dit brengt met zich dat het bestemmingsplan in zoverre geen betekenis meer heeft.

Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat [appellant sub 8] geen belang meer heeft bij een inhoudelijke bespreking van zijn beroep tegen het bestemmingsplan, waarbij de Afdeling van belang acht dat ook niet anderszins van enig belang daarbij is gebleken. Het beroep van [appellant sub 8] tegen het bestemmingsplan is dan ook niet-ontvankelijk.

Proceskosten

37. Nu [appellant sub 8] tegen het oorspronkelijke besluit heeft aangevoerd dat de toekenning van de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" op de verbeelding niet overeenkomt met de beantwoording in de nota van zienswijzen en de raad dit heeft erkend en bij het wijzigingsbesluit de bestemming overeenkomstig de beantwoording in de nota van zienswijzen heeft gewijzigd naar "Agrarisch - Grondgebonden", ziet de Afdeling in de omstandigheden van het geval aanleiding de raad op navolgende wijze te veroordelen in de proceskosten van [appellant sub 8].

Tevens ziet de Afdeling onder deze omstandigheden aanleiding de raad te gelasten het betaalde griffierecht aan [appellant sub 8] te vergoeden.

Het beroep van [appellant sub 9]

Het wijzigingsbesluit

38. Zoals hiervoor onder 3 is overwogen is het perceel [locatie 3] opgenomen in het wijzigingsbesluit van 18 oktober 2016. Aan deze gronden is met dat besluit de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" toegekend.

39. [ appellant sub 9] heeft beroep tegen het bestemmingsplan ingesteld, omdat aan zijn perceel [locatie 3] geen woonbestemming is toegekend. Met het wijzigingsbesluit is aan de bezwaren van [appellant sub 9] niet tegemoet gekomen. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb is voor [appellant sub 9] een beroep van rechtswege ontstaan tegen het wijzigingsbesluit.

40. Het beroep van [appellant sub 9] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" wat betreft het perceel [locatie 3]. Op het perceel werd voorheen door [appellant sub 9] een varkenshouderij geëxploiteerd die enkele jaren geleden is opgeheven. Op het gedeelte van het perceel dat in het plangebied ligt, staat blijkens het deskundigenbericht naast een voormalige varkensstal en een schuur, ook een voormalige bedrijfswoning die is opgericht met toepassing van de omgevingsvergunning die daartoe op 19 november 2014 voor de activiteit bouwen is verleend.

Formele aspecten

41. [ appellant sub 9] betoogt dat zijn zienswijze ten onrechte niet is beantwoord en dat het bestemmingsplan derhalve in strijd met artikel 3:46 is vastgesteld.

41.1. De raad erkent dat de zienswijze van [appellant sub 9] ten onrechte niet is beantwoord. Gelet hierop biedt hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" wat betreft het perceel [locatie 3] in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb is vastgesteld.

Het betoog slaagt.

41.2. De Afdeling ziet aanleiding om met het oog op een finale geschilbeslechting nader te bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in zoverre in stand gelaten kunnen worden. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Inhoudelijke aspecten

41.3. [appellant sub 9] betoogt dat aan het perceel [locatie 3] ten onrechte de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" is toegekend. Hiertoe voert hij onder meer aan dat op het perceel geen agrarisch bedrijf meer wordt geëxploiteerd en dat de agrarische bestemming niet aansluit bij het bestaande gebruik op het perceel voor woondoeleinden. Voorts is de omgevingsvergunning voor de (her)bouw van zijn plattelandswoning daarmee volgens hem ten onrechte niet als zodanig bestemd. [appellant sub 9] vreest voorts voor handhaving van de reguliere bewoning van zijn plattelandswoning. Daarnaast voert hij aan dat zijn woning met een agrarische bestemming onverkoopbaar wordt.

[appellant sub 9] voert tevens aan dat de raad onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op zijn perceel niet gewaarborgd is. Daarnaast maakt het volgens hem voor omliggende bedrijven niet uit of zijn woning als bedrijfswoning of als reguliere woning wordt bestemd. Verder voert [appellant sub 9] onder meer aan dat geen behoefte bestaat aan gronden voor glastuinbouw.

42. De raad stelt zich onder verwijzing naar de VNG-brochure en de gemeentelijke structuurvisie op het standpunt dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het perceel [locatie 3] niet gewaarborgd is vanwege de ligging nabij een dierenpension, een mestverwerkingsbedrijf en de ligging van het perceel in het glastuinbouwconcentratiegebied.

42.1. Aan het perceel [locatie 3] is de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" met onder meer de aanduiding "overige zone - concentratiegebied glastuinbouw 1" toegekend.

Artikel 14, lid 14.1.1, luidt: "Ter plaatse van de aanduiding "concentratiegebied glastuinbouw 1" zijn de gronden tevens bestemd als glastuinbouw concentratiegebied met mogelijkheden voor nieuwvestiging."

42.2. In het deskundigenbericht staat dat het perceel [locatie 3] een oppervlakte heeft van ongeveer 2,2 ha, waarvan 5.500 m² in het plangebied ligt. Het dichtstbijgelegen glastuinbouwbedrijf wordt op het perceel [locatie 12] geëxploiteerd. De afstand tussen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" wat betreft het perceel van [appellant sub 9] en de meest nabijgelegen glasopstand van het glastuinbouwbedrijf bedraagt ongeveer 135 m.

42.3. Uit de gemeentelijke structuurvisie volgt dat als algemeen uitgangspunt geldt dat het woon- en leefklimaat in het buitengebied niet mag verslechteren, doch dat dit algemene uitgangspunt niet geldt voor woningen in de glastuinbouwconcentratiegebieden en de LOG’s. Het primaat van deze gebieden ligt bij de ontwikkelmogelijkheden voor respectievelijk de glastuinbouw en de intensieve veehouderij en in principe wordt wonen niet toegestaan, zo volgt uit de gemeentelijke structuurvisie. Dat de raad met dit beleidsuitgangspunt in het kader van een goede ruimtelijke ordening in beginsel niet wenst te voorzien in reguliere woonfuncties in een concentratiegebied voor glastuinbouw acht de Afdeling niet onredelijk. De omstandigheid dat het in verband met de aspecten geur en geluid voor omliggende bedrijven geen verschil maakt of wordt voorzien in een reguliere woning of een bedrijfswoning doet daar, wat daar ook van zij, niet aan af. Vast staat dat het perceel [locatie 3] in het glastuinbouwconcentratiegebied "De Kievit" ligt. Gelet hierop heeft de raad overeenkomstig voormeld beleidsuitgangspunt geen woonbestemming toegekend aan het perceel [locatie 3]. Hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in het onderhavige geval niet in redelijkheid heeft kunnen vasthouden aan dit beleid.

42.4. Dat de raad redelijkerwijs geen woonbestemming heeft kunnen toekennen aan het perceel [locatie 3] betekent niet dat met de toekenning van de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" aan het perceel een bestemming in het kader van een goede ruimtelijke ordening gegeven is.

42.5. Wat betreft de stelling van [appellant sub 9] dat thans geen behoefte bestaat aan glastuinbouw in de omgeving, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 9] de juistheid van deze stelling niet aannemelijk heeft gemaakt. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat de glastuinbouwbranche weer opbloeit en dat weer concrete aanvragen worden ingediend voor de ontwikkeling en/of uitbreiding van glastuinbouwbedrijven in de gemeente. Gelet hierop faalt het betoog.

42.6. Voor zover [appellant sub 9] betoogt dat de bestemming "Agrarisch -Grondgebonden" voor het perceel [locatie 3] onuitvoerbaar is, overweegt de Afdeling dat zij dit niet volgt. De enkele omstandigheid dat [appellant sub 9], als agrariër in ruste, niet voornemens is om ter plaatse nog een agrarisch glastuinbouwbedrijf op te richten maakt niet dat de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel onuitvoerbaar moet worden geacht binnen de planperiode. De raad heeft in dit verband toegelicht dat niet op voorhand is uitgesloten dat het perceel binnen de planperiode wordt betrokken bij een omliggend agrarisch bedrijf, hetgeen de Afdeling niet onaannemelijk acht.

Het betoog faalt.

42.7. Voor zover [appellant sub 9] vreest voor handhaving van de reguliere bewoning van zijn voormalige bedrijfswoning, overweegt de Afdeling, dat niet in geschil is dat [appellant sub 9], na beëindiging van zijn agrarisch bedrijf, de bijbehorende bedrijfswoning is blijven bewonen en dat niet gebleken is dat de bij het (voormalig) agrarische bedrijf behorende gronden zijn verkocht of anderszins in gebruik zijn bij derden. Gelet op overweging 4.1 kan onder die omstandigheden de (voormalige) bedrijfswoning nog steeds de hoedanigheid van een woning behorend bij een agrarisch bedrijf worden toegedicht en kan de bewoning van de (voormalige) bedrijfswoning door [appellant sub 9] in overeenstemming worden geacht met de agrarische bestemming.

42.8. Het voorgaande neemt naar het oordeel van de Afdeling niet weg dat de raad, mede gelet op hetgeen reeds in 4.3 is overwogen, onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom is afgezien van de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning" aan de (voormalige) bedrijfswoning op het perceel [locatie 3]. Zo is onduidelijk of de raad in zijn afweging de omgevingsvergunning van 19 november 2014 voor de verbouwing van de woning op het perceel [locatie 3] heeft betrokken. Deze omgevingsvergunning is door het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas getoetst aan het bestemmingsplan "Buitengebied Peel en Maas", dat ten tijde van belang, in werking was getreden - doch in zoverre nog niet onherroepelijk was - en op grond waarvan voor het perceel [locatie 3] de bestemming "Wonen - Plattelandswoning" gold. Op grond van die bestemming was wonen in een plattelandswoning als bedoeld in artikel 1, lid 1.132, van de planregels van dat plan toegestaan. Tevens is onduidelijk of de raad de omstandigheid in zijn afweging heeft betrokken dat de meest nabijgelegen glasopstand op 135 m afstand ligt en dat uit het deskundigenbericht volgt dat daarmee in zoverre wordt voldaan aan de aanbevolen richtafstand uit de VNG-brochure van 30 m. Voorts acht de Afdeling van belang dat de raad zijn stelling dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het perceel [locatie 3] vanwege de ligging in een glastuinbouwconcentratiegebied niet kan worden gewaarborgd, niet met enig onderzoek heeft onderbouwd.

42.9. Voor zover de raad heeft aangevoerd dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat evenmin kan worden gewaarborgd vanwege het nabijgelegen dierenpension en het composteringsbedrijf, overweegt de Afdeling het volgende. In het deskundigenbericht staat dat aan de Kievit 38 het bedrijf Kultura Veenproducten is gevestigd, dat ooit begonnen is als mestverwerker, maar blijkens de vergunning van november 1995 op grond van de Wet milieubeheer inmiddels kan worden aangemerkt als een groothandel in biologische potgrond, tuinaarde en mest. Verder staat in het deskundigenbericht dat op het perceel Kievit 38a het dierenpension Jodija is gevestigd. In de VNG-brochure wordt in verband met een groothandel in kunstmeststoffen een richtafstand aanbevolen van maximaal 30 m tot de woning. In verband met het aspect geluid wordt voor een dierenpension een richtafstand aanbevolen van maximaal 100 m tot de woning. De afstand tussen de voormalige bedrijfswoning van [appellant sub 9] op het perceel [locatie 3] en de percelen Kievit 38/38a bedraagt blijkens het deskundigenbericht 109 m. Gelet hierop staat vast dat, ten tijde van belang, werd voldaan aan de richtafstanden van de VNG-brochure.

42.10. Nu de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt of voor het perceel [locatie 3] kan worden voorzien in een plattelandswoning, is het besluit ook in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen. Het betoog van [appellant sub 9] slaagt. Gelet hierop bestaat geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het wijzigingsbesluit in zoverre in stand te laten en behoeven de overige beroepsgronden van [appellant sub 9] tegen het wijzigingsbesluit geen bespreking meer.

Conclusie wijzigingsbesluit

43. In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel [locatie 3] is genomen in strijd met artikel 3.2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden wijzigingsbesluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Bestemmingsplan

44. Het beroep van [appellant sub 9] richt zich voorts tegen het bestemmingsplan wat betreft het plandeel voor het perceel [locatie 3]. Nu het beroep van [appellant sub 9] tegen het wijzigingsbesluit gegrond is, heeft [appellant sub 9] belang bij een inhoudelijke bespreking van zijn beroep tegen het bestemmingsplan. Nu aan het bestemmingsplan hetzelfde gebrek kleeft als is geconstateerd ten aanzien van het wijzigingsbesluit in overweging 41.1, is het bestemmingsplan wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel [locatie 3] eveneens in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb vastgesteld.

Het betoog slaagt.

Conclusie bestemmingsplan

45. In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel [locatie 3] is genomen in strijd met artikel 3.2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Proceskosten

46. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is ten aanzien van [appellant sub 9] niet gebleken.

Het beroep van [appellant sub 10]

Inleiding

47. Het beroep van [appellant sub 10] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf - Agrarisch verwant" voor het perceel [locatie 20], voor zover daaraan de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning" is toegekend. [appellant sub 10] is eigenaar en exploitant van een agrarisch loonbedrijf op het perceel [locatie 21]. Op het perceel [locatie 20] staat een (voormalige) bedrijfswoning die oorspronkelijk behoorde bij de champignonkwekerij die voorheen op het perceel [locatie 21] werd geëxploiteerd.

