Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:853

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
201602612/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 april 2015 heeft de hoofdbewaarder de bijhouding van het perceel kadastraal bekend Leimuiden sectie A nummer 3841 teruggedraaid, waardoor twee percelen, kadastraal bekend Leimuiden sectie A nummers 3926 en 3927, zijn ontstaan, beide met een voorlopige administratieve grens en oppervlakte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602612/1/A3.

Datum uitspraak: 29 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 februari 2016 in zaak nr. 15/5843 in het geding tussen:

[appellant]

en

de hoofdbewaarder van het kadaster en de openbare registers.

Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2015 heeft de hoofdbewaarder de bijhouding van het perceel kadastraal bekend Leimuiden sectie A nummer 3841 teruggedraaid, waardoor twee percelen, kadastraal bekend Leimuiden sectie A nummers 3926 en 3927, zijn ontstaan, beide met een voorlopige administratieve grens en oppervlakte.

Bij besluit van 26 juni 2015 heeft de hoofdbewaarder het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 februari 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De [hoofdbewaarder], [belanghebbende A] en [belanghebbende B] hebben een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 februari 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. T. van der Weijde, rechtsbijstandverlener te Amsterdam, en de hoofdbewaarder, vertegenwoordigd door mr. M.I. Mollee-Ten Hoor, zijn verschenen. Ook zijn daar [belanghebbende B] en [hoofdbewaarder] gehoord.

    Overwegingen

Inleiding

1.    [belanghebbende A] en [hoofdbewaarder] hebben een verzoek gedaan om de vorming van perceel 3841 ongedaan te maken. Het verzoek is behandeld als verzoek om herstel in de zin van artikel 7t, eerste lid, van de Kadasterwet. De hoofdbewaarder heeft het verzoek ingewilligd met toepassing van artikel 57, derde lid, van de Kadasterwet, in verbinding met artikel 14, eerste lid, van het Kadasterbesluit.

    Perceel 3841 was gevormd op grond van een meting die noodzakelijk werd geacht voor de bijhouding. De aanwijzing die de grondslag vormde voor deze meting vond plaats op 1 oktober 2013 (hierna: de tweede grensaanwijs). Omdat één van de belanghebbenden, [hoofdbewaarder], niet de voor de bijhouding benodigde inlichtingen had verschaft, had de bijhouding volgens de hoofdbewaarder niet vervolgd moeten worden. Daarom heeft de hoofdbewaarder het verzoek om herstel ingewilligd en de vorming van perceel 3841 ongedaan gemaakt. Hierdoor zijn de percelen 3926 (hierna: de reststrook) en 3927 ontstaan, met voorlopige administratieve grenzen, oorspronkelijk deel uitmakend van het perceel kadastraal bekend Leimuiden sectie A nummer 3653. Deze voorlopige administratieve grenzen komen overeen met de grenzen die waren bepaald op grond van de eerste grensaanwijs, op 17 januari 2013.

    Tijdens de tweede grensaanwijs hebben [appellant] en Epeideuro Vastgoed B.V. te kennen gegeven dat de reststrook eigendom is van [appellant]. [belanghebbende A], [hoofdbewaarder] en [belanghebbende B] betwisten dit. Daarom heeft [appellant] de rechtbank Den Haag op 21 oktober 2016 verzocht voor recht te verklaren dat de reststrook hem in eigendom toebehoort. Hij stelt dat zijn gronden, die grenzen aan de reststrook, minder waard zijn geworden en dat de woning die daarop staat moeilijker verkoopbaar is als gevolg van de reststrook die is ontstaan.

Wettelijk kader

2.    Artikel 7t, eerste lid, van de Kadasterwet luidt:

"Indien een belanghebbende gerede twijfel heeft omtrent de juistheid van een in de basisregistratie kadaster opgenomen gegeven dat krachtens deze wet als authentiek is aangemerkt, kan die belanghebbende onder opgaaf van redenen aan de Dienst een verzoek tot herstel van dat gegeven in de basisregistratie kadaster doen".

    Artikel 57 luidt:

"1. Indien een meting noodzakelijk is ten behoeve van de bijhouding, doet de Dienst van het voornemen daartoe mededeling aan de personen die volgens de bij de Dienst bekende gegevens als eigenaar, beperkt gerechtigde, met uitzondering van evenwel de hypotheekhouders en de rechthebbenden op erfdienstbaarheden zo die er zijn, of anderszins bij de bijhouding belanghebbenden zijn. (…).

