Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:844

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
201602205/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 januari 2015 heeft het college het verzoek van [appellant] om een verkeersbesluit te nemen tot het instellen van een parkeerverbod aan de overzijde van zijn woning aan het Musketiersveld te Apeldoorn en zijn verzoek om het aanleggen van een langsparkeerhaven, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/241
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602205/1/A1.

Datum uitspraak: 29 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Apeldoorn,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 februari 2016 in zaak nr. 15/6038 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn.

Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2015 heeft het college het verzoek van [appellant] om een verkeersbesluit te nemen tot het instellen van een parkeerverbod aan de overzijde van zijn woning aan het Musketiersveld te Apeldoorn en zijn verzoek om het aanleggen van een langsparkeerhaven, afgewezen.

Bij besluit van 28 augustus 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 februari 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 maart 2017, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. J.J. Toorn, zijn verschenen.

    Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] woont op het adres [locatie] te Apeldoorn. Hij heeft sinds omstreeks 2000 een parkeervoorziening op eigen terrein met een vergunde uitweg naar de straat. In 2002 is ter hoogte van de uitweg van [appellant] aan de overzijde van het Musketiersveld over een lengte van ongeveer 20 meter een parkeerverbod ingesteld. Nadat in 2013 op deze plek een bushalte met blokmarkering was gerealiseerd, is het parkeerverbod in april 2014 komen te vervallen omdat er door de bushalte al een stopverbod gold. De bushalte is met ingang van 14 december 2014 opgeheven. [appellant] heeft het college verzocht het parkeerverbod te laten terugkomen of, in plaats daarvan, een langsparkeerhaven aan te leggen omdat hij nu niet ongehinderd gebruik kan maken van zijn uitweg.

    Bij het besluit van 8 januari 2015, gehandhaafd bij het besluit op bezwaar van 28 augustus 2015, heeft het college het verzoek van [appellant] om een verkeersbesluit te nemen afgewezen en voorts te kennen gegeven geen langsparkeerhaven te zullen aanleggen. De rechtbank heeft bij uitspraak van 18 februari 2016 het besluit op bezwaar in stand gelaten. [appellant] is het daar niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld.

Voormalige bushalte en eerder parkeerverbod

2.    Deze zaak gaat alleen over de afwijzing door het college van het verzoek van 28 november 2014 om een parkeerverbod in te stellen of een langsparkeerhaven aan te leggen. Voor zover hetgeen [appellant] aanvoert de aanwijzing en ingebruikname van de voormalige bushalte tegenover zijn woning, de opheffing van het eerdere parkeerverbod, en de aanwijzing van andere bushaltes betreft, kan dit daarom in deze procedure niet aan de orde komen. De Afdeling gaat er voor de beoordeling van deze zaak vanuit dat nu geen parkeerverbod geldt op het desbetreffende deel van het Musketiersveld.

Langsparkeerhaven

3.    Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de tegen de weigering om een langsparkeerhaven aan te leggen gerichte gronden niet slagen, faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat deze weigering geen besluit is en dat het college het bezwaar van [appellant] op dat punt terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Parkeerverbod

a.    Toetsingskader

4.    Artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) luidt:

"De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer."

    Het tweede lid luidt:

"De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden."

Artikel 15, eerste lid, luidt:

"De plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens[…], en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit."

Artikel 12, aanhef en onder a, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer luidt:

"De plaatsing of verwijdering van de hierna genoemde verkeerstekens moet geschieden krachtens een verkeersbesluit: a. de volgende borden: I de borden die zijn opgenomen in de hoofdstukken A tot en met G van bijlage 1, behorende bij het RVV 1990, uitgezonderd de borden C22 en E9, alsmede de borden E4, E12 en E13 tenzij onder deze verkeersborden een onderbord als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel d, wordt aangebracht, dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel 8, derde lid; […]."

