Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:861

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
201601377/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Veegplan Kom Borne" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1664
JOM 2018/239
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601377/1/R1.

Datum uitspraak: 29 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], beiden wonend te Borne,

en

de raad van de gemeente Borne,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Veegplan Kom Borne" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 8 november 2016 heeft de raad het plan gewijzigd vastgesteld.

[appellanten] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2017, waar [appellanten], vertegenwoordigd door O’Regan, en de raad, vertegenwoordigd door mr. H.J. Poffers en ing. J.F.J. Weghorst, zijn verschenen.

Overwegingen

Het plan en de beide besluiten

1.    Het plan heeft betrekking op een aantal locaties in de gemeente Borne en voorziet in actualisering van vigerende ruimtelijke plannen binnen de gemeente. Tevens maakt het plan kleinschalige, reeds vergunde ontwikkelingen mogelijk - zoals aan het Dorsetplein 4, waar zich een horecagelegenheid met een winterterras bevindt. Het Dorsetplein 4 viel eerder binnen het bestemmingsplan "Centrum". Het plan voorziet op deze locatie in een aanpassing van de begrenzing van het plandeel "Enkelbestemming Centrum -1" en een uitbreiding van het bouwvlak binnen dit plandeel. Tevens voorziet het plan op deze locatie in een uitbreiding van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - winterterras" binnen de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied".

1.1.    Vast staat dat de raad de zienswijze van [appellanten] niet heeft betrokken bij de vaststelling van het besluit van 15 december 2015. Om de zienswijze van [appellanten] alsnog bij de besluitvorming te betrekken, heeft de raad het besluit van 8 november 2016 genomen. De zienswijze heeft ertoe geleid dat de planregels ten opzichte van het besluit van 15 december 2015 gedeeltelijk zijn aangepast. Ten tijde van de gewijzigde vaststelling van het plan op 8 november 2016, was door [appellanten] al beroep bij de Afdeling ingesteld tegen het besluit van 15 december 2015. Met het besluit van 8 november 2016 is niet geheel tegemoetgekomen aan het beroep van [appellanten].

1.2.    Gelet op het vorenstaande heeft het beroep van [appellanten] tegen het besluit van 15 december 2015, ingevolge artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), van rechtswege mede betrekking op het besluit van 8 november 2016.

Inleiding

    2.    [appellanten] zijn eigenaren van een winkel met woning aan de [locatie A]. Dit perceel ligt op een afstand van ongeveer 8 m van het plangebied. Zij zijn het niet eens met het plan voor zover dat voorziet in een uitbreiding van het bouwvlak ten behoeve van het winterterras aan het Dorsetplein 4. Zij vinden dat het winterterras te diep is en daardoor afbreuk doet aan de zichtlijn vanuit de Grotestraat. Verder stellen zij dat het plan op dit punt niet past binnen de planregels en dat de raad zich in de plantoelichting ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de beeldkwaliteit en de verkeersveiligheid in de omgeving ondanks het plan gewaarborgd blijven. [appellanten] wijzen er tevens op dat de aanleg van het winterterras ertoe heeft geleid dat parkeervakken die voor de [locatie A] waren gesitueerd zijn verwijderd, hetgeen voor hen nadelige gevolgen heeft. Zo kunnen de klanten van de winkel aan de [locatie A] niet meer voor de deur parkeren en kan het laden en lossen niet meer vanaf die parkeerplaats plaatsvinden.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep

4.    [appellanten] richten zich in de eerste plaats tegen de begrenzing van het plandeel "Enkelbestemming Centrum -1" en de uitbreiding van het bouwvlak ter plaatse van het Dorsetplein 4. Zij betogen dat deze er ten onrechte toe leiden dat de diepte van het winterterras wordt gemeten vanaf de buitenzijde van de uitbouw die aan het gebouw op dit perceel is gerealiseerd, en niet vanaf de buitenzijde van de oorspronkelijke muur. Wanneer wordt gemeten vanaf de buitenzijde van de oorspronkelijke muur bedraagt de diepte van het winterterras volgens [appellanten] 4,78 m en niet, zoals de raad stelt, 4,5 m.