Plattelandswoning

48. [ appellant sub 10] betoogt dat ten onrechte de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning" is toegekend aan de (voormalige) bedrijfswoning op het perceel [locatie 20]. Hiertoe voert hij aan dat de wettelijke regeling ten aanzien van de plattelandswoning niet van toepassing is op de desbetreffende woning, omdat de inrichting waartoe de woning oorspronkelijk behoorde niet langer in werking is en het bedrijf waartoe de woning thans planologisch behoort geen agrarisch bedrijf is. Voor het geval hun niet-agrarische bedrijf op het perceel [locatie 21] kan worden ondergebracht onder "activiteiten die daarmee verband houden" als bedoeld in artikel 1.1a, tweede lid, van de Wabo, betoogt [appellant sub 10] dat de bestemming "Bedrijf - Agrarisch verwant", vanwege het ontbreken van de aanduiding "agrarisch loonbedrijf" ook voorziet in een (niet-agrarisch) loonbedrijf. Gelet hierop wordt in strijd met artikel 1.1a, van de Wabo voorzien in een plattelandswoning bij een niet-agrarisch bedrijf. Voorts laat de toepassing van artikel 1.1a van de Wabo volgens [appellant sub 10] onverlet dat de raad op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer de effecten van het "eigen bedrijf" voor de luchtkwaliteit bij de voormalige bedrijfswoning moet beoordelen, hetgeen de raad heeft nagelaten.

48.1. De relevante wettelijke bepalingen uit de Wabo zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

48.2. Aan het perceel [locatie 21] is de bestemming "Bedrijf - Agrarisch verwant" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 60" toegekend. Aan het perceel [locatie 20] is de bestemming "Bedrijf - Agrarisch verwant" toegekend met onder meer de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - 60" en "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning". De percelen [locatie 21] en [locatie 20] liggen in hetzelfde bestemmingsvlak met de aanduiding "bouwvlak".

Artikel 1, lid 1.15, van de planregels luidt: "Agrarisch loonbedrijf: een bedrijf, dat uitsluitend dan wel overwegend gericht is op het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven met daaraan ondergeschikt onderhoudswerkzaamheden aan (openbare) groenvoorzieningen en grond-/onderhoudswerkzaamheden aan (infrastructurele) voorzieningen, met behulp van landbouwwerktuigen en landbouwapparatuur, alsmede het verrichten van werkzaamheden tot onderhoud en reparatie van landbouwwerktuigen en landbouwapparatuur."

Artikel 10, lid 10.1, luidt: "De gronden met de bestemming "Bedrijf - Agrarisch verwant" zijn bestemd voor:

a. agrarisch verwante bedrijven in categorie 1 en 2 conform de "Lijst van bedrijfsactiviteiten" (bijlage 1 bij deze regels), met als nevenactiviteit:

1. bestaande grondgebonden bedrijfsactiviteiten;

[…]

een loonbedrijf met ondergeschikt een grondverzetbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 60";

e. een agrarisch loonbedrijf met een bedrijfsvloeroppervlakte van minimaal 500 m², uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "agrarisch loonbedrijf";

f. wonen in een bedrijfswoning;

g. een plattelandswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning"."

48.3. In het deskundigenbericht staat dat op de percelen [locatie 21] en [locatie 20] tot 2005 een champignonkwekerij werd geëxploiteerd. Op het zuidelijke deel van het perceel [locatie 21] stond de bedrijfsbebouwing en op het noordelijke deel van het perceel [locatie 20] stond de bijbehorende bedrijfswoning. Het perceel [locatie 20] is in 1998 afgesplitst van het perceel [locatie 21] en is sindsdien door derden in gebruik voor (burger)woondoeleinden. Op het perceel [locatie 21] wordt sinds 2005 door [appellant sub 10] een agrarisch loonbedrijf geëxploiteerd. Zoals de Afdeling reeds in haar uitspraak van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4653, heeft geoordeeld, brengt de omstandigheid dat thans een ander bedrijf is gevestigd op het perceel [locatie 21] op zichzelf niet met zich dat de wettelijke regeling voor plattelandswoningen niet kan worden toegepast. Het betoog faalt in zoverre.

48.4. Voorts is de regeling voor de plattelandswoning van toepassing op een agrarisch loonwerkbedrijf, nu dit naar het oordeel van de Afdeling kan worden aangemerkt als een inrichting waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten, dan wel activiteiten die daarmee verband houden worden verricht. Ter zitting is komen vast te staan dat de bestaande bedrijfsactiviteiten van [appellant sub 10] op het perceel [locatie 21] in hoofdzaak bestaan uit activiteiten die verband houden met agrarische activiteiten. Het betoog van [appellant sub 10] dat het bestemmingsplan op het perceel [locatie 21] voorts voorziet in een niet-agrarisch loonbedrijf, volgt de Afdeling niet. Naar het oordeel van de Afdeling brengt een redelijke uitleg van artikel 10, lid 10.1, van de planregels met zich dat wordt voorzien in een agrarisch loonbedrijf, reeds nu de benaming van de bestemming waarop deze planregeling ziet impliceert dat het moet gaan om bedrijvigheid die agrarisch verwant is. Dat in artikel 10, lid 10.1, onder e, van de planregels, anders dan in lid 10.1, onder d, van de planregels, wordt gesproken van een "agrarisch loonbedrijf" maakt dit naar het oordeel van de Afdeling niet anders.

48.5. [appellant sub 10] voert verder terecht aan dat het feit dat een plattelandswoning als bedoeld in artikel 1.1a, eerste lid, van de Wabo voor de toepassing van de Wabo en de daarop rustende bepalingen wordt beschouwd als onderdeel van de inrichting waartoe deze planologisch behoort, losstaat van de vraag of ingevolge artikel 5.16 van de Wet milieubeheer de luchtkwaliteit vanwege die landbouwinrichting al dan niet moet worden beoordeeld (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:236). De Afdeling acht echter niet aannemelijk dat als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van [appellant sub 10] de uitstoot van fijnstof boven de voorgeschreven norm uitkomt. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de uitstoot van fijnstof blijkens de nota "Onderbouwing Locatie 088: [locatie 20] te Grashoek", zoals opgenomen in bijlage 1 van de plantoelichting, als gevolg van fijnstof emissies van veehouderijen in de omgeving ruim onder de wettelijke norm blijft, zoals deze gold ten tijde van belang.

48.6. [appellant sub 10] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 10] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

49. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 10] ongegrond.

Proceskosten

50. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 10] bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 11]

51. Het beroep van [appellant sub 11] heeft betrekking op het perceel [locatie 22]. Hij betoogt dat aan zijn perceel ten onrechte geen woonbestemming is toegekend. Het perceel [locatie 22] ligt echter buiten het plangebied. Voor zover het betoog van [appellant sub 11] aldus moet worden begrepen dat zijn verzoek om een reguliere woonbestemming ten onrechte niet in deze bestemmingsplanprocedure is betrokken, overweegt de Afdeling het volgende. Vast staat dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Peel en Maas" een agrarische bestemming was toegekend aan het perceel van [appellant sub 11] en dat hij daartegen geen beroep heeft ingesteld. Met het thans voorliggende bestemmingsplan heeft de raad beoogd geconstateerde gebreken in het bestemmingsplan "Buitengebied Peel en Maas" te herstellen en reeds verleende omgevingsvergunningen als zodanig te bestemmen. Volgens de raad bestond geen aanleiding om het perceel [locatie 22] daarbij te betrekken, omdat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan nog een milieuvergunning gold voor het houden van 415 vleesvarkens, door [appellant sub 11] niet was verzocht om intrekking daarvan en [appellant sub 11] in zijn zienswijzen tegen het voorliggende bestemmingsplan niet eenduidig heeft verzocht om een reguliere woonbestemming. [appellant sub 11] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat voormelde standpunten van de raad onjuist zijn. Gelet op het voorgaande biedt hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het perceel [locatie 22] niet in redelijkheid buiten de grenzen van het voorliggende bestemmingsplan heeft kunnen laten.

Voor zover [appellant sub 11] in dit verband nog aanvoert dat hij zijn verzoek om een reguliere woonbestemming in de zienswijze niet kenbaar heeft gemaakt, omdat hij gedurende de totstandkoming van het bestemmingsplan nog overleg voerde met het gemeentebestuur omtrent de ontwikkeling van een horecagelegenheid en een visvijver op zijn perceel en dat pas na afloop van de zienswijzentermijn duidelijk werd dat die ontwikkeling geen doorgang kon vinden, overweegt de Afdeling dat niet gebleken is dat [appellant sub 11] nadien, doch voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan, zijn wens om een reguliere woonbestemming alsnog bij de raad kenbaar heeft gemaakt.

Het betoog faalt.

51.1. [appellant sub 11] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 11] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

52. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 11] ongegrond.

Proceskosten

53. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 11] bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 11]

Inleiding

54. Het beroep van [appellant sub 11] is gericht tegen het gewijzigd vastgestelde plandeel met de bestemming "Agrarisch" wat betreft het perceel kadastraal bekend gemeente Helden, sectie N, perceelnummer 78 (hierna: [locatie 23]).

Agrarische bestemming

55. [ appellant sub 11] betoogt dat de in het ontwerpplan toegekende woonbestemming bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten onrechte naar aanleiding van de zienswijze van zijn buurman is gewijzigd in een agrarische bestemming. Hiertoe voert hij aan dat in het verleden ter plaatse een paardrijbak aanwezig was en dat hij voornemens is deze binnen de planperiode weer op te richten. Volgens [appellant sub 11] was dit op grond van de oorspronkelijk toegekende woonbestemming - in tegenstelling tot de thans toegekende agrarische bestemming - toegestaan.

In het bestemmingsplan "Buitengebied Peel en Maas" dat door de raad is vastgesteld op 5 februari 2013 was ook een woonbestemming aan het desbetreffende plandeel toegekend. [appellant sub 11] acht het derhalve in strijd met het rechtzekerheidsbeginsel dat binnen een periode van drie jaar de destijds toegekende bestemming al weer wordt gewijzigd. Om die reden meent [appellant sub 11] voorts dat de zienswijze van zijn buurman niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.

Voorts acht [appellant sub 11] de toekenning van de agrarische bestemming niet overeenkomstig het feitelijke gebruik van het perceel, gelet op de aanwezigheid van een septic tank ter plaatse ten behoeve van de afvoer en infiltratie van het huishoudelijke afvalwater van de woning op het perceel.

55.1. De raad heeft toegelicht dat de paardrijbak met lichtmasten op het perceel inmiddels is verwijderd en bovendien niet was vergund of op enig andere wijze planologisch verankerd. De raad wenst niet te voorzien in een nieuwe paardenbak ter plaatse, teneinde verstening in het buitengebied tegen te gaan.

55.2. Aan het perceel [locatie 23] is gedeeltelijk de bestemming "Agrarisch" toegekend.

Artikel 3, lid 3.1, van de planregels luidt: "De voor "Agrarisch" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. agrarisch bedrijfsmatig gebruik;

[…]

met daaraan ondergeschikt

[…]

m. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen."

Lid 3.2.2, aanhef en onder b, luidt: "Op de voor "Agrarisch" aangewezen gronden mogen geen bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd, met uitzondering van bestaande paardrijbakken en daarbij behorende lichtmasten, waarvan de bouwhoogte maximaal 8 m bedraagt."

Lid 3.4.1, aanhef en onder c, luidt: "Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming "Agrarisch" wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als paardenbakken, anders dan bedoeld in lid 3.2.2."

55.3. Wat betreft het betoog van [appellant sub 11] dat de zienswijze van zijn buurman niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden, overweegt de Afdeling het volgende. Ten behoeve van het bestemmingsplan is opnieuw afdeling 3.4 van de Awb doorlopen, zodat gelet op artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wro door een ieder zienswijzen omtrent het ontwerp bij de gemeenteraad naar voren konden worden gebracht, zo ook door de buurman van [appellant sub 11].

Het betoog faalt.

55.4. Niet in geschil is dat thans geen paardrijbak meer op het perceel [locatie 23] aanwezig is. Hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van de toekenning van een woonbestemming of een andere bestemming aan het gedeelte van het perceel [locatie 23] waaraan thans de bestemming "Agrarisch" is toegekend ten behoeve van de oprichting van een paardrijbak. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad verstening in het buitengebied wenst tegen te gaan, niet gebleken is van concrete plannen van [appellant sub 11] om een nieuwe paardrijbak op te richten en de op het perceel aanwezige septic tank, gelet op artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder m, van de planregels met de toekenning van de bestemming "Agrarisch" als zodanig is bestemd. Het betoog van [appellant sub 11] dat het in strijd met het rechtzekerheidsbeginsel is om binnen een periode van drie jaar een bestemming te wijzigen, volgt de Afdeling niet, omdat noch de Wro, noch enig geschreven of ongeschreven rechtsbeginsel zich daartegen verzet.

Het betoog faalt.

Conclusie

56. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 11] ongegrond.

Proceskosten

57. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 11] bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 13], [appellante sub 14A] en anderen en [appellante sub 15]

Inleiding

58. [ appellant sub 13] exploiteert een kwekerij op het perceel [locatie 24] en [locatie 25] te Grashoek. [appellante sub 14A] en anderen exploiteren een varkenshouderij op de percelen [locatie 26] en [locatie 27] te Grashoek. [appellant sub 13] en [appellante sub 14A] en anderen vrezen dat hun bedrijfs- en uitbreidingsmogelijkheden zullen worden beperkt door de planregeling die is toegekend aan de percelen [locatie 28] en [locatie 29] te Grashoek, omdat het plan daar nu geur- en geluidgevoelige objecten toestaat.

[appellante sub 15] exploiteert aan de [locatie 30] en [locatie 31] te Grashoek een varkenshouderij. Zij vreest om dezelfde redenen dat haar bedrijfs- en gebruiksmogelijkheden zullen worden beperkt door de planregeling die aan het perceel [locatie 28] is toegekend.

Algemeen

59. [ appellant sub 13] en [appellante sub 14A] en anderen betogen dat de belangen van belanghebbenden bij het plan zijn geschaad doordat in de publicatie van het vaststellingsbesluit een onjuiste beroepstermijn is genoemd. In plaats van op 9 maart 2016 eindigde de beroepstermijn op 10 maart 2016.