Artikel 21 luidt:

"De motivering van het verkeersbesluit vermeldt in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen."

b.    Beoordeling

5.    De rechtbank heeft overwogen dat het college het instellen van een parkeerverbod in redelijkheid heeft kunnen weigeren na afweging van alle betrokken belangen. Die belangen blijken volgens de rechtbank voldoende uit het besluit van 28 augustus 2015. De rechtbank heeft aan dit oordeel ten grondslag gelegd dat het college niet verplicht is om iedere verkeersmaatregel te nemen die in een concrete situatie de verkeersveiligheid zou kunnen dienen en evenmin om een advies aan de korpschef te vragen indien het niet voornemens is een verkeersbesluit te nemen. Voorts heeft de rechtbank voor haar oordeel redengevend geacht dat vast staat dat de korpschef positief heeft geadviseerd over de bestaande verkeerssituatie zonder parkeerverbod, en dat niet in geschil is dat de parkeerdruk op het Musketiersveld hoog is, dat deze straat in 2010 verblijfsgebied is geworden en dat daarbij de maximumsnelheid is verlaagd van 50 km/u naar 30 km/u. Onder die omstandigheden kon het college volgens de rechtbank in redelijkheid een groter belang toekennen aan het belang van het verlagen van de parkeerdruk dan aan de door [appellant] gestelde belangen. Ook heeft het college een parkeerverbod uit het oogpunt van verkeersveiligheid in redelijkheid niet noodzakelijk kunnen achten, waarbij de rechtbank relevant heeft geacht dat de lagere maximumsnelheid een kortere reactietermijn met zich brengt en dat er een wettelijk parkeerverbod geldt tot 5 meter van een kruising. Dat er volgens [appellant] harder wordt gereden dan is toegestaan valt naar het oordeel van de rechtbank buiten de omvang van dit geding, evenals de vraag of er snelheid beperkende maatregelen nodig zijn. Tot slot is de door [appellant] ondervonden hinder bij het gebruik van zijn uitweg wanneer aan de overzijde van de straat daarvan auto's geparkeerd staan, niet dusdanig dat hij zijn uitweg feitelijk niet meer kan gebruiken of dat dit gebruik voor hem en andere weggebruikers onveilig is, aldus de rechtbank.

6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank door aldus te overwegen onvoldoende heeft onderkend dat uit onder meer de door hem overgelegde foto's blijkt dat geparkeerde auto's tegenover zijn uitweg de rijbaan dusdanig versmallen en het zicht dermate belemmeren dat hij niet zonder hinder en gevaar van het Musketiersveld en in het bijzonder van zijn uitweg gebruik kan maken. Het hebben van noodzakelijke vrije draairuimte bij gebruikmaking van de uitweg is volgens [appellant] te meer van belang omdat hij voor zijn werk snel gehoor moet kunnen geven aan een calamiteitenoproep. Voorts voert [appellant] aan dat de rechtbank onvoldoende heeft onderkend dat de aanwijzing van het Musketiersveld als verblijfsgebied niet wegneemt dat er doorgaans harder wordt gereden dan de geldende maximumsnelheid van 30 km/u en dat er niet wordt gehandhaafd. Van gewijzigde uitgangspunten ten opzichte van de situatie in 2002, toen het eerdere parkeerverbod werd ingesteld, is volgens hem dan ook geen sprake. Om een snelheidsreductie te bereiken zal de inrichting van de weg moeten worden veranderd. Tot slot wijst [appellant] erop dat het college op vergelijkbare plekken in Apeldoorn wel parkeerverboden instelt.

6.1.    Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen komt aan het college bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toe bij de uitleg van de begrippen 'veiligheid op de weg', 'bruikbaarheid (van de weg)' en 'vrijheid van het verkeer'. Voorts is het aan het college om de verschillende belangen die betrokken moeten worden bij het nemen van een verkeersbesluit tegen elkaar af te wegen en om te beoordelen wanneer de in artikel 2 van de Wvw 1994 vermelde belangen het nemen van een verkeersmaatregel vergen. De rechter dient te toetsen of de uitleg die het college aan voormelde begrippen heeft gegeven, de grenzen van redelijke wetsuitleg te buiten gaat, of het besluit niet anderszins in strijd is met wettelijke voorschriften en of de afweging van de betrokken belangen zodanig onevenwichtig is dat het college niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:59).