4.1    De raad stelt zich op het standpunt dat de begrenzing van het plandeel "Enkelbestemming Centrum -1" en het bouwvlak ter plaatse van het perceel Dorsetplein 4 in het plan in overeenstemming zijn gebracht met de aanwezige en vergunde uitbouw. Volgens de raad moet voor het meten van de diepte van het winterterras daarom worden uitgegaan van de buitenzijde van de uitbouw. Als vanaf de buitenzijde van de uitbouw wordt gemeten, bedraagt de diepte van het winterterras 4,5 m.

4.2.    Artikel 15, lid 15.2.2, aanhef en onder 1, van de planregels bij het plan zoals vastgesteld bij het besluit van 8 november 2016 luidt: "Voor het bouwen van een overdekt terras, gelden de volgende regels: het bouwwerk aan het hoofdgebouw van de aangrenzende bestemming wordt gebouwd."

4.3.    Niet in geschil is dat de uitbouw van het gebouw op het perceel Dorsetplein 4 bij besluit van het college van burgemeester en wethouders van 24 september 2009 is vergund en derhalve legaal aanwezig is. Met betrekking tot legale bouwwerken staat voorop dat deze in beginsel, gelet op de rechtszekerheid, als zodanig dienen te worden bestemd. Een uitzondering op dit uitgangspunt kan slechts worden gemaakt als het als zodanig bestemmen van bestaande bebouwing niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij het toekennen van een andere bestemming aan deze bebouwing zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd, biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad de uitbouw aan het Dorsetplein 4 niet in redelijkheid als zodanig heeft kunnen bestemmen door aanpassing van de begrenzing van het plandeel "Enkelbestemming Centrum -1" en vergroting van het bouwvlak op dit perceel.

    Nu voorts ingevolge artikel 15, lid 15.2.2, onder 1, van de planregels bij het plan zoals vastgesteld bij het besluit van 8 november 2016, een overdekt terras aan het hoofdgebouw van de aangrenzende bestemming wordt gebouwd, heeft de raad de diepte van het winterterras terecht gemeten vanaf de buitenzijde van de uitbouw aan het gebouw op het Dorsetplein 4.

    Het betoog faalt.

5.    [appellanten] richten zich verder tegen de aanduiding "specifieke vorm van horeca - overdekt terras" in het plan. Zij betogen dat de omvang van het winterterras dat ter plaatse van deze aanduiding aanwezig is, zich niet verdraagt met artikel 9, lid 9.2.2, aanhef en onder c en d, van de planregels. Zij voeren hiertoe aan dat het winterterras niet ten minste 3 m achter de voorgevel is opgericht en dat de oppervlakte ervan groter is dan 50 m².

5.1.    Artikel 9, lid 9.2.2, aanhef en onder c en d, van de planregels bij het plan van zowel 15 december 2015 als het plan van 8 november 2016 luidt: "Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

c. bijbehorende bouwwerken dienen ten minste 3 meter achter de voorgevellijn te worden opgericht;

d. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 50% van het zij- en achtererf met een maximum van 50 m²."

5.2.    De Afdeling stelt vast dat het winterterras aan het Dorsetplein 4 is gelegen binnen de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied", waaraan ter plaatse van het terras de aanduiding "specifieke vorm van horeca - overdekt terras" is toegekend. Artikel 9, lid 9.2.2, aanhef en onder c en d, van de planregels heeft betrekking op gronden met de bestemming "Horeca" en is in zoverre niet op dit plan van toepassing, zodat het betoog van [appellanten] op dit punt feitelijke grondslag mist.

6.    [appellanten] betogen voorts dat de situering van het winterterras afbreuk doet aan de zichtlijn vanuit de Grotestraat en daarmee aan de historische route via de Grotestraat naar Oud-Borne. Volgens [appellanten] doet de situering tevens afbreuk aan de zichtbaarheid van hun winkel.

