Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:845

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
201604994/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2014 heeft de burgemeester aan [appellant A] een terrasvergunning verleend ten behoeve van [café] aan de [locatie] te Geleen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Gemeentewet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/360
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201604994/1/A3.

Datum uitspraak: 29 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Geleen, gemeente Sittard-Geleen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 24 mei 2016 in zaak nr. 15/3099 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

de burgemeester van Sittard-Geleen.

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2014 heeft de burgemeester aan [appellant A] een terrasvergunning verleend ten behoeve van [café] aan de [locatie] te Geleen.

Bij besluit van 10 september 2015 heeft de burgemeester de door [belanghebbende A], [belanghebbende B], [belanghebbende C], [belanghebbende D] en [belanghebbende E] daartegen gemaakte bezwaren deels niet-ontvankelijk en deels gegrond verklaard en de terrasvergunning alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 24 mei 2016 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester en [belanghebbende F] en [belanghebbende A] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 februari 2017, waar [appellant A] en [appellant B], vertegenwoordigd door mr. R.C. Breuls, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. P.H.C. van Meerten, zijn verschenen. Voorts zijn daar [belanghebbende F] en [belanghebbende A] als belanghebbenden gehoord.

    Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant A] en [appellant B] exploiteren [café] aan de [locatie] te Geleen. Op 26 februari 2014 heeft [appellant A] een vergunning voor het plaatsen van een terras langs de voorgevel van het café aangevraagd. Bij besluit van 19 december 2014 heeft de burgemeester de aangevraagde terrasvergunning verleend. Bij het besluit 10 september 2015 heeft de burgemeester de bezwaren van omwonenden, voor zover ontvankelijk, gegrond verklaard en de terrasvergunning alsnog geweigerd. Daartoe heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat het in gebruik nemen van het terras in strijd is met het bestemmingsplan "Oud-Geleen". Daarnaast heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het doelmatig en veilig gebruik van de weg in gevaar komt door het plaatsen van een terras. Bij opstelling van het terrasmeubilair zal het mogelijk zijn om een doorloopstrook van 1,50 meter te garanderen, maar bij ingebruikname van het terras zal dat niet lukken. Tot slot heeft de burgemeester in het besluit te kennen gegeven dat bij het verlenen van de terrasvergunning onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van omwonenden. Zij ervaren overlast van fietsen die voor de gevels van hun woningen worden geplaatst, omdat er als gevolg van de plaatsing van het terras voor het café geen ruimte meer is voor het stallen van fietsen, aldus de burgemeester.

De aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft overwogen dat de uit artikel 2:28, vijfde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Sittard-Geleen (hierna: de APV) voortvloeiende bevoegdheid van de burgemeester tot het weigeren of toekennen van een terrasvergunning een discretionaire bevoegdheid is. Het gebruik van deze bevoegdheid kan daarom slechts terughoudend worden getoetst. De rechtbank heeft voorts geconstateerd dat het exploiteren van een terras, anders dan de burgemeester heeft aangevoerd, is toegestaan op grond van het bestemmingsplan "Oud-Geleen". Deze constatering heeft evenwel niet tot vernietiging van het besluit van 10 september 2015 geleid. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat in artikel 2.8.1, vierde lid, van het Uitvoeringsbeleid terrassen van de gemeente Sittard-Geleen (hierna: het Uitvoeringsbeleid) is bepaald dat een ongehinderde doorgang voor voetgangers dient te worden gewaarborgd. De breedte van de doorgang is afhankelijk van de situatie ter plaatse, maar minimaal 1,50 meter. De rechtbank heeft geconstateerd dat de doorloopstrook bij [café] gedeeltelijk wordt beperkt als gevelbanken met tafels en krukjes worden geplaatst. Uit een oogpunt van verkeersveiligheid kunnen dan ook vraagtekens worden geplaatst of dit verantwoord is. Het beroep van [appellant A] en [appellant B] op het gelijkheidsbeginsel slaagt volgens de rechtbank niet, omdat de door hen genoemde gevallen niet vergelijkbaar zijn met het onderhavige geval omdat sprake is van andere bestemmingsplannen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het terras de plek inneemt waar fietsen gestald kunnen worden. Uit de door omwonenden overgelegde foto’s heeft de rechtbank afgeleid dat de fietsen van cafébezoekers voor de gevels van de omwonenden worden geplaatst als het terras in gebruik is. De burgemeester heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het verlies aan stallingsruimte voor fietsen zodanig groot is dat de terrasvergunning moet worden geweigerd vanwege de nadelige invloed voor het woon- en leefklimaat ter plaatse. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid de belangen van de omwonenden kunnen laten prevaleren boven het belang van [appellant A] en [appellant B] bij het mogen plaatsen van een terras.