2. (…)

3. De in het eerste lid bedoelde belanghebbenden verschaffen, indien naar het oordeel van de met de meting belaste ambtenaar nodig door aanwijzing ter plaatse, de door deze ambtenaar voor de bijhouding benodigde inlichtingen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld omtrent de bijhouding voor de gevallen waarin één of meer belanghebbenden niet de voor de bijhouding benodigde inlichtingen of onderling tegenstrijdige inlichtingen verschaffen.

(…)".

    Artikel 14, eerste lid, van het Kadasterbesluit luidt:

"Indien één of meer belanghebbenden niet de voor de bijhouding benodigde inlichtingen of onderling tegenstrijdige inlichtingen verschaffen als bedoeld in artikel 57, derde lid, van de wet, wordt de bijhouding niet vervolgd, behoudens het bepaalde in het derde lid".

    Het derde lid luidt: "De bijhouding wordt niettemin vervolgd indien de omschrijving van de ligging van de nieuwe grenzen in het ingeschreven stuk naar het oordeel van de met de meting belaste ambtenaar geen twijfel overlaat en tevens niet in tegenspraak is met de door hem waargenomen afpaling."

Oordeel Afdeling

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de hoofdbewaarder [belanghebbende A] en [hoofdbewaarder] ten onrechte als belanghebbenden heeft aangemerkt in de zin van artikel 7t, eerste lid, van de Kadasterwet. Zij komen slechts op voor het belang van [belanghebbende B], die volgens de rechtbank geen belanghebbende is, en hebben daardoor volgens [appellant] slechts een afgeleid belang.

3.1.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de hoofdbewaarder [belanghebbende A] en [hoofdbewaarder] terecht als belanghebbenden in de zin van artikel 7t, eerste lid, van de Kadasterwet heeft aangemerkt. Daartoe is redengevend dat [belanghebbende A] een deel van het voormalige perceel 3653 heeft geleverd aan [hoofdbewaarder] onderscheidenlijk [appellant]. De rechtbank heeft dan ook op goede gronden geoordeeld dat [belanghebbende A], [hoofdbewaarder] en [appellant] daarom belanghebbenden zijn bij het bepalen van de nieuwe kadastrale grenzen na de splitsing. Dat [belanghebbende A] en [hoofdbewaarder] het verzoek tot herstel louter zouden hebben gedaan ten behoeve van de belangen van [belanghebbende B], hetgeen zij overigens niet hebben bevestigd, maakt, wat daar ook van zij, niet dat [belanghebbende A] en [hoofdbewaarder] een afgeleid belang hebben.

    Het betoog faalt.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de hoofdbewaarder de belangen van [belanghebbende A] en [hoofdbewaarder] heeft laten prevaleren boven die van hem. Bovendien was de aanwezigheid van [hoofdbewaarder] bij de tweede grensaanwijs niet noodzakelijk, aldus [appellant].

4.1.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de hoofdbewaarder de bijhouding van perceel 3841 ongedaan heeft mogen maken. De hoofdbewaarder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat die bijhouding niet vervolgd had moeten worden, omdat [hoofdbewaarder], één van de belanghebbenden, niet de voor de bijhouding benodigde inlichtingen had verschaft, omdat hij niet aanwezig was bij de tweede grensaanwijs. Daarbij heeft de rechtbank terecht overwogen dat de hoofdbewaarder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat een meting noodzakelijk was ten behoeve van de bijhouding, omdat de bij de akte van levering behorende tekening niet zo duidelijk was dat geen twijfel bestond over de grenzen van het deel van het perceel 3653 dat [belanghebbende A] op 20 mei 2011 aan [appellant] had geleverd. De rechtbank heeft, anders dan [appellant] aanvoert, terecht en op goede gronden geoordeeld dat de hoofdbewaarder ingevolge artikel 14, derde lid, van het Kadasterbesluit beoordelingsruimte toekomt bij de vraag of een meting noodzakelijk is, maar dat daarbij in het licht van artikel 14, eerste lid, van het Kadasterbesluit geen belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht gemaakt moet worden.

    Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Neuwahl

Voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2017

280.