6.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de aanwezigheid van het winterterras geen afbreuk doet aan de historische route via de Grotestraat naar Oud-Borne. Voorts heeft de zichtbaarheid van de winkel van [appellanten] volgens de raad niet onaanvaardbaar te lijden onder de aanwezigheid van het winterterras. De reden hiervoor is volgens de raad gelegen in het Beeldkwaliteitsplan overdekte (winter)terrassen (hierna: Beeldkwaliteitsplan), dat op 12 november 2013 door de raad is vastgesteld. Hierin is bepaald dat winterterrassen open en transparant dienen te zijn. Het winterterras aan het Dorsetplein 4 is overeenkomstig het Beeldkwaliteitsplan gerealiseerd, zo stelt de raad, zodat de zichtlijn en de historische route in tact blijven en de winkel van [appellanten] evenmin aan het zicht wordt onttrokken.

6.2.    In het Beeldkwaliteitsplan is aangegeven op welke locaties winterterrassen zijn toegestaan en aan welke eisen deze moeten voldoen in verband met de beoogde beeldkwaliteit en de functioneel-ruimtelijke structuur van het centrum.     

    Het Dorsetplein 4 wordt in het Beeldkwaliteitsplan genoemd als locatie waar een winterterras is toegestaan. Ten behoeve van de beeldkwaliteit is in het Beeldkwaliteitsplan onder meer vereist dat winterterrassen een kwalitatief hoogwaardige uitstraling dienen te hebben. Voorts wordt de eis gesteld dat de constructie van de terrassen open en transparant is: de wanden van het winterterras dienen daartoe te bestaan uit transparante materialen, bijvoorbeeld glas.

    Uit de foto’s van het winterterras aan het Dorsetplein 4 blijkt dat alle wanden daarvan zijn vervaardigd uit transparante materialen.

6.3.    De Afdeling overweegt dat niet is uitgesloten dat de zichtlijn vanuit de Grotestraat en de zichtbaarheid van de winkel van [appellanten] als gevolg van het winterterras waarin het plan voorziet, enigszins zullen worden aangetast. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de zichtlijn vanuit de Grotestraat en de zichtbaarheid van de winkel van [appellanten] niet zodanig worden aangetast, dat hieraan een doorslaggevend belang moet worden toegekend. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de wanden van het winterterras aan het Dorsetplein 4 - in overeenstemming met het Beeldkwaliteitsplan - aan alle zijden uit transparant materiaal bestaan en dat de breedte van de Grotestraat vanaf de buitenzijde van het winterterras nog ongeveer 9 m bedraagt. Tevens neemt de Afdeling daarbij in aanmerking dat het Dorsetplein 4 en de [locatie A] zijn gelegen in een stedelijke omgeving, waar ontwikkelingen als de onderhavige niet ongebruikelijk zijn.

    Het betoog faalt.

7.    [appellanten] betogen verder dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het plan dient ter waarborging van de verkeersveiligheid. Zij voeren hiertoe aan dat de Grotestraat in verband met het winterterras autoluw is gemaakt, hetgeen ertoe heeft geleid dat de parkeerplaatsen die voor de winkel en de woning van [appellanten] aanwezig waren, zijn verwijderd. Dit heeft voor [appellanten] nadelige gevolgen, onder andere doordat klanten van de winkel hun auto niet meer voor de deur kunnen parkeren en zij niet meer voor de deur kunnen laden en lossen.

7.1.    De Afdeling stelt vast dat het college van burgemeester en wethouders van Borne ten behoeve van het autoluw maken van de Grotestraat op 22 april 2014 een verkeersbesluit heeft genomen. Hiertegen heeft afzonderlijk rechtsbescherming opengestaan, waarvan [appellanten] gebruik hebben gemaakt. Het verkeersbesluit van 22 april 2014 is thans in rechte onaantastbaar en kan ook overigens niet in deze procedure aan de orde komen, nu hierin slechts de besluiten van de raad tot vaststelling van het plan ter toetsing voorliggen.

    Het betoog faalt.

8.    Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 1.1 ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 15 december 2015 is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 15 december 2015, is gegrond, zodat dit besluit dient te worden vernietigd.

9.    Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4 tot en met 7.1 is het beroep tegen het besluit van 8 november 2016 ongegrond.

10.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Borne van 15 december 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Veegplan Kom Borne" gegrond;

II.    vernietigt het onder I. bedoelde besluit;

III.    verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Borne van 8 november 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Veegplan Kom Borne" ongegrond;

IV.    gelast dat de raad van de gemeente Borne aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Groen, griffier.

w.g. Michiels

lid van de enkelvoudige kamer    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2017

831.