De Afdeling overweegt dat deze beroepsgrond betrekking heeft op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet kan aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

Het betoog faalt.

[locatie 28]

60. [ appellant sub 13], [appellante sub 14A] en anderen en [appellante sub 15] betogen dat aan het perceel [locatie 28] ten onrechte een uitsterfregeling is toegekend. Volgens [appellant sub 13] en [appellante sub 14A] en anderen moet juist handhavend worden opgetreden tegen het wonen aldaar. [appellante sub 15] betoogt dat de raad ten onrechte niet heeft onderzocht of ook tegen de woning zelf handhavend opgetreden kan worden. Het standpunt van de raad dat de woning legaal aanwezig is klopt volgens haar niet, nu de Afdeling in de uitspraak van 24 december 2014 al heeft geoordeeld dat de woning illegaal aanwezig is. Ook is volgens haar niet gebleken dat toestemming is gegeven om het gebouw als bedrijfsgebouw of bijgebouw bij de woning [locatie 32] te gebruiken. [appellant sub 13], [appellante sub 14A] en anderen en [appellante sub 15] betogen voorts dat de uitsterfregeling voor het gebouw op het perceel [locatie 28] ten onrechte is toegekend, omdat daardoor hun bedrijfsvoering wordt belemmerd.

60.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het gebouw legaal aanwezig is, maar dat het gebruik als woning illegaal is. Er is onderzocht of het wonen aldaar als zodanig bestemd kan worden. Dit is niet mogelijk, omdat ter plaatse geen goed woon- en leefklimaat heerst. Ook zou het de uitbreidingsmogelijkheden van de omliggende agrarische bedrijven beperken. Door het toekennen van een uitsterfregeling zal het gebruik voor wonen op termijn stoppen en levert het gebruik geen hinder op voor de omliggende agrarische bedrijven, aldus de raad.

60.2. Aan het perceel [locatie 28], kadastraal bekend sectie A, nr. 5911, is de bestemming "Wonen" toegekend. Aan het perceel is een bouwvlak toegekend dat zich tevens uitstrekt over het perceel [locatie 32]. Aan een deel van het perceel is de aanduiding "specifieke vorm van wonen - uitsterfconstructie" toegekend. Ter plaatse van die aanduiding ligt een gebouw waarin gewoond wordt.

Artikel 22, lid 22.1, van de planregels luidt: "De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen;

[…]

f. wonen in een gebouw door maximaal één huishouden, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - uitsterfconstructie wonen [locatie 28]' . Indien deze functie gedurende een aaneengesloten periode van één jaar niet meer ter plaatse is uitgeoefend, is uitoefening van deze functie niet meer is toegestaan."

60.3. Uit de stukken volgt dat op 24 september 1965 een bouwvergunning is verleend om op het perceel [locatie 33], kadastraal bekend sectie A, nr. 5911, een krot te verbouwen tot bedrijfsruimte. Het perceel [locatie 33] is later [locatie 28] gaan heten. De Afdeling stelt vast dat, anders dan ten tijde van de uitspraak van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4653, bekend was, het gebouw op het perceel [locatie 28] is vergund. Handhavend optreden daartegen is dan ook niet mogelijk. Het gebruik van het perceel voor wonen was met het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Peel en Maas" toegestaan. Onder deze omstandigheden heeft de raad kunnen bezien of een uitsterfregeling mogelijk is.

De betogen falen.

60.4. In de plantoelichting staat waarom de raad is overgegaan tot het toekennen van een uitsterfregeling aan het voormalige bedrijfsgebouw op het perceel [locatie 28]. Het gebouw is in het vorige bestemmingsplan bestemd als een bijgebouw bij een woning, aldus de plantoelichting. Er staat voorts dat uit de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4653, blijkt dat de raad had moeten onderzoeken of het opnemen van een uitsterfconstructie mogelijk is. Er staat dat het toekennen van een woonbestemming niet mogelijk is, omdat ter plaatse geen goed woon- en leefklimaat heerst. Voorts staat er dat het gebruik niet onder het overgangsrecht gebracht kan worden, omdat niet is te verwachten dat het gebruik binnen de planperiode eindigt. Er is een uitsterfregeling toegekend omdat dit volgens de raad de enig mogelijke oplossing is. De woning wordt in dit geval bestemd als bedrijfswoning met de daarbij behorende bouwregels. Er is niet gekozen voor het toekennen van persoonsgebonden overgangsrecht, omdat het toekennen van een uitsterfregeling mogelijk is.

60.5. Blijkens de Nota van zienswijzen heeft de raad beoogd met de planregeling ervoor te zorgen dat het gebruik van het gebouw op [locatie 28] voor wonen op termijn zal stoppen en dat dit gebruik geen hinder oplevert voor de omliggende agrarische bedrijven.

60.6. Artikel 1 van de Wgv luidt: "[…]; geurgevoelig object: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt, waarbij onder «gebouw, bestemd voor menselijk wonen of menselijk verblijf» wordt verstaan: gebouw dat op grond van het bestemmingsplan, bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, […] mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf;

[…]."

60.7. De Afdeling overweegt dat het gebouw op het perceel [locatie 28] ingevolge artikel 22, lid 22.1, aanhef en onder f, van de planregels is bestemd voor wonen. Ook is het blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of verblijf en wordt het gebouw ook op die wijze gebruikt. Dit maakt dat het gebouw op het perceel [locatie 28] een geurgevoelig object is in de zin van de Wgv.

60.8. Voor het bedrijf van [appellante sub 15] kan de woning op het perceel [locatie 28] een belemmering vormen voor de bedrijfs- en uitbreidingsmogelijkheden op haar perceel [locatie 31]. Het betoog van de raad dat voor het bedrijf van [appellante sub 15] de woning op het perceel [locatie 34] dichterbij staat dan de woning op het perceel [locatie 28] treft geen doel, nu [appellante sub 15] ter zitting onweersproken heeft gesteld dat deze woning deel uitmaakt van haar inrichting en daarom geen belemmering voor haar bedrijfs- en uitbreidingsmogelijkheden vormt.

Vast staat dat de raad deze gevolgen van het plan niet heeft beoogd. Tevens staat vast dat de raad niet heeft bezien in hoeverre de planregeling een belemmering vormt voor het bedrijf van [appellante sub 15]. Het is dan ook onduidelijk of en in hoeverre de bedrijfs- en uitbreidingsmogelijkheden van haar bedrijf worden beperkt door dit geurgevoelige object.

Het betoog van [appellante sub 15] slaagt.

60.9. Omdat voor het bedrijf van [appellante sub 14A] en anderen de woningen op de percelen [locatie 32] en [locatie 35] op vergelijkbare afstand liggen, zal de omstandigheid dat de woning op het perceel [locatie 28] een geurgevoelig object is de bedrijfs- en uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf van [appellante sub 14A] en anderen niet schaden. [appellante sub 14A] en anderen moeten immers al met de woningen op de percelen [locatie 32] en [locatie 35] rekening houden. Voorts is niet gebleken van andere omstandigheden die ertoe leiden dat de woning op het perceel [locatie 28] de bedrijfs- en ontwikkelingsmogelijkheden van [appellante sub 14A] en anderen schaden.

Het betoog van [appellante sub 14A] en anderen faalt.

60.10. Wat betreft [appellant sub 13] overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat deze planregeling de bedrijfs- en uitbreidingsmogelijkheden van het kwekerijbedrijf van [appellant sub 13] belemmert. Dat dit het geval zou zijn acht de Afdeling ook niet aannemelijk, gelet op de substantiële afstand tussen de bedrijfspercelen van [appellant sub 13] en de woning op het perceel [locatie 28].

Het betoog van [appellant sub 13] faalt.

[locatie 29]

61. Aan het perceel [locatie 29] is de bestemming "Wonen" toegekend, met een bouwvlak dat het gehele perceel omvat. Aan een deel van het perceel is de aanduiding "geluidzone" toegekend.

Spuitzone

62. [ appellant sub 13] betoogt dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de spuitzone om zijn perceel. Volgens hem had de raad de gevolgen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op zijn percelen [locatie 24] en [locatie 25] moeten onderzoeken. Hij wijst op de korte afstand tussen zijn perceel [locatie 24] en het perceel [locatie 29], op de omstandigheid dat niet uitgegaan kan worden van driftarme spuittechnieken nu dat niet is gereguleerd en op de overheersende windrichting, waardoor het aannemelijk is dat de drift van zijn perceel [locatie 24] naar [locatie 29] zal uitwaaien.

62.1. Wat betreft het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen overweegt de Afdeling onder verwijzing naar de uitspraak van 13 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI3702, dat geen wettelijke bepalingen bestaan inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen woningen. In het kader van een bestemmingsplan dient een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen plaats te vinden, het milieubelang niet uitgezonderd, waarbij de aan te houden afstand tussen de gronden waarop gewassen worden verbouwd en nabijgelegen gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object aanwezig zal zijn.

In het deskundigenbericht staat dat de gronden van de kwekerij waarop gewasbeschermingsmiddelen in de open lucht worden gebruikt, het perceel [locatie 24], op ongeveer 15 m van het perceel [locatie 29] liggen. Op deze gronden van de kwekerij vindt containerteelt plaats. Voor dergelijke teelt, waarbij het gaat om lagere gewassen dan bij fruitteelt het geval is, is het volgens het deskundigenbericht niet zonder meer nodig een spuitzone van 50 m aan te houden. Blijkens het deskundigenbericht bevindt zich tussen deze gronden en het perceel een bomenrij, die de reikwijdte van de spuitnevel zal beperken. Ter zitting is door de bewoner van het perceel [locatie 29] toegelicht dat tussen het perceel van [appellant sub 13] en haar perceel ook een heg staat. Onder deze omstandigheden heeft de raad zich, zolang het gebruik op het perceel van [appellant sub 13] zich beperkt tot containerteelt, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een spuitzone die zich uitstrekt tot een grotere afstand dan de afstand tussen dat perceel en het perceel [locatie 29] niet nodig is om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het perceel [locatie 29] te waarborgen.

Het voorgaande neemt echter niet weg dat de bestemming van de gronden van [appellant sub 13] waarop gewasbeschermingsmiddelen in de open lucht worden gebruikt niet slechts containerteelt toestaat. Voor deze gronden geldt het bestemmingsplan "Buitengebied Peel en Maas", waarmee aan deze gronden de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" is toegekend. Deze bestemming staat ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels agrarisch bedrijfsmatig gebruik in de vorm van een glastuinbouwbedrijf toe, al dan niet met als nevenactiviteit een grondgebonden en/of een niet-grondgebonden bedrijfstak. [appellant sub 13] of een eventuele opvolgende eigenaar van de gronden kan op deze gronden ook een vorm van teelt uitoefenen waarvoor een grotere afstand moet worden aangehouden vanwege het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de open lucht, zoals fruitbomen. De raad heeft zich bij het toekennen van de woonbestemming aan het perceel [locatie 29] onvoldoende rekenschap gegeven van hetgeen de aan de gronden van [appellant sub 13] toegekende bestemming maximaal toestaat, wat betreft het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de open lucht. Dit leidt de Afdeling tot de conclusie dat het plan wat betreft het toekennen van de bestemming "Wonen" aan het perceel [locatie 29] niet met de daarbij vereiste zorgvuldigheid is vastgesteld.

Het betoog slaagt.

Geluid

63. [ appellant sub 13] betoogt dat wat de geluidsituatie betreft ten onrechte de maximale mogelijkheden van de percelen [locatie 24] en [locatie 25] niet bij de beoordeling zijn betrokken. [appellante sub 14A] en anderen betogen dat de raad ten onrechte verwijst naar de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh), omdat dit niet het toetsingskader is voor de geluidsituatie voor het perceel [locatie 29]. Zij wijzen erop dat de bewoners van [locatie 29] eerder hebben geklaagd over geluid van hun ventilatoren.

63.1. Bij het stuk "Onderbouwing Locatie 146: [locatie 29] te Grashoek" is het stuk "Akoestisch onderzoek (t.b.v. ruimtelijke onderbouwing) [locatie 29] Grashoek" van 30 november 2015 gevoegd (hierna: het akoestisch onderzoek [locatie 29]). Daarin staat dat een akoestisch industrielawaaionderzoek is uitgevoerd op de locatie [locatie 29] te Panningen (lees: Grashoek). Er staat dat het doel is te onderzoeken hoe het plan om ter plaatse een woonbestemming toe te kennen zich verhoudt tot omliggende zoneplichtige geluidbronnen, te bepalen in hoeverre de beoogde bestemming inbreuk maakt op de geluidruimte van nabijgelegen bedrijven en te beoordelen wat het effect van omliggende geluidbronnen is op het woon- en leefklimaat ter plaatse. Daarbij is gekeken naar de richtafstanden uit de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de VNG (hierna: de VNG-brochure). Omtrent het geluid vanwege het bedrijf van [appellante sub 14A] en anderen aan de [locatie 27] en het bedrijf van [appellant sub 13] aan de [locatie 25] staat er dat voldaan wordt aan de richtafstand voor geluid. Voor het bedrijf van [appellant sub 13] op het perceel [locatie 24] wordt niet aan de richtafstand voldaan. Voor het bedrijf aan de [locatie 24] staat in het akoestisch onderzoek [locatie 29] dat nader onderzoek is gedaan. Daarbij is uitgegaan van het laatst bekende meldingsformulier van 28 augustus 2013 en zijn de gegevens waar nodig aangepast op basis van forfaitaire gegevens. Uit de onderzoeksresultaten volgt dat op [locatie 29] sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Omdat er al een woning op het perceel [locatie 29] stond wordt het bedrijf op het perceel [locatie 24] niet in haar geluidruimte beperkt, aldus het akoestisch onderzoek [locatie 29].

