Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:856

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
201602694/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juli 2014 heeft het college aan [belanghebbende A] en [belanghebbende B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [belanghebbende]) een vergunning met een geldigheidsduur van 5 jaar verleend voor het omzetten van de woning aan de [locatie 1] te Nieuwegein in vijf onzelfstandige woonruimten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602694/1/A3.

Datum uitspraak: 29 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Nieuwegein,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 maart 2016 in zaak nr. 15/371 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2014 heeft het college aan [belanghebbende A] en [belanghebbende B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [belanghebbende]) een vergunning met een geldigheidsduur van 5 jaar verleend voor het omzetten van de woning aan de [locatie 1] te Nieuwegein in vijf onzelfstandige woonruimten.

Bij besluit van 7 januari 2015 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 maart 2016 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 januari 2015 vernietigd en het college opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 19 september 2016 heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, het bezwaar van [appellanten] gegrond verklaard en de geldigheidsduur van de omzettingsvergunning gewijzigd in 2 jaar en 6 maanden.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] en [belanghebbende] beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2017, waar [appellanten], bijgestaan door mr. R.J. van Rijn, rechtsbijstandverlener te Leusden, [belanghebbende], bijgestaan door mr. H. Hiestand, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.A. Verhoef-Murray en drs. C. Hofstede, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [belanghebbende] is eigenaar van de woning aan de [locatie 1] te Nieuwegein. [appellanten] zijn eigenaar van de woning aan de [locatie 2]. Bij brief van 9 april 2014 heeft [belanghebbende] een aanvraag ingediend voor het verlenen van een vergunning voor het omzetten van zijn woning in vijf onzelfstandige woonruimten. Als reden voor het indienen van de aanvraag heeft [belanghebbende] toegelicht dat hij werk heeft gevonden in Limburg, dat hij daarheen gaat verhuizen en dat verkoop van de woning aan de [locatie 1] door de economische crisis lastig is geworden.

Besluiten 2 juli 2014 en 7 januari 2015

2.    Het college heeft de omzettingsvergunning verleend. Het heeft daaraan ten grondslag gelegd dat niet meer dan 10% van de gebouwen in de straat met dezelfde postcode wordt gebruikt voor kamerverhuur. Omdat deze 10%-norm, die is neergelegd in de Regionale Huisvestingsverordening Bestuur Regio Utrecht (hierna: de Huisvestingsverordening), niet is overschreden, is er geen aanleiding de verzochte vergunning te weigeren.

    In het besluit op bezwaar van 7 januari 2015 heeft het college de verlening van de omzettingsvergunning gehandhaafd en daarbij vermeld dat er geen reden bestaat om voorafgaand aan de vergunningverlening de overlast te beoordelen nu de 10%-norm niet is overschreden. In dit geval kan worden volstaan met handhaving achteraf, aldus het college.

Tussenuitspraak 6 oktober 2015 en einduitspraak rechtbank 10 maart 2016

3.    In de tussenuitspraak van 6 oktober 2015 heeft de rechtbank overwogen dat uit het besluit van 7 januari 2015 niet blijkt dat het college naar andere factoren dan de 10%-norm heeft gekeken, zoals volkshuisvestelijke belangen en de leefbaarheid, terwijl namens het college ter zitting is verklaard dat dat wel is gebeurd. Omdat het college geen nader onderzoek heeft gedaan naar de leefbaarheid in de straat, terwijl de signalen van [appellanten] daartoe wel aanleiding hadden moeten geven, berust het besluit niet op een deugdelijke motivering en is het onzorgvuldig voorbereid. De rechtbank heeft verder in haar tussenuitspraak overwogen dat het college in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld door bij de besluitvorming geen rekening te houden met de feitelijke overschrijding van de 10%-norm nu in het pand aan de [locatie 3] kamerverhuur plaatsvindt zonder dat daarvoor een omzettingsvergunning is verleend. De enkele toezegging dat alsnog zal worden gehandhaafd is volgens de rechtbank onvoldoende om dit gebrek te herstellen. De rechtbank heeft het college opgedragen alsnog onderzoek te doen naar de leefbaarheid in de straat en inzichtelijk te maken welke informatie bij de besluitvorming is betrokken. Indien het college bij de toets aan de 10%-norm uitgaat van het aantal verleende omzettingsvergunningen, dan dient het college bij de beoordeling van de leefbaarheid in ieder geval ook de feitelijke, niet-vergunde omzettingen te betrekken, voor zover het college niet daadwerkelijk handhaaft, aldus de rechtbank.