Het hoger beroep

3.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de weigeringsgronden van artikel 2:28, vijfde en zesde lid, van de APV niet van toepassing zijn. Daartoe voeren zij aan dat het terras niet op de openbare weg, maar op eigen grond zal worden geplaatst en dat op deze grond een horecabestemming rust.

3.1.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat een doorloopstrook van 1,50 meter niet kan worden gewaarborgd. Hiermee heeft de rechtbank volgens hen miskend dat het niet de bedoeling is om ook krukjes bij de gevelbanken te plaatsen. Met kleine tafeltjes of tafeltjes boven het zitvlak van de gevelbanken kan een doorloopstrook van 1,50 meter behouden blijven. [appellant A] en [appellant B] betogen in dit verband voorts dat de rechtbank hun beroep op het gelijkheidsbeginsel ten onrechte heeft verworpen. Bij de door hen genoemde horecapanden is geen doorloopstrook van 1,50 meter aanwezig. De vraag welk bestemmingsplan van toepassing is, is niet relevant. De rechtbank had de vraag of het plaatsen van een terras verantwoord is, bevestigend moeten beantwoorden in plaats van daarbij vraagtekens te plaatsen, aldus [appellant A] en [appellant B].

3.2.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het verlies aan stallingsruimte voor fietsen zodanig groot is dat de terrasvergunning moet worden geweigerd vanwege de nadelige invloed voor het woon- en leefklimaat ter plaatse. Volgens hen wordt de extra overlast van geparkeerde fietsen ten onrechte, zonder dat hier onderzoek naar is gedaan, als ontoelaatbaar aangemerkt. Dit klemt temeer, nu hierover nooit is geklaagd. [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat de overlast zwaar wordt overschat, nu het om een klein café gaat en de voor het terras bestemde ruimte hooguit plek voor 5 tot 6 fietsen biedt. De situatie die is te zien op de door omwonenden overgelegde foto’s betreft slechts een momentopname. Ook als er geen terras is, kunnen fietsen voor de gevels van de naastgelegen woningen worden geplaatst. Dit kan volgens [appellant A] en [appellant B] worden opgelost door het creëren van een fietsenstalling op een parkeerplaats voor het pand.

Het oordeel van de Afdeling

Het juridisch kader

4.    Artikel 2:28 van de APV luidt:

"[…]

5. In afwijking van het bepaalde in artikel 2:10 beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen voorzover zich deze op of aan de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras. Hieromtrent kunnen nadere regels gesteld worden.

6. Onverminderd het gestelde in artikel 2:28b kan de burgemeester de in het vijfde lid bedoelde ingebruikneming van die weg ten behoeve van een of meer bij een horecabedrijf horende terrassen weigeren, dan wel intrekken:

e. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;

[…]

g. indien het gebruik in strijd is met een geldend bestemmingsplan;

h. indien de vrees gewettigd is dat ingebruikname van het terras het woon- en leefklimaat van de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig beïnvloedt;

[…]"

In het Uitvoeringsbeleid staat:

" 2.4 Juridisch kader

Deze beleidsregels zijn een nadere uitwerking van artikel 2:28 lid 5 en lid 6, artikel 2:29 respectievelijk artikel 2:33 van de Algemene Plaatselijke Verordening Sittard-Geleen (hierna te noemen: APV). In artikel 2:28 is de bevoegdheid tot het verlenen van terrasvergunningen neergelegd bij de burgemeester.

[…]

2.8 Algemene criteria

2.8.1 Situeringsvereisten

[…]

4. Er dient een ongehinderde doorgang voor voetgangers te worden gewaarborgd. De breedte van de doorgang is afhankelijk van de situatie ter plaatse, maar minimaal 1.5 meter (Voor trottoirvrije gebieden zal maatwerk geleverd moeten worden).