63.2. De Afdeling overweegt dat in het akoestisch onderzoek [locatie 29] de bedrijven van [appellant sub 13] en [appellante sub 14A] en anderen zijn betrokken. Ook is in het akoestisch onderzoek [locatie 29] niet uitsluitend van de Wgh uitgegaan als toetsingskader, maar is de geluidsituatie ook beoordeeld in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij is gebleken dat voor de bedrijven aan de [locatie 25] en de [locatie 27] voldaan wordt aan de richtafstand die volgt uit de VNG-brochure.

Voorts is van belang dat de raad bij de beoordeling van de geluidsituatie in redelijkheid kan uitgaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. In het akoestisch onderzoek [locatie 29] staat dat bij de beoordeling van [locatie 24] is uitgegaan van de situatie als vermeld in de milieumelding uit 2013, en dat de situatie waar nodig is aangepast met forfaitaire gegevens. [appellant sub 13] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hiermee niet is uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden van zijn bedrijf aan de [locatie 24].

De betogen falen.

64. [ appellant sub 13] en [appellante sub 14A] en anderen betogen dat de afwijkingsbevoegdheid uit artikel 44, lid 44.6, onder 44.6.2, van de planregels onduidelijk is en daarmee rechtsonzeker.

64.1. Ter zitting heeft de raad verklaard dat deze afwijkingsbevoegdheid ten onrechte in de planregels is opgenomen. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog slaagt.

Geur

65. [ appellante sub 14A] en anderen betogen dat onduidelijk is of de raad bij de beoordeling van de geursituatie de geurbelasting vanwege hun bedrijven heeft betrokken. Volgens hen is de beoordeling door de raad niet volledig omdat de reeds vergunde stal op het perceel [locatie 36] van de [appellante sub 18] niet in de beoordeling is betrokken. Zij wijzen erop dat uit het onderzoek volgt dat de geursituatie behoorlijk slecht is, maar dat volgens de raad niettemin sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit lijkt volgens hen op willekeur, met name omdat de raad geen beleid hanteert over hoe hij dit beoordeelt.

65.1. In de plantoelichting staat dat de wettelijke norm voor de voorgrondbelasting buiten de bebouwde kom 14 odour units per m3 lucht bedraagt en dat dit volgens de tabel uit de Handreiking Geurhinder en Veehouderij bij de Wgv correspondeert met een ‘tamelijk slechte’ milieukwaliteit. Voor de achtergrondbelasting bestaan geen normen. Deze moet echter wel beoordeeld worden in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Voor de beoordeling hanteert de raad daarvoor maximaal een belasting van 20-28,3 odour units per m3 lucht buiten de bebouwde kom, wat neerkomt op een ‘tamelijk slechte’ milieukwaliteit uit dezelfde tabel. Volgens de raad is wat de achtergrondbelasting betreft in dat geval ook sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.

65.2. In de "Onderbouwing Locatie 146: [locatie 29] te Grashoek" staat dat onderzoeksbureau Arcadis met behulp van het programma V-stacks vergunning, versie 2010 de geurbelasting van de meest dichtbij gelegen veehouderijen op het perceel [locatie 29] heeft berekend. Daaruit volgt dat het woon- en leefklimaat op het perceel [locatie 29] ‘matig’ is, zodat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. De raad hanteert immers als maatstaf dat bij een ‘tamelijk slechte’ milieukwaliteit sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. De kwalificatie ‘matig’ is beter dan ‘tamelijk slecht’. De resultaten van de berekening staan in het stuk "Onderzoek woon- en leefklimaat geur/fijnstof Arcadis" (hierna: het geuronderzoek). In de "Onderbouwing Locatie 146: [locatie 29] te Grashoek" staat dat uit de berekening voor het geuronderzoek bleek dat de vergunning voor het bedrijf op [locatie 27] niet was geactualiseerd. De voorgrondbelasting is derhalve vanuit de werkelijk vergunde situatie geactualiseerd, aldus de "Onderbouwing Locatie 146: [locatie 29] te Grashoek".

De raad heeft in het verweerschrift toegelicht dat bij de beoordeling van de geursituatie gebruik is gemaakt van de provinciale database Web-BVB. Gemeenten zijn verplicht om alle milieuvergunningen daarin op te nemen, zodat bij het onderzoek alle vergunningen zijn betrokken, waaronder de vergunning van de nieuwe stal op het perceel [locatie 36], aldus de raad. [appellante sub 14A] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat ondanks het gebruik van de database Web-BVB niet alle veehouderijen in de beoordeling van de geursituatie zijn betrokken.

Het betoog faalt.

Bouwmogelijkheden

66. [ appellante sub 14A] en anderen betogen dat de raad ten onrechte heeft voorzien in ruime bouwmogelijkheden op het perceel [locatie 29], waardoor hindergevoelige objecten dichter bij hun bedrijf aan de [locatie 27] gebouwd kunnen worden.

67. Artikel 22, lid 22.2.2, luidt: "Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels:

a. de woning en bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;

[…]."

Lid 22.2.3 luidt: "Voor het bouwen van woningen en bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

[…];

b. de voorgevel van het hoofdgebouw wordt gebouwd in of achter bestaande voorgevel, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn' de voorgevel van het hoofdgebouw wordt gebouwd in of achter de aangeduide gevellijn;

[…];

e. bijbehorende bouwwerken worden op een afstand van minimaal 1 meter achter de bestaande voorgevelrooilijn gebouwd;

[…]."

Artikel 44, lid 44.6.1, luidt: "Ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone' mogen geen geluidgevoelige objecten worden gerealiseerd."

67.1. Niet in geschil is dat op het perceel [locatie 29] bouwmogelijkheden bestaan in de richting van het perceel [locatie 27] van [appellante sub 14A] en anderen. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat van het perceel [locatie 29] steeds de rand van het perceel als uitgangspunt is genomen, zodat ook bouwmogelijkheden op het perceel in de beoordeling mee zijn genomen. Dit is niet weersproken. Ook is niet gebleken dat [appellante sub 14A] en anderen op hun perceel [locatie 27] nog bouwmogelijkheden hebben in de richting van het perceel [locatie 29]. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bouwmogelijkheden die aan het perceel [locatie 29] zijn toegekend de bedrijfs- en ontwikkelingsmogelijkheden van [appellante sub 14A] en anderen niet zullen belemmeren.

Het betoog faalt.

Conclusie

68. In hetgeen [appellante sub 15] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - uitsterfconstructie" voor het perceel [locatie 28] te Grashoek is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

69. In hetgeen [appellant sub 13] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 29] te Grashoek.

70. In hetgeen [appellante sub 14A] en anderen en [appellant sub 13] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van artikel 44, lid 44.6.2, van de planregels is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Proceskosten

71. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellante sub 15], [appellante sub 14A] en anderen en [appellant sub 13] te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 16]

Inleiding

72. [ appellant sub 16] woont aan de Napoleonsbaan Zuid te Baarlo, ten zuiden van het plandeel voor het hotel met restaurant, vergader- en feestlocatie en art center Sandton Chateau De Raay (hierna: het hotel). Naast zijn woning is zijn bedrijf gevestigd. [appellant sub 16] vreest overlast door uitbreidingsmogelijkheden die voor het hotel zijn opgenomen en meent dat daarbij zijn belangen onvoldoende zullen worden meegewogen.

[appellant sub 16] heeft geen zienswijze naar voren gebracht tegen het ontwerpbestemmingsplan. Het plan is gewijzigd vastgesteld wat betreft artikel 13, lid 13.5.1, van de planregels.

Ontvankelijkheid

73. Het beroep van [appellant sub 16] is deels gericht tegen het toekennen van de aanduiding "maximum bebouwd oppervlak: 3000 m²" aan de gronden voor het Sandton Chateau De Raay. Het beroep van [appellant sub 16] steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. In het ontwerpbestemmingsplan was de aanduiding "maximum bebouwd oppervlak: 3000 m²" ook aan deze gronden toegekend.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Deze omstandigheid doet zich niet voor, onder meer nu het plan op dit punt niet gewijzigd is vastgesteld. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

Afwijkingsbevoegdheid

74. [ appellant sub 16] betoogt dat de afwijkingsbevoegdheid van artikel 13, lid 13.5.1, van de planregels ten onrechte gebruik van de kapel toestaat dat nooit eerder is toegestaan. Hij vreest dat onvoldoende rekening wordt gehouden met zijn belangen. Hij meent ook dat een dergelijke afwijking van het bestemmingsplan niet aan het college van burgemeester en wethouders overgelaten kan worden en dat slechts in een nieuw bestemmingsplan in de uitbreiding voorzien zou moeten kunnen worden.

74.1. Aan de gronden voor het hotel is de bestemming "Horeca" toegekend. Aan de gronden voor de kapel is onder meer de aanduiding "specifieke vorm van horeca - 2" toegekend. De aanduiding "groen" is niet aan de kapel toegekend.

Artikel 13, lid 13.5.1, van de planregels luidt: "Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 13.1 ten behoeve van het gebruik van nieuwe bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'groen' en bestaande bebouwing voor horeca van categorie 1 en 2, mits:

a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

1. de verkeersveiligheid;

2. het woon- en leefklimaat;

3. de milieusituatie;

4. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden;

5. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing;

b. uit akoestisch onderzoek blijkt dat voldaan wordt aan de grenswaarden ten aanzien van de nabij gelegen geluidsgevoelige functies;

c. in voldoende mate wordt voorzien in de parkeerbehoefte."

74.2. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat bedoeld is dat de afwijkingsbevoegdheid uit artikel 13, lid 13.5.1, van de planregels alleen toegepast kan worden voor nieuwe en bestaande bebouwing ter plaatse van de aanduiding "groen". Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Voor het oordeel dat met de afwijkingsbevoegdheid zoals de raad deze heeft bedoeld onvoldoende rekening wordt gehouden met de belangen van [appellant sub 16] ziet de Afdeling geen aanleiding. Als voorwaarde voor de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid is vastgesteld dat geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat en van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden mag plaatsvinden. De gronden van [appellant sub 16] zijn aangrenzende gronden in de zin van deze planregel. Weliswaar ligt tussen het perceel voor het hotel en de gronden van [appellant sub 16] een ontsluitingsweg, maar gelet op de ratio en de bedoeling van deze afwijkingsbevoegdheid, namelijk om naburige percelen tegen inbreuken te beschermen, en het landelijke karakter van het plangebied, moeten bij de toepassing van deze bepaling ook percelen waartussen een dergelijke weg ligt als aangrenzend worden aangemerkt. Tevens geldt dat voldaan moet zijn aan de grenswaarden voor geluid. Niet is gebleken dat de raad met deze regeling voorbij is gegaan aan andere rechtens te beschermen belangen van [appellant sub 16].

Het betoog slaagt.

Conclusie

75. In hetgeen [appellant sub 16] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van artikel 13, lid 13.5.1, van de planregels, wat betreft de zinsnede "nieuwe bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'groen' en bestaande bebouwing" is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Nu niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb op de hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak ten aanzien van dit planonderdeel in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd. Hierbij betrekt de Afdeling dat artikel 13, lid 13.5.1, naar aanleiding van de zienswijze van het hotel uitsluitend voor het hotel in het plan is opgenomen.

76. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

77. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van de [appellante sub 17]

Inleiding

78. Het beroep van de [appellante sub 17] richt zich tegen de planregeling voor de percelen [locatie 4], [locatie 37] en [locatie 38] te Kessel. Zij vreest door de planregeling belemmerd te worden in de gebruiksmogelijkheden en eventueel uitbreidingsmogelijkheden voor haar bedrijf. De [appellante sub 17] oefent op haar perceel een melkveehouderij uit. In de procedure tegen het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied Peel en Maas" had zij zich eveneens tegen de daarin opgenomen planregelingen voor deze percelen gekeerd, vanwege haar vrees voor belemmering van de bedrijfsvoering en haar uitbreidingsmogelijkheden. Zij is toen in het gelijk gesteld.

Algemeen

79. Ter zitting heeft de [appellante sub 17] haar beroepsgrond over de verschillen in de redactie van artikel 45 van de planregels ingetrokken.

[locatie 4]

80. Zoals hiervoor is overwogen is een strook van het perceel [locatie 4] opgenomen in het wijzigingsbesluit van 18 oktober 2016. Aan deze gronden is met dat besluit de bestemming "Agrarisch" toegekend.

80.1. Het beroep van de [appellante sub 17] tegen het bestemmingsplan richt zich wat betreft het perceel [locatie 4] tegen het ontbreken van een planregeling voor deze strook grond. De [appellante sub 17] wenst dat aan deze gronden een agrarische bestemming wordt toegekend. Met het wijzigingsbesluit is aan de bezwaren van de [appellante sub 17] geheel tegemoet gekomen, zoals ook door haar ter zitting is bevestigd. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb is voor de [appellante sub 17] geen beroep van rechtswege ontstaan tegen het wijzigingsbesluit.

80.2. Gelet op het voorgaande en omdat tegen het wijzigingsbesluit wat deze gronden betreft geen nieuwe beroepen zijn ingesteld, is het wijzigingsbesluit in zoverre onherroepelijk geworden. Hieruit volgt dat de voorgaande ruimtelijke plannen geen betekenis meer hebben voor de strook van het perceel [locatie 4] waarop het wijzigingsbesluit ziet.

Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de [appellante sub 17] geen belang meer heeft bij een inhoudelijke bespreking van haar beroep wat betreft het perceel [locatie 4], waarbij de Afdeling van belang acht dat ook niet anderszins van enig belang daarbij is gebleken. Het beroep van de [appellante sub 17] tegen het bestemmingsplan, voor zover dit zich richt tegen het perceel [locatie 4] te Kessel, is dan ook niet-ontvankelijk.