    In de einduitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het college in zijn aanvullende motivering naar aanleiding van de tussenuitspraak voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat onderzoek is verricht naar de leefbaarheid in de wijk en dat in zoverre de geconstateerde gebreken zijn hersteld. Het college is echter bij de toets aan de 10%-norm ten onrechte uitgegaan van het aantal verleende omzettingsvergunningen in plaats van het aantal feitelijke omzettingen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de illegale situatie op [locatie 3] nog altijd niet ongedaan is gemaakt. Weliswaar heeft het college daarmee een begin gemaakt, maar niet is gebleken dat het aantal feitelijke omzettingen inmiddels de 10%-norm niet meer overschrijdt. Daarmee is het geconstateerde zorgvuldigheidsgebrek nog altijd niet hersteld, zodat het besluit van 7 januari 2015 dient te worden vernietigd, aldus de rechtbank.

    De rechtbank heeft het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Besluit 19 september 2016

4.    Het besluit van 19 september 2016, dat het college ter uitvoering van de opdracht van de rechtbank heeft genomen wordt, gelet op artikel 6:24, gelezen in verbinding met artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding. De rechtbank heeft de beroepen van [appellanten] en [belanghebbende] gericht tegen dat besluit dan ook terecht aan de Afdeling doorgezonden. Het betoog van [belanghebbende] dat hierdoor een rechterlijke instantie wordt overgeslagen en hem derhalve een rechtsbeschermingsmogelijkheid wordt ontnomen, geeft op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat de Afdeling de beroepen niet bij de behandeling van het hoger beroep kan betrekken, nu zulks immers voortvloeit uit de strekking van voormelde bepalingen. De Afdeling acht geen omstandigheden aanwezig om de beroepen niet bij de behandeling van het hoger beroep te betrekken.

5.    Bij het besluit van 19 september 2016 heeft het college de geldigheidsduur van de aan [belanghebbende] verleende omzettingsvergunning beperkt tot 2 jaar en 6 maanden, hetgeen betekent dat deze op 9 januari 2017 vervalt. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat uit nieuw onderzoek is gebleken dat overlast wordt veroorzaakt door de arbeidsmigranten die kamers in de woning aan de [locatie 1] huren. Deze overlast raakt volgens het college de grens van wat redelijkerwijs toelaatbaar moet worden geacht in een woonwijk. Het college heeft voorts aan het besluit ten grondslag gelegd dat de woning aan de [locatie 3] niet is omgezet in onzelfstandige woonruimte, zodat het aantal feitelijke omzettingen de 10%-norm niet overschrijdt. Ook heeft het college in aanmerking genomen dat de woon- en werkomstandigheden van [belanghebbende] zijn gewijzigd, nu hij inmiddels in de Randstad werkt en woont, zodat het belang van [belanghebbende] om zijn woning aan de [locatie 1] te verhuren, is verminderd.

Hoger beroep [appellanten]

6.    In hoger beroep hebben [appellanten] aangevoerd dat de rechtbank een onjuiste proceskostenveroordeling heeft uitgesproken. Voorts hebben zij zich op het standpunt gesteld dat het college handhavend dient op te treden tegen de illegale situatie in de woning aan de [locatie 3], omdat dit voor overlast zorgt.

7.    [appellanten] hebben de hogerberoepsgrond inzake de proceskostenveroordeling ter zitting van de Afdeling ingetrokken. Deze grond behoeft derhalve geen bespreking meer.

8.    De Afdeling heeft ter zitting aan [appellanten] de vraag voorgelegd hoe hun standpunt ten aanzien van de situatie in de woning aan de [locatie 3] dient te worden begrepen en voorts welk belang zij nog hebben bij een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep.

    [appellanten] hebben te kennen gegeven dat het in dit geding ook gaat over een handhavingsprocedure van het college ten aanzien van de woning aan de [locatie 3]. Volgens [appellanten] zorgt de situatie in die woning voor veel overlast waartegen moet worden opgetreden.

    Anders dan [appellanten] stellen, gaat het in dit geding niet over een handhavingsprocedure van het college ten aanzien van de woning aan de [locatie 3]. In dit geding gaat het uitsluitend om het besluit van het college om aan [belanghebbende] een omzettingsvergunning te verlenen voor de woning aan de [locatie 1]. Het college heeft weliswaar de feitelijke situatie in de woning aan de [locatie 3] onderzocht en in zijn besluitvorming betrokken, maar uitsluitend voor de beoordeling of aan [belanghebbende] een omzettingsvergunning moet worden verleend. Een handhavingsbesluit ligt hier niet voor en met het instellen van hoger beroep kan het door [appellanten] beoogde doel niet worden bereikt.