[…]"

4.1.    De Afdeling volgt [appellant A] en [appellant B] niet in hun standpunt dat voornoemde bepalingen uit de APV in dit geval niet van toepassing zijn. Daartoe overweegt zij dat ingevolge artikel 1:1, aanhef en onder b, van de APV, dat verwijst naar artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, onder een weg als bedoeld in die bepalingen een voor het openbaar verkeer opstaande weg of openstaand pad moet worden verstaan. Het gedeelte van het trottoir waar [appellant A] en [appellant B] een terras willen plaatsen, maakt, ook al is het hun eigendom, onderdeel uit van de voor openbaar verkeer openstaande weg. Het beoogde terras bevindt zich dan ook op of aan de openbare weg als bedoeld in artikel 2:28, vijfde lid, van de APV.

Omvang van het geschil

5.    Het oordeel van de rechtbank dat het exploiteren van een terras voor het [café] niet in strijd is met het bestemmingsplan "Oud-Geleen", is niet bestreden. De Afdeling gaat dan ook uit van de juistheid van dit oordeel. De Afdeling zal hieronder beoordelen of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de burgemeester de terrasvergunning in redelijkheid heeft kunnen weigeren op grond van artikel 2.28, zesde lid, aanhef en onder e en/of h, van de APV.

Artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder e, van de APV

6.    De burgemeester diende te beslissen over de plaatsing het terras, zoals dat door [appellant A] is aangevraagd. De aanvraag betrof het plaatsen van banken en tafeltjes met een doorsnede van 40 centimeter langs de gevel van het café. Ter zitting is vastgesteld dat het op zich mogelijk is om deze banken en tafeltjes te plaatsen en een doorloopstrook van 1,50 meter vrij te houden. Aannemelijk is echter dat deze doorloopstrook niet behouden blijft als het terras in gebruik wordt genomen. In ieder geval op het smalste punt van het trottoir zal de doorloopstrook bij ingebruikname van het terras zodanig beperkt worden dat een ongehinderde doorgang voor voetgangers niet langer is gewaarborgd. Gelet hierop heeft de burgemeester zich op het standpunt mogen stellen dat het plaatsen van een terras voor het café gevaar oplevert voor het doelmatig en veilig gebruik van het trottoir.

6.1.    Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt de Afdeling dat de door [appellant A] en [appellant B] in beroep genoemde gevallen niet gelijk zijn aan het aan de orde zijnde geval. [appellant A] en [appellant B] hebben horeca-inrichtingen in de gemeente Sittard-Geleen aangewezen, waar de terrassen zo zijn opgesteld dat geen doorloopstrook van 1,50 meter beschikbaar is. De burgemeester heeft uiteengezet dat voor deze terrassen vergunningen zijn verleend waarin steeds een doorloopstrook van ten minste 1,50 meter is opgenomen. Opstelling van de terrassen met een doorloopstrook van tenminste 1,50 meter is bij deze horeca-inrichtingen, anders dan bij het [café], dus wel mogelijk. De rechtbank heeft het beroep op het gelijkheidsbeginsel dan ook terecht verworpen.

6.2.    Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, heeft de burgemeester in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan de belangen van het doelmatig en veilig gebruik van de weg dan aan het belang van [appellant A] en [appellant B] bij het plaatsen van het aangevraagde terras.

 Artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder h, van de APV

7.    Het [café] staat in een woonomgeving. Direct naast en tegenover het café bevinden zich woningen. Bij gebrek aan een voorziening voor het stallen van fietsen, zijn bezoekers van het café genoodzaakt hun fietsen tegen gevels te zetten. Het is aannemelijk dat bezoekers daarvoor in beginsel de gevel van het café gebruiken en dat zij, als voor de gevel van het café een terras staat, zullen uitwijken naar de gevels van de naastgelegen panden. Gebleken is dat de door [appellant A] en [appellant B] voorgestelde oplossing, waarbij een fietsenstalling op een parkeerplaats voor het pand wordt gecreëerd, gelet op het beperkte aantal parkeerplaatsen in de Peschstraat niet mogelijk is. Onder deze omstandigheden heeft de burgemeester zich op het standpunt mogen stellen dat het terras het woon- en leefklimaat van de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze beïnvloedt.

De conclusie

8.    De burgemeester heeft de door [appellant A] aangevraagde terrasvergunning op grond van het bepaalde in artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder e en h, van de APV in redelijkheid kunnen weigeren. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, griffier.

w.g. Wortmann    w.g. Binnema

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2017

589.