[locatie 37] en [locatie 38]

81. Omtrent de planregeling voor de percelen [locatie 37] en [locatie 38] betoogt de [appellante sub 17] dat de raad de gevolgen van de gekozen bestemmingsregeling voor haar bedrijf ten onrechte niet heeft bezien. Zij vreest dat haar bedrijfs- en uitbreidingsmogelijkheden hierdoor worden belemmerd. Volgens de [appellante sub 17] is voorts de bescherming van artikel 5, lid 5.4, onder a, van de planregels onvoldoende, omdat lid 5.4 geen verplichting voor het college inhoudt nadere eisen te stellen en het niet tevens bescherming biedt aan de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf.

81.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij in overeenstemming met zijn beleid uit de Structuurvisie Buitengebied Peel en Maas de bouwvlakken heeft vastgesteld zoals deze in het voorheen geldende bestemmingsplan waren toegekend. Ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan is er geen sprake van een uitbreiding van de bouwmogelijkheden voor geur- en hindergevoelige functies, aldus de raad. De raad erkent dat de omvang van de bouwvlakken niet overeenstemt met het huidige gebruik, maar ziet geen andere oplossing.

81.2. Aan de percelen [locatie 37] en [locatie 38] is de bestemming "Agrarisch -Grondgebonden" toegekend met voor beide percelen een bouwvlak dat zich over het gehele perceel uitstrekt.

Artikel 5, lid 5.1, onder a, van de planregels luidt: "De voor 'Agrarisch - Grondgebonden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. agrarisch bedrijfsmatig gebruik, in de vorm van een grondgebonden bedrijf, […];

b. wonen in een bedrijfswoning;

[…]."

Lid 5.2.1 luidt: "Op de voor 'Agrarisch - Grondgebonden' aangewezen gronden mogen uitsluitend ten behoeve van de in artikel 5.1 genoemde bestemming worden gebouwd: […]."

Lid 5.2.3, onder b, luidt: "de voorgevel van de bedrijfsgebouwen dient te worden gebouwd in of achter de bestaande voorgevelrooilijn, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn' de voorgevel moet worden gebouwd in of achter de aangeduide gevellijn;".

Lid 5.2.4, van de planregels luidt: "Voor het bouwen van bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

[…]

b. bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouw.

c. de voorgevel van de bedrijfswoning wordt gebouwd in of achter de bestaande voorgevelrooilijn;

[…]

f. bijbehorende bouwwerken worden op een afstand van minimaal 1 meter achter de bestaande voorgevelrooilijn gebouwd."

Lid 5.4, aanhef en onder a, luidt: "Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing en aan de inrichting van het bestemmingsvlak:

a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken."

Artikel 45, lid 45.1, aanhef en onder d, luidt: "Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken:

[…]

d. van de bepalingen omtrent voorgevelrooilijn ten behoeve van het bouwen van (bedrijfs)woningen en/of bedrijfsgebouwen voor of achter de bestaande voorgevelrooilijn, met dien verstande dat:

1. de afstand tot de bestemming 'Verkeer', 'Water' of 'Natuur' minimaal 3 meter bedraagt;

2. geen aantasting plaatsvindt van:

- de verkeersveiligheid;

- het woon- en leefklimaat;

- de milieusituatie;

- de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden;

- de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing."

81.3. De relevante wettelijke bepalingen uit de Wabo en het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) zijn opgenomen in bijlage 2. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

81.4. De raad hanteert als uitgangspunt dat in het plan aan percelen met een agrarische bestemming bouwvlakken van dezelfde omvang worden toegekend als in de voorheen geldende ruimtelijke plannen waren toegekend. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat hij dit uitgangspunt hanteert om de vestiging van agrarische bedrijven op deze percelen in het buitengebied mogelijk te houden. De Afdeling acht dit uitgangspunt in zijn algemeenheid niet onredelijk.

81.5. De Afdeling overweegt dat uit het deskundigenbericht volgt dat op het perceel [locatie 37] geen agrarisch bedrijf aanwezig is en dat het voor wonen wordt gebruikt. Dit gebruik is echter niet als zodanig bestemd. Nu ingevolge artikel 5, lid 5.2.1, van de planregels alleen ten behoeve van de bestemming mag worden gebouwd, kan voor dit perceel geen omgevingsvergunning voor het bouwen worden verleend. Dat kan immers alleen indien de bebouwing voor een agrarisch grondgebonden bedrijf wordt gebruikt. Ook kan op het perceel niet vergunningvrij bebouwing worden opgericht. Artikel 5, tweede lid, van bijlage II bij het Bor staat daaraan in de weg. Voor zover de [appellante sub 17] vreest voor het illegaal oprichten en gebruiken van bebouwing op het perceel [locatie 37], overweegt de Afdeling dat zij in dat geval het college van burgemeester en wethouders kan verzoeken daar handhavend tegen op te treden.

81.6. De Afdeling overweegt voorts dat de aan [locatie 37] toegekende bestemming mogelijk maakt dat dit perceel voor een agrarisch bedrijf wordt gebruikt. Uit het deskundigenbericht volgt dat op het perceel [locatie 38] een akkerbouwbedrijf aanwezig is. Het bestemmingsplan staat toe dat ten behoeve van bedrijfswoningen geurgevoelige objecten worden opgericht.

81.7. In het deskundigenbericht staat dat de woning op het perceel [locatie 37] op ongeveer 60 m van de rand van het bouwvlak van de [appellante sub 17] ligt. Van de gebouwen op de percelen [locatie 37] en [locatie 38] ligt deze woning het dichtst bij de rand van het bouwvlak van de [appellante sub 17].

De planregeling voor [locatie 37] staat niet toe dat dichter bij het bouwvlak van de [appellante sub 17] wordt gebouwd, omdat de voorgevelrooilijn van de woning op het perceel [locatie 37] vrijwel evenwijdig loopt aan het bouwvlak van de [appellante sub 17]. Voor zover de [appellante sub 17] betoogt dat de afwijkingsbevoegdheid van artikel 45, lid 45.1, aanhef en onder d, van de planregels mogelijk maakt dat toch voor de voorgevelrooilijn kan worden gebouwd, overweegt de Afdeling als volgt. Een van de voorwaarden uit voornoemde afwijkingsbevoegdheid is dat door de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van aangrenzende gronden niet mogen worden aangetast. Daarbij moet onder de aangrenzende gronden ook het perceel van de [appellante sub 17] worden verstaan. Weliswaar ligt tussen het perceel [locatie 37] en het perceel van de [appellante sub 17] een ontsluitingsweg, maar gelet op de ratio en de bedoeling van deze afwijkingsbevoegdheid, namelijk om naburige percelen tegen inbreuken te beschermen, en het landelijke karakter van het plangebied, moeten bij de toepassing van deze bepaling ook percelen waartussen een dergelijke weg ligt als aangrenzend worden aangemerkt. Van beperking van de gebruiks- en uitbreidingsmogelijkheden op het perceel van de [appellante sub 17] door de aan [locatie 37] toegekende bouwmogelijkheden kan dan ook geen sprake zijn.

Nu op het perceel [locatie 38] niet dichter bij het perceel van de [appellante sub 17] kan worden gebouwd dan op het perceel [locatie 37], kan van een beperking van de gebruiks- en uitbreidingsmogelijkheden op het perceel van de [appellante sub 17] vanwege [locatie 38] evenmin sprake zijn.

Het betoog faalt.

Gebruiksregels

82. De [appellante sub 17] betoogt voorts dat de planregeling waarmee volgens de raad negatieve gevolgen voor haar bedrijf kunnen worden voorkomen onvoldoende is. Zij wil dat in artikel 5, lid 5.5.4, van de planregels wordt opgenomen dat de verkoop van zelf voortgebrachte of streekeigen producten geen negatieve gevolgen mag hebben voor de gebruiks- en uitbreidingsmogelijkheden voor de omliggende bedrijven.

82.1. Artikel 5, lid 5.5.4, van de planregels luidt: "Verkoop van zelfvoortgebrachte of streekeigen producten als ondergeschikte nevenactiviteit is toegestaan tot een maximale oppervlakte van 25% van het vloeroppervlak van de totale bestaande bebouwing, tot maximaal 100 m²."

82.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU7032), is het opnemen van een nader afwegingsmoment wat betreft de in het plan gegeven bouw- en gebruiksmogelijkheden in beginsel niet aanvaardbaar. De ruimtelijke gevolgen van de in het plan gegeven bouw- en gebruiksmogelijkheden moeten bij de planvaststelling zijn beoordeeld en aanvaardbaar geacht.

De Afdeling overweegt dat het opnemen van de door de [appellante sub 17] gewenste voorwaarde in artikel 5, lid 5.5.4, van de planregels tot gevolg zou hebben dat de planologische mogelijkheid van de verkoop van zelf voortgebrachte en streekeigen producten afhankelijk wordt gesteld van een nadere beoordeling van de effecten daarvan. Naar het oordeel van de Afdeling is hiermee sprake van een nader afwegingsmoment omtrent het toegestane grondgebruik. Het plan zou, in het licht van de uitspraak van 1 december 2011, daarmee onvoldoende zekerheid bieden over het antwoord op de vraag of de verkoop van zelf voortgebrachte of streekeigen producten op gronden met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" is toegestaan. Het opnemen van een dergelijke voorwaarde zou in strijd zijn met het stelsel van de Wro.

Het betoog faalt.

Afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden

83. De [appellante sub 17] vreest dat artikel 45, lid 45.1 en lid 45.3, van de planregels onvoldoende bescherming bieden aan haar bedrijf, omdat dit niet op gronden ligt die grenzen aan de percelen [locatie 37] en [locatie 38]. Haar perceel en de percelen [locatie 37] en [locatie 38] worden van elkaar gescheiden door een weg. Ditzelfde geldt volgens haar voor de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 5, lid 5.6.1, onder j en sub 4.

83.1. Artikel 5, lid 5.6.1, van de planregels luidt: "Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, ter plaatse van de aanduiding, 'wetgevingzone - wijzigingsgebied 1 ob', 'wetgevingzone - wijzigingsgebied 2 ko', 'wetgevingzone - wijzigingsgebied 3 bd', 'wetgevingzone - wijzigingsgebied 4 go' en 'wetgevingzone - wijzigingsgebied 5 gv' de bestemming te wijzigen ten behoeve van de vergroting van een bouwvlak binnen een bestemmingsvlak voor een grondgebonden agrarisch bedrijf, mits:

[…]

j. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

1. het woon- en leefklimaat;

2. de milieusituatie;

3. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden;

4. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing;

k. voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 5."

Artikel 45, lid 45.3, luidt: "Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van de bepalingen in het plan ten aanzien van en toestaan dat de bestaande inhoud van de (bedrijfs)woning en/of bijbehorende bouwwerken éénmalig met 100 m³ wordt vergroot, met dien verstande dat:

[…]

b. geen aantasting plaatsvindt van:

[…]

5. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing."

83.2. Zoals de Afdeling hiervoor in 81.7 heeft overwogen moet bij de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid uit artikel 45, lid 45.1, aanhef en onder d, van de planregels onder de aangrenzende gronden, zoals bedoeld in voornoemd artikel, van de percelen [locatie 37] en [locatie 38] ook het perceel van de [appellante sub 17] worden verstaan. Ditzelfde geldt voor de term aangrenzende gronden in lid 45.3, aanhef en onder b, sub 5, en in artikel 5, lid 5.6.1, aanhef en onder j, sub 4. Bij de toepassing van deze wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden mogen de gebruiks- respectievelijk de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de [appellante sub 17] derhalve niet worden aangetast.

Het betoog faalt.

Conclusie

84. Gelet op het voorgaande is het beroep van de [appellante sub 17] tegen het bestemmingsplan, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Proceskosten

85. Nu de raad wat betreft het perceel [locatie 4] geheel aan het beroep van de [appellante sub 17] tegemoet is gekomen ziet de Afdeling aanleiding de raad op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van de [appellante sub 17] te veroordelen.

Tevens ziet de Afdeling onder deze omstandigheden aanleiding de raad te gelasten het betaalde griffierecht aan de [appellante sub 17] te vergoeden.

Het beroep van de [appellante sub 18]

Inleiding

86. Het beroep van de [appellante sub 18] richt zich tegen de planregeling voor het perceel [locatie 39] te Grashoek. De [appellante sub 18] oefent op het naastgelegen perceel [locatie 36] te Grashoek een intensieve varkenshouderij uit. Zij vreest belemmering van haar gebruiks- en uitbreidingsmogelijkheden vanwege de planregeling voor [locatie 39].

Bedrijfswoning en bijbehorende bouwwerken

87. De [appellante sub 18] betoogt dat het gebouw op het perceel [locatie 39] ten onrechte is bestemd als een bedrijfswoning bij haar bedrijf, omdat het gebruik dat ervan wordt gemaakt daar niet mee overeenstemt. Volgens haar kan het daarom toch een belemmering vormen voor haar bedrijf. Ook betoogt zij dat ten onrechte bouwmogelijkheden voor geurgevoelige objecten en uitbreidingsmogelijkheden daarvoor zijn toegekend.

87.1. De raad stelt zich op het standpunt dat met de gekozen planregeling het gebouw op het perceel [locatie 39] geen belemmering kan opleveren voor de omliggende agrarische bedrijven.

87.2. Aan het perceel [locatie 39] is de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" toegekend. Het perceel ligt binnen hetzelfde bouwvlak als aan het bedrijf van de [appellante sub 18] op het perceel [locatie 36] is toegekend. Aan het perceel [locatie 39] is tevens de aanduiding "intensieve veehouderij uitgesloten" toegekend. Aan het gebouw op het perceel [locatie 39] is voorts nog de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - uitsterfconstructie wonen [locatie 39]" toegekend.

Lid 1.43 luidt: "bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak, met uitzondering van een overkapping."

Lid 1.88 luidt: "hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is."