    Het vorenstaande betekent dat [appellanten] geen rechtens te beschermen belang hebben bij een uitspraak op het hoger beroep, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Beroep [appellanten] tegen besluit 19 september 2016

9.    Ook in beroep hebben [appellanten] zich op het standpunt gesteld dat het college handhavend dient op te treden tegen de illegale situatie in de woning aan de [locatie 3], omdat deze voor overlast zorgt.

9.1.    De Afdeling heeft ter zitting aan [appellanten] de vraag voorgelegd welk belang zij nog hebben bij een inhoudelijke behandeling van het beroep tegen het besluit van 19 september 2016 nu de omzettingsvergunning na 18 januari 2017 van rechtswege is komen te vervallen.

9.2.    Ook ten aanzien van dit beroep hebben [appellanten] te kennen gegeven dat het in dit geding gaat over een handhavingsprocedure van het college ten aanzien van de woning aan de [locatie 3].        

    Zoals in 8 is overwogen, gaat het in dit geding niet over een handhavingsprocedure van het college ten aanzien van de woning aan de [locatie 3], maar uitsluitend om het besluit van het college om aan [belanghebbende] een omzettingsvergunning te verlenen voor de woning aan de [locatie 1]. Zoals gezegd ligt een handhavingsbesluit hier niet voor en met het instellen van beroep kan het door [appellanten] beoogde doel niet worden bereikt. Overigens heeft de gemachtigde van [appellanten] bij brief van 17 november 2016 de Afdeling bericht dat het college met het nieuwe besluit van 19 september 2016 de enige juiste beslissing heeft genomen.

    Gelet op het vorenstaande hebben [appellanten] geen rechtens te beschermen belang bij een uitspraak op hun beroep, zodat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Beroep [belanghebbende] tegen besluit 19 september 2016

10.    [belanghebbende] betoogt dat het college niet bevoegd is de geldigheidsduur van de omzettingsvergunning te wijzigen naar 2 jaar en 6 maanden nu een dergelijke bevoegdheid niet in de Huisvestingsverordening is opgenomen. De wijziging van de geldigheidsduur komt neer op een intrekking van de vergunning en dan had een aankondiging van deze intrekking moeten plaatsvinden overeenkomstig de Huisvestingsverordening.

10.1.    Ingevolge artikel 7:11 van de Awb dient in de bezwaarprocedure een volledige heroverweging van het bestreden besluit plaats te vinden. Dit kan betekenen dat het college na het opnieuw afwegen van alle belangen tot een ander oordeel komt. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het college gelet op deze integrale heroverweging niet bevoegd zou zijn om de geldigheidsduur van de omzettingsvergunning te beperken.

    Het betoog faalt.

11.    [belanghebbende] betoogt dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel en met het verbod van willekeur heeft gehandeld, omdat in de woning aan de [locatie 3] arbeidsmigranten wonen zonder dat daarvoor een vergunning is afgegeven. Het college treedt daar niet tegen op, terwijl in zijn situatie het college de geldigheidsduur van de omzettingsvergunning heeft beperkt, aldus [belanghebbende].

11.1.    In het besluit op bezwaar heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de woning aan de [locatie 3] wordt bewoond door een huishouden en dat de woning aldus als zelfstandige woonruimte wordt gebruikt. Het college heeft zich daarbij gebaseerd op de gegevens in de basisregistratie personen (hierna: brp) waaruit volgt dat sinds 27 januari 2016 een huishouden in de woning woont. Het college heeft voorts tweemaal een huisbezoek afgelegd en met de eigenaar van de woning gesproken.

    Het college mag in beginsel erop vertrouwen dat de gegevens in de brp juist zijn. Het college mocht er derhalve vanuit gaan dat de woning aan de [locatie 3] vanaf 27 januari 2016 wordt bewoond door een huishouden en dat de woning aldus als zelfstandige woonruimte wordt gebruikt. [belanghebbende] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de woning ten tijde van het besluit op bezwaar zonder vergunning is omgezet in onzelfstandige woonruimten en dat het college zijn situatie anders heeft behandeld. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur heeft gehandeld. De Afdeling betrekt daarbij dat de gemachtigden van het college ter zitting van de Afdeling desgevraagd hebben verklaard dat het college tot handhaving zal overgaan indien blijkt dat zich in de woning aan de [locatie 3] een illegale situatie voordoet.

    Het betoog faalt.

12.    [belanghebbende] betoogt voorts dat het college ten onrechte de geldigheidsduur van de omzettingsvergunning heeft beperkt tot 2 jaar en 6 maanden. Hij voert daartoe aan dat het college ten onrechte meldingen van overlast heeft toegeschreven aan de aanwezigheid van arbeidsmigranten in de woning aan de [locatie 1]. Volgens [belanghebbende] heeft het college onzorgvuldig onderzoek verricht door zich te baseren op gedateerde reacties van omwonenden. Het woon- en leefmilieu ten tijde van het nieuwe besluit op bezwaar verschilde niet van de situatie ten tijde van verlening van de omzettingsvergunning. Er is volgens [belanghebbende] geen structurele overlast, zodat zich geen ontoelaatbare inbreuk op het woon- en leefmilieu voordoet, aldus [belanghebbende].