    Het voorgaande geldt, zoals de rechtbank eveneens terecht heeft overwogen, ook in het geval dat, zoals hier aan de orde, het college weigert een verkeersbesluit te nemen. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ter ondersteuning van deze overweging ten onrechte heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1809, faalt. Dat deze uitspraak ziet op een andere feitelijke situatie, betekent niet dat daarom hetgeen daarin is overwogen niet van toepassing is.

6.2.    Hetgeen [appellant] aanvoert geeft geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren een parkeerverbod in te stellen. Het college heeft in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan het belang van het verlagen van de parkeerdruk en heeft een parkeerverbod uit het oogpunt van verkeersveiligheid redelijkerwijs niet noodzakelijk kunnen achten. Het college heeft daarbij mogen meewegen dat de hinder die [appellant] ondervindt bij het gebruik van zijn uitweg wanneer er aan de overzijde voertuigen geparkeerd staan niet dusdanig is dat hij de uitweg in dat geval feitelijk niet of niet veilig kan gebruiken. [appellant] zal - evenals het overige wegverkeer - in voorkomend geval enige hinder moeten dulden bij het wegrijden. Dat geldt ook indien hij met het calamiteitenvoertuig van zijn werkgever vanuit zijn uitweg de weg op wil rijden. Indien een tegenover zijn uitweg geparkeerd voertuig hem daadwerkelijk verhinderd om met een auto vanaf de uitweg de weg op te gaan, kan hij bovendien om handhaving verzoeken vanwege parkeren in strijd met artikel 5 van de Wvw 1994.

    Over het betoog van [appellant] dat op het Musketiersveld doorgaans harder wordt gereden dan de maximumsnelheid van 30 km/u heeft de rechtbank terecht overwogen dat dit een handhavingskwestie is die in deze procedure geen rol kan spelen. Ook over de vraag of andere snelheidsbeperkende maatregelen noodzakelijk zijn heeft de rechtbank terecht overwogen dat die vraag buiten de omvang van dit geding valt.

    Voor zover [appellant] met zijn verwijzing naar drie lokaties in Apeldoorn waar het college is overgegaan tot het instellen van een parkeerverbod, een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel, slaagt dit niet. Uit het door [appellant] overgelegde Verkeersbesluit - Parkeerverboden ten behoeve van de bereikbaarheid diverse wegvakken, nr. 2016-406350, van het college van 21 oktober 2016 blijkt dat het parkeerverbod op de Kasteellaan is ingesteld ter hoogte van een doorsteek voor voetgangers, zodat bewoners van de Kasteeltoren ongehinderd de stoep aan de overkant van de weg kunnen bereiken. Het parkeerverbod op de Hattemseweg is ingesteld aan weerszijden van de kruising met de Hattemsezijweg omdat geparkeerde auto's op die plek het zicht vanaf de Hattemsezijweg ernstig belemmerden. Tot slot blijkt uit het Verkeersbesluit van 21 oktober 2016 dat het parkeerverbod op de 1e Wormenseweg is ingesteld ten behoeve van een uitweg, gelegen aan dezelfde zijde, omdat vlak voor de uitweg geparkeerde auto's het zicht komende vanaf het desbetreffende perceel ernstig belemmerden. In geen van de door [appellant] aangedragen situaties is sprake van een parkeerverbod dat is ingesteld ten behoeve van een daar tegenover gelegen uitweg, zoals door [appellant] gevraagd. Van gelijke gevallen is, zoals het college ter zitting van de Afdeling terecht heeft betoogd, dan ook geen sprake.

6.3.    Gelet op het voorgaande faalt het betoog van [appellant].

Conclusie

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Dijken, griffier.

w.g. Kranenburg    w.g. Van Dijken

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2017

595.