Artikel 6, lid 6.1, luidt: " De voor 'Agrarisch - Intensieve veehouderij' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. agrarisch bedrijfsmatig gebruik, in de vorm van een intensieve veehouderij, al dan niet met als nevenactiviteit:

1. een grondgebonden bedrijfstak;

[…]

m. wonen in een bedrijfsgebouw door maximaal één huishouden, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - uitsterfconstructie wonen [locatie 39]' . Indien deze functie gedurende een aaneengesloten periode van één jaar niet meer ter plaatse is uitgeoefend, is uitoefening van deze functie niet meer is toegestaan."

Lid 6.2.1 luidt: "Op de voor 'Agrarisch - Intensieve veehouderij' aangewezen gronden mogen uitsluitend ten behoeve van de in artikel 6.1 genoemde bestemming worden gebouwd:

a. gebouwen ten behoeve van de in artikel 6.1 genoemde bestemming;

b. een bedrijfswoning;

c. bijbehorende bouwwerken;

d. bouwwerken, geen gebouw zijnde."

Lid 6.4.1, aanhef en onder f , luidt: "Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

[…]

f. een intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij uitgesloten'."

87.3. De Afdeling overweegt dat nu aan het perceel [locatie 39] de aanduiding "intensieve veehouderij uitgesloten" is toegekend, ter plaatse geen intensieve veehouderij mogelijk is. Ook is geen ander bedrijfsmatig gebruik toegestaan, nu dit alleen ondergeschikt aan de hoofdbestemming is toegestaan en de hoofdbestemming is uitgesloten. Gelet op de definitie van bedrijfswoning in dit plan is ter plaatse dan ook geen bedrijfswoning mogelijk.

Ook is het bouwen van bijbehorende bouwwerken op het perceel [locatie 39] niet mogelijk. Aan de onbebouwde ruimte op dit perceel is de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" toegekend met de aanduiding "intensieve veehouderij uitgesloten". Bijbehorende bouwwerken mogen alleen ten behoeve van de in artikel 6, lid 6.1, van de planregels genoemde bestemming gebouwd worden. Vanwege de aan de onbebouwde ruimte toegekende planregeling is ter plaatse geen enkel gebruik toegestaan. Deze gronden mogen dan ook niet ten behoeve van de in lid 6.1 genoemde bestemmingen gebruikt worden. Daarmee zijn bouwmogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken uitgesloten.

De betogen falen.

Uitsterfregeling

88. De [appellante sub 18] richt zich tevens tegen de uitsterfregeling voor het perceel [locatie 39]. Volgens haar heeft de raad daarbij ten onrechte niet haar belangen betrokken. De uitsterfregeling voorkomt niet dat het gebouw een geurgevoelig object is in de zin van de Wgv. Ook heeft de uitsterfregeling niet tot gevolg dat het gebruik van de woning binnen afzienbare tijd zal stoppen.

88.1. Aan het perceel [locatie 36] van de [appellante sub 18] is de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" toegekend, met aan alle gronden tevens een bouwvlak. Zij exploiteert aldaar een intensieve varkenshouderij. Aan een deel van haar perceel is de aanduiding "opslag" toegekend.

In het deskundigenbericht staat dat voor het perceel [locatie 36] een omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van een stal voor bijna 3.000 vleesvarkens. Voorts is niet in geschil dat voor deze uitbreiding ook een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu is verleend. Ook is van belang dat het plangebied in een concentratiegebied ligt in de zin van de Wgv.

88.2. Het bedrijf van de [appellante sub 18] valt onder de werking van de Wgv. Voor varkens is een geuremissiefactor vastgesteld. Niet in geschil is dat het perceel [locatie 39] buiten de bebouwde kom ligt.

Artikel 3, eerste lid, van de Wgv luidt: "Een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij wordt geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen:

[…]

b. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht;

[…]."

Het tweede lid luidt: "In afwijking van het eerste lid bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij:

[..]

b. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen."

88.3. De strook van het perceel [locatie 36] waaraan de aanduiding "opslag" is toegekend grenst aan het perceel [locatie 39]. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, onder q, van de planregels zijn deze gronden uitsluitend bestemd voor opslag. Aan de overige gronden voor het perceel [locatie 36] is deze aanduiding niet toegekend. Op deze gronden is de stal voor de bijna 3.000 vleesvarkens toegestaan. Deze gronden liggen op ongeveer 37 m afstand van het perceel [locatie 39] en op ongeveer 65 m van de gronden waaraan de uitsterfregeling is toegekend.

88.4. De Afdeling overweegt dat aan het gebouw op het perceel [locatie 39] de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - uitsterfconstructie wonen [locatie 39]" is toegekend en ingevolge deze aanduiding het gebouw een bedrijfsgebouw is dat bestemd is voor wonen. Er mag dan ook gewoond worden.

Dit gebouw behoort niet tot de inrichting van de [appellante sub 18] op het perceel [locatie 36], nu zij daarmee geen technische, organisatorische of functionele binding heeft. Gelet op de definitie van geurgevoelig object uit artikel 1 van de Wgv is het gebouw op het perceel [locatie 39] een geurgevoelig object ten opzichte van het bedrijf van de [appellante sub 18] op [locatie 36].

Vast staat dat de raad deze gevolgen van het plan niet heeft beoogd. Voorts acht de Afdeling van belang dat de raad niet heeft bezien in hoeverre het bestemmen van een geurgevoelig object op het perceel [locatie 39] de gebruiks- en uitbreidingsmogelijkheden voor het bedrijf van de [appellante sub 18] beperkt. Het is niet ondenkbaar dat de geurbelasting van het bedrijf op dit geurgevoelige object hoger is dan ingevolge de Wgv is toegestaan. Het is dan ook onduidelijk of en in hoeverre de gebruiks- en uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf van de [appellante sub 18] worden beperkt.

Het betoog van de raad dat de [appellante sub 18] al rekening moet houden met de woning op het perceel [locatie 40], zodat het gebouw op het perceel [locatie 39] haar niet kan belemmeren, kan niet slagen. Ter zitting is door de [appellante sub 18] onweersproken gesteld dat de woning op het perceel [locatie 40] op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, zodat daarvoor ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wgv een ander beschermingsregime geldt dan voor het gebouw op het perceel [locatie 39].

Het betoog van de [appellante sub 18] slaagt.

88.5. Omtrent de uitsterfregeling overweegt de Afdeling als volgt.

In de plantoelichting is vermeld waarom de raad is overgegaan tot het toekennen van een uitsterfregeling aan het bedrijfsgebouw op het perceel [locatie 39]. Er staat dat uit de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2014, zaak nr. ECLI:NL:RVS:2014:4653, blijkt dat de raad had moeten onderzoeken of het opnemen van een uitsterfconstructie mogelijk is. Er staat voorts dat het als zodanig bestemmen van de bewoning van het bedrijfsgebouw niet mogelijk is, omdat ter plaatse geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Voorts staat er dat het gebruik niet onder het overgangsrecht gebracht kan worden, omdat niet verwacht wordt dat het gebruik binnen de planperiode gestaakt zal worden. Er is niet gekozen voor het opnemen van persoonsgebonden overgangsrecht, omdat het toekennen van een uitsterfregeling mogelijk is, aldus de plantoelichting.

De Afdeling overweegt dat in haar voornoemde uitspraak van 24 december 2014 voor het perceel [locatie 39] is overwogen dat ter zitting door de raad is verklaard dat op het perceel [locatie 39] in 1965 een bouwvergunning is verleend voor de bouw van een bedrijfsruimte en dat niet in geschil is dat deze bebouwing in strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan in gebruik is genomen als woning. Het gebruik van het bedrijfsgebouw als woning is dan ook in strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan en dus illegaal. In voornoemde uitspraak is niet overwogen dat de raad dient te onderzoeken of het opnemen van een uitsterfregeling voor het perceel [locatie 39] mogelijk is. In geval van illegaal gebruik heeft het college van burgemeester en wethouders immers een beginselplicht tot handhaving. Daarbij komt dat met de toekenning van de uitsterfregeling aan de bewoning van het bedrijfsgebouw rechten worden toegekend, onder meer doordat het een geurgevoelig object wordt, en daarmee de belangen van de omliggende percelen kunnen worden geschaad. Niet is gebleken dat de raad deze gevolgen van het toekennen van de uitsterfregeling heeft bezien. Gelet hierop is het toekennen van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - uitsterfconstructie [locatie 39]" aan het gebouw op het perceel [locatie 39] niet met de daarbij vereiste zorgvuldigheid voorbereid en is het besluit in zoverre onvoldoende gemotiveerd.

Het betoog slaagt.

Conclusie

89. In hetgeen de [appellante sub 18] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - uitsterfconstructie wonen [locatie 39]" aan het perceel [locatie 39] te Grashoek is genomen in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Proceskosten

90. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van de [appellante sub 18] te worden veroordeeld.

Het beroep van de [appellante sub 19]

Inleiding

91. Het beroep van de [appellante sub 19] richt zich tegen de planregeling voor het perceel [locatie 41] te Beringe. Dit perceel grenst aan het perceel van de [appellante sub 19], dat op haar perceel een agrarisch bedrijf uitoefent. De [appellante sub 19] vreest dat haar gebruiks- en uitbreidingsmogelijkheden kunnen worden beperkt door de ontwikkelingsmogelijkheden die aan het perceel [locatie 41] zijn toegekend. Op dit perceel wordt geen agrarisch bedrijf uitgeoefend. Het is nu in gebruik voor bewoning.

Belemmering bedrijf bij bewoning [locatie 41]

92. De [appellante sub 19] betoogt dat aan het perceel [locatie 41] ten onrechte een ruim bouwvlak is toegekend. Omdat ter plaatse gewoond wordt is een dergelijk ruim bouwvlak niet nodig. Het geeft echter de mogelijkheid om ter plaatse bebouwing op te richten die voor geur- of hindergevoelige functies kan worden gebruikt, die de gebruiks- en uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf van de [appellante sub 19] beperken. De [appellante sub 19] wijst in dit kader ook op de mogelijkheid om ter plaatse vergunningvrij bebouwing op te richten.

92.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij in overeenstemming met het beleid dat hij hanteert de bouwvlakken heeft vastgesteld zoals deze in het voorheen geldende bestemmingsplan waren toegekend. Ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan is er geen sprake van een uitbreiding van de bouwmogelijkheden voor geur- en hindergevoelige functies, aldus de raad. De raad erkent dat de omvang van de bouwvlakken niet overeenstemt met het huidige gebruik, maar ziet geen andere oplossing.

92.2. Aan het perceel [locatie 41] is de bestemming "Agrarisch -Grondgebonden" toegekend met een bouwvlak dat zich over het gehele perceel uitstrekt.

92.3. De relevante wettelijke bepalingen uit de Wabo en het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) zijn opgenomen in bijlage 2. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

92.4. De raad hanteert als uitgangspunt dat in het plan aan percelen met een agrarische bestemming bouwvlakken van dezelfde omvang worden toegekend als in de voorheen geldende ruimtelijke plannen waren toegekend. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat hij dit uitgangspunt hanteert om de vestiging van agrarische bedrijven op deze percelen in het buitengebied mogelijk te houden. De Afdeling acht dit uitgangspunt in zijn algemeenheid niet onredelijk.

92.5. De Afdeling overweegt dat uit het deskundigenbericht volgt dat op het perceel [locatie 41] geen agrarisch bedrijf aanwezig is en dat het voor wonen wordt gebruikt. Dit gebruik is echter niet als zodanig bestemd. Nu ingevolge artikel 5, lid 5.2.1, van de planregels alleen ten behoeve van de bestemming mag worden gebouwd, kan voor dit perceel geen omgevingsvergunning voor het bouwen worden verleend. Dat kan immers alleen indien de bebouwing voor een agrarisch grondgebonden bedrijf wordt gebruikt. Ook kan op het perceel niet vergunningvrij bebouwing worden opgericht. Artikel 5, tweede lid, van bijlage II bij het Bor staat daaraan in de weg. Voor zover de [appellante sub 19] vreest voor het illegaal oprichten en gebruiken van bebouwing op het perceel [locatie 41], overweegt de Afdeling dat zij in dat geval het college van burgemeester en wethouders kan verzoeken daar handhavend tegen op te treden.

Het betoog faalt.

Belemmering bedrijf door agrarisch bedrijf [locatie 41]

93. De [appellante sub 19] betoogt voorts dat haar gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden kunnen worden belemmerd als op het perceel [locatie 41] een agrarisch bedrijf wordt opgericht. In dat kader wijst zij op de mogelijkheden om vergunningvrij bouwwerken op te richten en op de bescherming van artikel 5, lid 5.4, onder a, van de planregels. Volgens haar is deze bescherming onvoldoende, omdat lid 5.4 geen verplichting voor het college inhoudt nadere eisen te stellen en het niet tevens bescherming biedt aan de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf.

93.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het toekennen van het bouwvlak zoals dat in het voorheen geldende plan was toegekend in overeenstemming is met zijn beleid uit de Structuurvisie Buitengebied Peel en Maas. Volgens hem bieden wetgeving en jurisprudentie ook geen andere mogelijkheid. De raad stelt voorts dat eventuele belemmering van de omliggende agrarische functies wordt voorkomen doordat in de planregels is opgenomen dat aan huis verbonden beroepen en bedrijven en mantelzorgwoningen geen negatieve gevolgen mogen hebben voor de agrarische functies.

93.2. Aan het perceel van de [appellante sub 19] is de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" toegekend, met aan alle gronden tevens een bouwvlak.

In het deskundigenbericht staat dat de [appellante sub 19] een gemengd agrarisch bedrijf exploiteert, waar varkens worden gehouden en dat daarnaast een akkerbouw- en tuinbouwtak heeft. Op het bedrijf worden 1.453 varkens gehouden. Voorts is van belang dat het plangebied in een concentratiegebied in de zin van de Wgv ligt.