12.1.    In de leefbaarheidstoets, die het college aan zijn besluit op bezwaar van 19 september 2016 ten grondslag heeft gelegd, is vermeld dat de gemeente bij brief van 7 juni 2016 de bewoners in de omgeving van de woning aan de [locatie 1] heeft aangeschreven met de vraag of er veranderingen zijn opgetreden in de woon- en leefsituatie ten opzichte van oktober 2015. Hierop zijn acht reacties ontvangen waaruit volgens het college blijkt dat de leefsituatie aan de Klingeburg is verslechterd. Zo melden buurtbewoners dat er regelmatig geluidsoverlast is vanuit [locatie 1], dat huisvuil is opgestapeld in de schuur hetgeen stankoverlast en overlast van ongedierte veroorzaakt en dat er stankoverlast is door wietgebruik. Verder is in de leefbaarheidstoets vermeld dat uit meldingen die in 2016 bij de gemeente zijn binnengekomen dezelfde klachten naar voren komen. Voorts is vermeld dat in 2016 bij de politie vier meldingen zijn ontvangen van geluidsoverlast. Daarnaast wordt door buurtbewoners verklaard dat het verloop van huurders in de woning aan de [locatie 1] de sociale cohesie tussen de buurtbewoners bemoeilijkt. Het college heeft alle reacties van de buurtbewoners op voormelde brief van 7 juni 2016 verwerkt in een overzicht dat als bijlage bij het besluit op bezwaar is gevoegd. Het college heeft daarbij tevens een overzicht gevoegd van de reacties van buurtbewoners in het kader van de leefbaarheidstoets in oktober 2015. Uit deze overzichten volgt dat het aantal reacties met betrekking tot overlast gerelateerd aan de woning aan de [locatie 1] is toegenomen. Verder heeft het college enkele door buurtbewoners gemaakte foto’s bijgevoegd waarop opgestapelde plastic zakken met huisvuil bij de schuur van de woning aan de [locatie 1] zijn te zien. Het college heeft voorts de meldingen die bij de gemeente zijn binnengekomen verwerkt in een overzicht dat als bijlage bij het besluit op bezwaar is gevoegd.

    Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat het college bij het uitvoeren van de leefbaarheidstoets onzorgvuldig onderzoek heeft verricht nu het college, anders dan [belanghebbende] betoogt, zich heeft gebaseerd op recente reacties van buurtbewoners.

    Het college heeft op grond van voormelde feiten en omstandigheden zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verlening van de omzettingsvergunning ten behoeve van kamerverhuur voor de duur van vijf jaar tot een ontoelaatbare inbreuk op het woon- en leefmilieu in de omgeving van de desbetreffende woning leidt. Het college heeft daarbij mogen betrekken dat niet alleen de situatie in de woning aan de [locatie 1] is verslechterd, maar dat ook de situatie in de omgeving van de woning is verslechterd. Voorts heeft het college daarbij mogen betrekken dat de werk- en woonomstandigheden van [belanghebbende] zijn gewijzigd, waardoor het belang van [belanghebbende] om zijn woning aan de [locatie 1] te verhuren, is verminderd. Het college heeft bij het nieuwe besluit op bezwaar dan ook in redelijkheid minder gewicht aan zijn belangen mogen toekennen.

    Het betoog faalt.

13.    Het betoog van [belanghebbende] dat [appellanten] discriminerende opmerkingen hebben gemaakt en dat dat niet onbesproken mag blijven, heeft geen betrekking op het besluit op bezwaar en behoeft reeds daarom geen bespreking.

Conclusie

14.    Gelet op hetgeen in 8 is overwogen, dient het hoger beroep van [appellanten] niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voorts dient gelet op hetgeen in 9.2. is overwogen het beroep van [appellanten] tegen het besluit van 19 september 2016 eveneens niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het beroep van [belanghebbende] tegen het besluit van 19 september 2016 dient ongegrond te worden verklaard.

15.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van [appellant A] en [appellant B] niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het door [appellant A] en [appellant B] ingestelde beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein van 19 september 2016 niet-ontvankelijk;

III.    verklaart het door [belanghebbende B] en [belanghebbende A] ingestelde beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein van 19 september 2016 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y. Soffner, griffier.

w.g. Pans    w.g. Soffner

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2017

818.