93.3. Het bedrijf van de [appellante sub 19] valt onder de werking van de Wgv. Voor varkens is een geuremissiefactor vastgesteld.

Artikel 5, lid 5.2.4, luidt: "Voor het bouwen van bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

b. bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;

[…]."

Lid 5.4 luidt: "Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing en aan de inrichting van het bestemmingsvlak:

a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;

[…]."

Artikel 6, lid 6.2.2, luidt: "Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels:

[…];

b. gebouwen, de bedrijfswoning, bijbehorende bouwwerken, bouwwerken, geen gebouw zijnde in de vorm van waterbassins, teeltondersteunende voorzieningen, sleuf- en mestsilo's en mestbassins mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, […]."

93.4. De Afdeling overweegt omtrent de mogelijkheid om vergunningvrij bouwwerken op te richten dat bouwwerken die ingevolge de voornoemde artikelen van het Bor zijn uitgezonderd van de vergunningplicht van artikel 2.1, eerste lid, onder a en onder c, van de Wabo, niet kunnen worden getoetst aan de regels van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan kan dan ook niet aan de mogelijkheid tot het oprichten van dergelijke bouwwerken in de weg staan.

93.5. Het bouwvlak op het perceel van de [appellante sub 19] ligt deels tegen het bouwvlak op het perceel [locatie 41] aan. De planregels staan toe dat overal binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 41] een bedrijfswoning en bijbehorende bouwwerken worden gebouwd. De planregels staan tevens toe dat overal binnen het bouwvlak voor het perceel van de [appellante sub 19] gebouwen voor een intensieve veehouderij worden gebouwd. Het zuidoostelijke deel van het perceel van de [appellante sub 19] dat deels ook grenst aan het perceel [locatie 41] is onbebouwd.

93.6. De Afdeling overweegt dat de omstandigheid dat het uitgangspunt van de raad voor de omvang van bouwvlakken op agrarische percelen in het buitengebied in zijn algemeenheid niet onredelijk is, niet wegneemt dat de raad in concrete gevallen dient te bezien of toepassing van dit uitgangspunt tot een redelijke uitkomst leidt. De raad heeft niet bezien in hoeverre de uitbreidingsmogelijkheden die aan het perceel van de [appellante sub 19] zijn toegekend in overeenstemming zijn met de bouwmogelijkheden voor geurgevoelige functies die aan het perceel [locatie 41] zijn toegekend. De beide bouwvlakken liggen tegen elkaar aan en er mag van uit worden gegaan dat wanneer de [appellante sub 19] gebruik maakt van haar uitbreidingsmogelijkheden, de geurcontour van haar bedrijf over het bouwvlak van het perceel [locatie 41] zal komen te liggen. De aanwezigheid van geurgevoelige objecten op de gronden waar deze geurcontour op zou komen te liggen zou deze uitbreidingsmogelijkheden beperken.

Met de nadere eisen-regeling uit artikel 5, lid 5.4, onder a, van de planregels kan dit echter niet ondervangen worden. Zoals de Afdeling reeds heeft geoordeeld in haar uitspraak van 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:432) mag de bevoegdheid om nadere eisen te stellen uitsluitend worden toegekend met het oog op incidentele gevallen, wanneer een aanvraag om vergunning daartoe aanleiding geeft, met het oog op een goede planologische inpassing van het bouwplan in het concrete geval, en mag deze niet voorzien in een regeling die wezenlijk afbreuk kan doen aan de bouwmogelijkheden waarin het bestemmingsplan bij recht voorziet. Aanwending van de bevoegdheid om nadere eisen te stellen op de door de raad beoogde wijze zou naar het oordeel van de Afdeling leiden tot een wezenlijke afbreuk van de bouwmogelijkheden, omdat op een deel van het bouwvlak op het perceel [locatie 41] de geurcontour van het bedrijf van de [appellante sub 19] ligt of zou komen te liggen.

Gelet op het voorgaande komt de Afdeling tot het oordeel dat de raad onvoldoende heeft bezien of en in hoeverre de bouwmogelijkheden op het perceel [locatie 41], wanneer aldaar een agrarisch bedrijf zou worden gevestigd, verenigbaar zijn met de bestaande uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf van de [appellante sub 19]. Het besluit is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Het betoog slaagt.

Conclusie

94. In hetgeen de [appellante sub 19] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het bouwvlak voor het perceel [locatie 41] te Beringe, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Proceskosten

95. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van de [appellante sub 19] te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellante sub 20] en anderen

Inleiding

96. [ appellante sub 20] en anderen hebben een bouwbedrijf. Op de percelen [locatie 42] en [locatie 43] te Kessel vindt opslag van materialen plaats. Ook is daar het kantoor van het bouwbedrijf gevestigd. In het voorheen geldende bestemmingsplan was aan deze percelen een bedrijfsbestemming toegekend. Met het bestemmingsplan en het wijzigingsbesluit is aan deze percelen een woonbestemming toegekend. [appellante sub 20] en anderen vrezen dat deze bestemming de opmaat is naar beperking van de bedrijfsmogelijkheden op hun percelen. Zij willen graag de garantie dat hun bedrijfsuitoefening nog steeds is toegestaan.

Het beroep tegen het wijzigingsbesluit

97. Met het wijzigingsbesluit is onder meer de planregeling voor de percelen [locatie 42] en [locatie 43] te Kessel gewijzigd. Daarmee is echter niet geheel tegemoet gekomen aan het beroep van [appellante sub 20] en anderen. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb moet het beroep van [appellante sub 20] en anderen geacht worden mede te zijn gericht tegen het wijzigingsbesluit.

97.1. [appellante sub 20] en anderen betogen dat met het wijzigingsbesluit ten onrechte geen bedrijfsbestemming aan hun percelen is toegekend. Zij wensen dat de huidige bedrijfsuitoefening mogelijk blijft en wijzen erop dat hun percelen zonder bedrijfsbestemming niet goed verkoopbaar zijn.

97.2. Aan de percelen [locatie 1], [locatie 42] en [locatie 43] is de bestemming "Wonen" toegekend, met een bouwvlak. Aan de percelen [locatie 42] en [locatie 43] zijn tevens twee vlakken met de aanduiding "opslag" toegekend, waarbij aan één vlak ook de aanduiding "kantoor" is toegekend.

Artikel 5, lid 5.1, van de planregels van het wijzigingsplan luidt: "De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen;

b. kantoor, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kantoor';

c. opslag, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'opslag';

d. atelier, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'atelier';

[…]."

97.3. Ter zitting hebben [appellante sub 20] en anderen toegelicht dat op de percelen [locatie 42] en [locatie 43] niet de feitelijke werkzaamheden van het bouwbedrijf plaatsvinden. Op de percelen worden de bouwmaterialen in de aldaar aanwezige loodsen opgeslagen en vindt in het kantoor de administratie plaats.

De Afdeling overweegt dat het huidige gebruik van de percelen voor het bouwbedrijf van [appellante sub 20] en anderen met de toegekende planregeling is toegestaan. De raad heeft aangesloten bij de feitelijke situatie op de percelen. Hij heeft in dit geval in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het behoud van de bestaande situatie dan aan het belang van [appellante sub 20] en anderen bij de mogelijkheden die een bedrijfsbestemming biedt. Daarbij heeft de raad in aanmerking mogen nemen dat de bedrijfsactiviteiten van [appellante sub 20] en anderen niet op deze percelen plaatsvinden, zodat de voorheen toegekende bedrijfsbestemming niet verwezenlijkt was. Evenmin is gebleken van concrete plannen van [appellante sub 20] en anderen om ter plaatse een bedrijf uit te oefenen. Dat een perceel met een bedrijfsbestemming beter verkoopbaar is doet aan het voorgaande niet af, nu dit geen belang is dat de raad in het kader van een goede ruimtelijke ordening in zijn afwegingen dient te betrekken.

Het betoog faalt.

Conclusie wijzigingsbesluit

98. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 20] en anderen tegen het wijzigingsbesluit ongegrond.

Het beroep tegen het bestemmingsplan

99. Het beroep van [appellante sub 20] en anderen tegen het bestemmingsplan richt zich ook tegen de aan [locatie 42] en [locatie 43] toegekende woonbestemming. Het wijzigingsbesluit ziet ook op deze percelen. Nu gelet op 51.3 het beroep van [appellante sub 20] en anderen tegen het wijzigingsbesluit ongegrond is, is het wijzigingsbesluit wat deze percelen betreft onherroepelijk geworden. Daaruit volgt dat het bestemmingsplan voor deze percelen geen betekenis meer heeft.

Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat [appellante sub 20] en anderen geen belang meer hebben bij een inhoudelijke bespreking van hun beroep tegen het bestemmingsplan, waarbij de Afdeling van belang acht dat ook niet anderszins van enig belang daarbij is gebleken. Het beroep van [appellante sub 20] en anderen tegen het bestemmingsplan is dan ook niet-ontvankelijk.

Proceskosten

100. De raad is met het wijzigingsbesluit gedeeltelijk aan het beroep van [appellante sub 20] tegemoet gekomen. De Afdeling ziet daarin aanleiding de raad op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellante sub 20] te veroordelen.

Tevens ziet de Afdeling onder deze omstandigheden aanleiding de raad te gelasten het betaalde griffierecht aan [appellante sub 20] te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van de hierna vermelde appellanten tegen het besluit van de raad van de gemeente Peel en Maas van 15 december 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "1e reparatieherziening bestemmingsplan buitengebied" niet-ontvankelijk:

a. [appellant sub 8];

b. [appellant sub 16], voor zover dit is gericht de aanduiding "maximum bebouwd oppervlak: 3000 m²" aan de gronden voor het Sandton Chateau De Raay;

c. [appellante sub 17], voor zover dit is gericht tegen het perceel [locatie 4] te Kessel;

d. [appellante sub 20] en anderen;

II. verklaart de beroepen van de hierna vermelde appellanten tegen het besluit van de raad van de gemeente Peel en Maas van 15 december 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "1e Reparatieherziening bp. Buitengebied Peel en Maas" gegrond:

a. [appellant sub 3];

b. [appellant sub 5];

c. [appellant sub 6];

d. [appellante sub 7];

e. [appellant sub 9];

f. [appellant sub 13];

g. [appellante sub 14A] en [appellant sub 14B];

h. [appellante sub 15];

i. [appellant sub 16], voor zover ontvankelijk;

j. [appellante sub 18];

k. [appellante sub 19];

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Peel en Maas van 15 december 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "1e reparatieherziening bestemmingsplan buitengebied", voor zover het betreft:

a. het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" wat betreft het perceel [locatie 9] ([appellant sub 3]);

b. het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel [locatie 15] ([appellant sub 5]);

c. het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel [locatie 18] ([appellant sub 6]);

d. het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel [locatie 19] ([appellante sub 7]);

e. het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel [locatie 3] ([appellant sub 9]);

f. artikel 44, lid 44.6.2, van de planregels ([appellant sub 13] en [appellante sub 14A] en anderen);

g. het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 29] te Grashoek ([appellant sub 13]);

h. de aanduiding "specifieke vorm van wonen - uitsterfconstructie" voor het perceel [locatie 28] te Grashoek ([appellante sub 15]);

i. artikel 13, lid 13.5.1, wat betreft de zinsnede "nieuwe bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'groen' en bestaande bebouwing" ([appellant sub 16]);

j. de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - uitsterfconstructie wonen [locatie 39]" voor het perceel [locatie 39] te Grashoek ([appellante sub 18]);

k. het bouwvlak voor het perceel [locatie 41] te Beringe ([appellante sub 19]);

IV. bepaalt dat in artikel 13, lid 13.5.1, aanhef, van de planregels ter plaatse van de vernietigde zinsnede "nieuwe bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'groen' en bestaande bebouwing" de volgende zinsnede wordt ingevoegd: "nieuwe en bestaande bebouwing ter plaatse van de aanduiding ‘groen’";

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 15 december 2015;

VI. verklaart het beroep van de volgende appellanten tegen het besluit van de raad van de gemeente Peel en Maas van 15 december 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "1e reparatieherziening bestemmingsplan buitengebied" ongegrond:

a. [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B];

b. [appellant sub 2];

c. [appellant sub 4];

d. [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B];

e. [appellant sub 11];

f. [appellant sub 11A] en [appellante sub 11B];

g. [appellante sub 17], voor zover ontvankelijk;

VII. verklaart het beroep van [appellant sub 9] tegen het besluit van de raad van de gemeente Peel en Maas van 18 oktober 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "3e reparatieherziening bestemmingsplan buitengebied Peel en Maas" gegrond:

VIII. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Peel en Maas van 18 oktober 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "3e reparatieherziening bestemmingsplan buitengebied Peel en Maas", voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor het perceel [locatie 3] ([appellant sub 9]);

IX. verklaart het beroep van de volgende appellanten tegen het besluit van de raad van de gemeente Peel en Maas van 18 oktober 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "3e reparatieherziening bestemmingsplan buitengebied Peel en Maas" ongegrond:

a. [appellant sub 8];

b. [appellante sub 20] en anderen;

X. draagt de raad van de gemeente Peel en Maas op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen III, IV en VIII worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

XI. veroordeelt de raad van de gemeente Peel en Maas tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten ten aanzien van:

- [ appellant sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [ appellant sub 5] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [ appellant sub 6] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.237,50 (zegge: twaalfhonderdzevenendertig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [ appellant sub 8] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.289,00 (zegge: twaalfhonderdnegenentachtig euro), waarvan € 1.237,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [ appellant sub 13] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.237,50 (zegge: twaalfhonderdzevenendertig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [ appellante sub 14A] en [appellant sub 14B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.237,50 (zegge: twaalfhonderdzevenendertig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [ appellante sub 15] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.289,00 (zegge: twaalfhonderdnegenentachtig euro), waarvan € 1.237,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [ appellante sub 18] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.287,40 (zegge: twaalfhonderdzevenentachtig euro en veertig cent), waarvan € 1.237,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [ appellante sub 19] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.287,40 (zegge: twaalfhonderdzevenentachtig euro en veertig cent), waarvan € 1.237,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [ appellante sub 20] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.290,60 (zegge: twaalfhonderdnegentig euro en zestig cent), waarvan € 1.237,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XII. gelast dat de raad van de gemeente Peel en Maas aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

- € 168,00 ( zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 3];

- € 168,00 ( zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 5];

- € 168,00 ( zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 6];

- € 168,00 ( zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellante sub 7];

- € 168,00 ( zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 8];

- € 168,00 ( zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 9];

- € 168,00 ( zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 13]

- € 334,00 ( zegge: driehonderdvierendertig euro) voor [appellante sub 14A] en [appellant sub 14B];

- € 334,00 ( zegge: driehonderdvierendertig euro) voor [appellante sub 15];

- € 334,00 ( zegge: driehonderdvierendertig euro) voor [appellante sub 18];

- € 334,00 ( zegge: driehonderdvierendertig euro) voor [appellante sub 19];

- €334,00 ( zegge: driehonderdvierendertig euro) voor [appellante sub 20] en anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y. Verhage, griffier.

w.g. Hagen w.g. Verhage

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2017

655. 749.

Bijlage 1: Van belang zijnde wetsbepalingen bij de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 8], [appellant sub 9] en [appellant sub 10]

Artikel 1.1a van de Wabo

1. Een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting, die op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning door een derde bewoond mag worden, wordt met betrekking tot die inrichting voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen beschouwd als onderdeel van die inrichting, tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder landbouwinrichting verstaan: inrichting waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten, zijnde het telen of kweken van landbouwgewassen of het fokken, mesten, houden of verhandelen van landbouwhuisdieren, dan wel activiteiten die daarmee verband houden worden verricht.

Artikel 3 van de Wgv

1. Een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij wordt geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen:

a. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht;

b. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht;

c. buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht;

d. buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht."

2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij:

a. ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en

b. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Artikel 6 van de Wgv

1. Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de desbetreffende waarde, genoemd in artikel 3, eerste lid, met dien verstande dat deze andere waarde:

a. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 odour unit per kubieke meter lucht en niet meer dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht;

b. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht en niet meer dan 35,0 odour units per kubieke meter lucht;

c. buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 odour unit per kubieke meter lucht en niet meer dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht;

d. buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht en niet meer dan 20,0 odour units per kubieke meter lucht.

2. Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat een bij die verordening vast te stellen andere waarde of afstand als bedoeld in artikel 3 of 4 van toepassing is voor geurgevoelige objecten die onderdeel hebben uitgemaakt van een veehouderij."

3. Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere afstand van toepassing is dan de afstand, genoemd in artikel 4, eerste lid, met dien verstande dat deze:

a. ten minste 50 meter bedraagt indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en

b. ten minste 25 meter bedraagt indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen."

Bijlage 2: Van belang zijnde wetsbepalingen uit de Wabo en het Besluit omgevingsrecht bij de beroepen van de [appellante sub 17] en de [appellante sub 19]

Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

[…]

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan,[…].

Artikel 2 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht

Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op:

1. gewoon onderhoud van een bouwwerk, voor zover detaillering, profilering en vormgeving van dat bouwwerk niet wijzigen;

2. werkzaamheden ingevolge een besluit als bedoeld in artikel 13, 13a of 13b van de Woningwet;

3. een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:

1°. 5 m,

2°. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, en

3°. het hoofdgebouw,

b. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:

1°. indien hoger dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule:

maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3;

2°. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het betreft huisvesting in verband met mantelzorg,

c. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn,

d. de ligging van een verblijfsgebied als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012, in geval van meer dan een bouwlaag, uitsluitend op de eerste bouwlaag,

e. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte,

f. de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan:

1°. in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied,

2°. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2,

3°. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2,

g. niet aan of bij:

1°. een woonwagen,

2°. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor het bouwen daarvan is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning aangegeven termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand hersteld te hebben,

3°. een bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf door één huishouden;

4. een dakkapel in het achterdakvlak of een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. voorzien van een plat dak,

b. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m,

c. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet,

d. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok,

e. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak, en

f. niet op:

1°. een woonwagen,

2°. een gebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor het bouwen daarvan is bepaald dat het slechts voor een bepaalde periode in stand mag worden gehouden, of

3°. een bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf door één huishouden;

5. een dakraam, daklicht, lichtstraat of soortgelijke daglichtvoorziening in een dak, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. indien in het achterdakvlak, een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak of een plat dak, de constructie niet meer dan 0,6 m buiten het dakvlak respectievelijk het platte dak uitsteekt,

b. indien in een ander dakvlak dan bedoeld in onderdeel a,

1°. de constructie niet buiten het dakvlak uitsteekt, of

2°. ingeval geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, de constructie niet meer dan 0,6 m buiten het dakvlak uitsteekt, en

c. zijkanten, onder- en bovenzijde meer dan 0,5 m van de randen van het dakvlak of het platte dak;

6. een collector voor warmteopwekking of een paneel voor elektriciteitsopwekking op een dak, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. indien op een schuin dak:

1°. binnen het dakvlak,

2°. in of direct op het dakvlak, en

3°. hellingshoek gelijk aan hellingshoek dakvlak,

b. indien op een plat dak: afstand tot de zijkanten van het dak ten minste gelijk aan hoogte collector of paneel, en

c. indien de collector of het paneel niet één geheel vormt met de installatie voor het opslaan van het water of het omzetten van de opgewekte elektriciteit: die installatie aan de binnenzijde van een bouwwerk is geplaatst;

7. een kozijn, kozijninvulling of gevelpaneel, mits in de achtergevel, of een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een hoofdgebouw, dan wel in een gevel van een bijbehorend bouwwerk, voor zover die gevel is gelegen in achtererfgebied op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;

8. een zonwering, rolhek, luik of rolluik aan of in een gebouw, mits bij een rolhek, luik of rolluik in een voorgevel of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een ander hoofdgebouw dan een woning of woongebouw, wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. geplaatst aan de binnenzijde van de uitwendige scheidingsconstructie, en

b. voor ten minste 75% voorzien van glasheldere doorkijkopeningen;

9. een afscheiding tussen balkons of dakterrassen;

10. tuinmeubilair, mits niet hoger dan 2,5 m;

11. een sport- of speeltoestel voor uitsluitend particulier gebruik, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 2,5 m, en

b. uitsluitend functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens;

12. een erf- of perceelafscheiding, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 1 m, of

b. niet hoger dan 2 m, en

1°. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie staat,

2°. achter de voorgevelrooilijn, en

3°. op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;

13. een constructie voor het overbruggen van een terreinhoogteverschil van niet meer dan 1 m die niet hoger is dan het aansluitende afgewerkte terrein;

14. een vlaggenmast op een erf, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 6 m, en

b. maximaal één mast per erf;

15. een antenne-installatie ten behoeve van mobiele telecommunicatie op of aan een bouwwerk, met inbegrip van een hekwerk ter beveiliging van een zodanige antenne-installatie op of aan een bouwwerk als bedoeld in onderdeel a, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. indien op of aan een hoogspanningsmast, wegportaal, reclamezuil, lichtmast, windmolen, sirenemast dan wel een niet van een bouwwerk deel uitmakende schoorsteen, of op een antenne- installatie als bedoeld in onderdeel 16 dan wel een antenne- installatie voor het bouwen waarvan een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet is vereist:

1°. de antenne, met antennedrager, gemeten vanaf de voet, niet hoger dan 5 m, en

2°. de antenne hoger geplaatst dan 3 m, gemeten vanaf het bij het bouwwerk aansluitende afgewerkt terrein,

b. indien op of aan een ander bouwwerk, dan bedoeld in onderdeel a:

1°. de antenne, met antennedrager, gemeten vanaf de voet, niet hoger dan 0,5 m, of

2°. de antenne, met antennedrager, gemeten vanaf de voet, of indien bevestigd aan een gevel van een gebouw, gemeten vanaf het punt waarop de antenne, met antennedrager, het dakvlak kruist, niet hoger dan 5 m, en:

a. de antenne, met antennedrager, hoger geplaatst dan 9 m, gemeten vanaf het bij het bouwwerk aansluitende afgewerkt terrein,

b. de bedrading in of direct langs de antennedrager of inpandig is aangebracht, dan wel in een kabelgoot, mits deze kabelgoot meer dan 1 m achter de voorgevel is geplaatst, en

c. de antennedrager bij plaatsing op het dak van een gebouw:

1°. aan of bij een op het dak aanwezig object geplaatst,

2°. in het midden van het dak geplaatst, of

3°. elders op het dak geplaatst, mits de afstand in m tot de voorgevel van het bouwwerk ten minste gelijk is aan: 18 gedeeld door de hoogte waarop de antenne, met antennedrager, is geplaatst, gemeten vanaf het bij het gebouw aansluitende afgewerkt terrein tot aan de voet van de antenne, met antennedrager;

16. een antenne-installatie met bijbehorend opstelpunt ten behoeve van de C2000-infrastructuur voor de mobiele communicatie door hulpverleningsdiensten;

17. een andere antenne-installatie dan bedoeld in de onderdelen 15 en 16, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. de antenne-installatie achter het voorerfgebied geplaatst,

b. indien het een schotelantenne betreft:

1°. de doorsnede van de antenne niet meer dan 2 m, en

2°. de antenne, met antennedrager, gemeten vanaf de voet, niet hoger dan 3 m, of

c. indien het een andere antenne betreft dan bedoeld in onderdeel b: de antenne, met antennedrager, gemeten vanaf de voet, of indien deze is bevestigd aan de gevel, gemeten vanaf het punt waarop de antenne, met antennedrager, het dakvlak kruist, niet hoger dan 5 m;

18. een bouwwerk ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening, voor zover het betreft:

a. een bouwwerk ten behoeve van een nutsvoorziening, de waterhuishouding, het meten van de luchtkwaliteit, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

1°. niet hoger dan 3 m, en

2°. de oppervlakte niet meer dan 15 m2,

b. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, ten behoeve van het weren van voorwerpen die de veiligheid van het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer in gevaar kunnen brengen, ten behoeve van de beveiliging van een weg, spoor- of waterweg of een spoorweg- of luchtvaartterrein, of ten behoeve van verkeersregeling, verkeersgeleiding, handhaving van de verkeersregels, wegaanduiding, het opladen van accu’s van voertuigen, verlichting, tolheffing of het verschaffen van toegang tot het openbaar vervoer of openbaar vervoersgebouwen,

c. bovenleidingen met de bijbehorende draagconstructies of seinpalen,

d. ondergrondse buis- en leidingstelsels, met uitzondering van een buisleiding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit externe veiligheid buisleidingen,

e. een container voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

1°. niet hoger dan 2 m, en

2°. indien bovengronds geplaatst: de oppervlakte niet meer dan 4 m2,

f. een elektronische sirene ten behoeve van het waarschuwen van de bevolking bij calamiteiten of de dreiging daarvan, alsmede de daarbij behorende bevestigingsconstructie,

g. straatmeubilair;

19. een magazijnstelling die uitsluitend steunt op een vloer van het gebouw waarin zij wordt geplaatst, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet lager dan 3 m en niet hoger dan 8,5 m, en

b. de magazijnstelling niet is voorzien van een verdiepingsvloer of loopbrug;

20. een bouwkeet, bouwbord, steiger, heistelling, hijskraan, damwand of andere hulpconstructie die functioneel is voor een bouw-, onderhouds- of sloopactiviteit, een tijdelijke werkzaamheid in de grond-, weg- of waterbouw of een tijdelijke werkzaamheid op land waarop het Besluit algemene regels milieu mijnbouw van toepassing is, mits geplaatst op of in de onmiddellijke nabijheid van het terrein waarop die activiteit of werkzaamheid wordt uitgevoerd;

21. een ander bouwwerk in voor- of achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 1 m, en

b. de oppervlakte niet meer dan 2 m2;

22. het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 3 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht

Een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet is niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op:

1. een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 5 m,

b. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn,

c. de ligging van een verblijfsgebied als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012, in geval van meer dan een bouwlaag, uitsluitend op de eerste bouwlaag, en

d. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;

2. een op de grond staand bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 5 m, en

b. de oppervlakte niet meer dan 70 m2;

3. een dakkapel in het voordakvlak, een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak of, voor zover het betreft een bouwwerk als bedoeld in artikel 2, onderdeel 4, onder f, het achterdakvlak, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. redelijke eisen van welstand zijn niet van toepassing;

b. voorzien van een plat dak,

c. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m,

d. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet,

e. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok, en

f. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak;

4. een sport- of speeltoestel anders dan voor uitsluitend particulier gebruik, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 4 m, en

b. uitsluitend functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens;

5. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening, dan wel vijver op het erf bij een woning of woongebouw, mits deze niet van een overkapping is voorzien;

6. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied ten behoeve van agrarische bedrijfsvoering, voor zover het betreft:

a. een silo, of

b. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m;

7. een buisleiding waarop artikel 2, onderdeel 18, niet van toepassing is;

8. een verandering van een bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. geen verandering van de draagconstructie,

b. geen verandering van de brandcompartimentering of beschermde subbrandcompartimentering,

c. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte, en

d. geen uitbreiding van het bouwvolume.

Artikel 5, tweede lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht

De artikelen 2 en 3 zijn niet van toepassing op een activiteit die plaatsvindt in, aan, op of bij een bouwwerk dat in strijd met artikel 2.1 van de wet is gebouwd of wordt gebruikt.