Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:841

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
201604132/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 februari 2015 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] vanaf 18 februari 2015 ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201604132/1/A2.

Datum uitspraak: 29 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 april 2016 in zaak nr. 15/3727 in het geding tussen:

[appellant]

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (lees: de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen; hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2015 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] vanaf 18 februari 2015 ongeldig verklaard.

Bij besluit van 6 mei 2015 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 april 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 maart 2017, waar het CBR, vertegenwoordigd door mr. S.J.M. Ditvoorst-van der Ark, is verschenen.

    

    Overwegingen

    Inleiding

1.    Op 14 maart 2014 is [appellant] aangehouden door de politie voor het rijden onder invloed van alcohol. Bij hem is toen een ademalcoholgehalte van 390 μg/l geconstateerd. De korpschef heeft het CBR op dezelfde dag meegedeeld dat het vermoeden bestaat dat [appellant] niet langer beschikt over de rijvaardigheid of over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven. Uit deze mededeling blijkt ook dat [appellant] op 19 maart 2011 voor hetzelfde feit is aangehouden. Het geconstateerde ademalcoholgehalte was toen 560 μg/l.

2.    Op basis van de mededeling van de korpschef heeft het CBR bij besluit van 28 maart 2014 aan [appellant] een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd. Op 22 november 2014 heeft dit onderzoek plaatsgevonden. In het verslag van bevindingen komen de keurend arts en de psychiater tot de conclusie dat er, gelet op het laboratoriumonderzoek, onvoldoende aanwijzingen zijn voor de conclusie dat er ten tijde van de laatste aanhouding sprake was van alcoholmisbruik of alcoholafhankelijkheid volgens de DSM-IV-TR, maar dat wel op basis van alle relevante gegevens de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in ruime zin kan worden gesteld. Volgens het verslag is niet aannemelijk dat [appellant] met het alcoholmisbruik is gestopt, nu sinds de laatste aanhouding het alcoholgebruik van [appellant] onveranderd is en er sprake is van een zogenoemd ‘binge-drinking’ patroon, waarbij één tot twee dagen per week gemiddeld tien alcoholeenheden per dag worden genuttigd. Naar aanleiding van de conclusie in het verslag heeft het CBR besloten het rijbewijs van [appellant] vanaf 18 februari 2015 ongeldig te verklaren. Dit besluit is bij besluit van 6 mei 2015 gehandhaafd.

3.    De rechtbank heeft het door [appellant] tegen het besluit van 6 mei 2015 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat de in het verslag van bevindingen genoemde medische en niet-medische gegevens de conclusie dat sprake is van alcoholmisbruik in de zin van paragraaf 8.8 van de bijlage bij de Regeling eisen geschiktheid 2000 kunnen dragen. Het CBR heeft volgens de rechtbank geen reden hoeven zien om aan de juistheid van de bevindingen van de artsen te twijfelen. De rechtbank komt tot de slotsom dat het CBR terecht is overgegaan tot ongeldigverklaring van het rijbewijs.

Hoger beroep van [appellant]

4.    [appellant] komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat het CBR op grond van het verslag van bevindingen heeft kunnen concluderen dat er bij hem sprake is van alcoholmisbruik in de zin van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011. Hij voert daartoe aan dat het feit dat hij in vijf jaar tijd twee keer is aangehouden vanwege rijden onder invloed de conclusie dat sprake is van alcoholmisbruik in ruime zin niet kan dragen. Ook vallen zijn in het kader van het onderzoek geconstateerde bloedwaarden binnen de geldende normaalwaarden, zodat op grond daarvan evemin voormelde conclusie kan worden getrokken. [appellant] voert verder aan dat er geen op zijn persoon betrekking hebbende gegevens aan de conclusie ten grondslag zijn gelegd en dat er slechts indirecte aanwijzingen voor alcoholmisbruik zijn. Zijn moeder is weliswaar alcoholverslaafd, maar hij heeft niet of nauwelijks contact met haar, zodat familiair alcoholmisbruik in dit geval geen indicatie is voor alcoholmisbruik. Ook het feit dat sprake is van incidenteel cocaïnegebruik kan niet ten grondslag worden gelegd aan de conclusie dat sprake is van alcoholmisbruik in ruime zin, aldus [appellant].

4.1    Artikel 134, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 luidt: "Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is."

Artikel 27, onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 luidt: "Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, bedoeld in artikel 134, derde (lees: tweede) lid, van de wet, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijk en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen."

Artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 luidt: "De eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage."

Paragraaf 8.8 "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)" van deze bijlage luidt: "Voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen is een specialistisch rapport vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport geschikt - kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid."

4.2    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:213) bestaat in een geval waarin de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin is gesteld, slechts aanleiding om de ongeldigverklaring van het rijbewijs niet in stand te laten, indien de psychiatrische rapportage die daaraan ten grondslag is gelegd naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig is of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren.

4.3    Dat de bij bloedonderzoek geconstateerde bloedwaarden van [appellant] binnen de normaalwaarden vallen, zodat daaruit geen alcoholmisbruik is te herleiden, betekent, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8499), niet dat niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van alcoholmisbruik in ruime zin. Hierbij is van belang dat de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin is gesteld op basis van een volledig onderzoek, waarbij de daaruit verkregen relevante medische en niet-medische gegevens in onderling verband zijn bezien.

    Aan de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin is ten grondslag gelegd dat [appellant] in de vijf jaar voorafgaand aan de laatste aanhouding eerder werd aangehouden voor het rijden onder invloed van alcohol. In verband daarmee is hem een Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer opgelegd waaraan hij gehoor heeft gegeven. Daarbij is nadrukkelijk gewezen op de risico’s van het gebruik van alcohol in het verkeer. Desondanks is [appellant] op 14 maart 2014 wederom als bestuurder van een motorrijtuig onder invloed van alcohol aangehouden. Volgens het verslag van bevindingen is er dan ook sprake van een matig besef van de gevaren van alcoholgebruik in het verkeer. Ook riskeerde [appellant] problemen met zijn werk, aangezien hij voor zijn werk een rijbewijs nodig had. Bovendien is aan de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin ten grondslag gelegd dat er bij [appellant] sprake is van een zogenoemd ‘binge-drinking’ patroon, waarbij één tot twee dagen per week gemiddeld tien alcoholeenheden per dag worden genuttigd. Tot slot is aan de conclusie dat sprake is van alcoholmisbruik in ruime zin ten grondslag gelegd dat [appellant] een verhoogde bloeddruk heeft, wat kan wijzen op chronisch overmatig alcoholgebruik.

    Gezien het samenstel van vorenstaande feiten en omstandigheden, bestaat geen grond voor het oordeel dat de conclusie alcoholmisbruik in ruime zin in dit geval niet gerechtvaardigd was. Dit betekent ook dat aan hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over het ten onrechte aannemen van een verhoogd risico op alcoholverslaving op grond van het alcoholmisbruik van zijn moeder, wat daar ook van zij, voorbij kan worden gegaan.

    Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de aan het besluit ten grondslag gelegde rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont als bedoeld in overweging 4.2, dat het CBR zich daar niet op mocht baseren.

    Het betoog faalt.

4.4    [appellant] heeft tot slot tevergeefs aangevoerd dat het gebruik van cocaïne niet aan de motivering van het besluit ten grondslag kon worden gelegd. Het CBR heeft ter zitting toegelicht dat, zoals ook uit het besluit op bezwaar zelf blijkt, cocaïnegebruik niet aan dit besluit ten grondslag ligt.  

Conclusie

5.    De slotsom is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het CBR het rijbewijs van [appellant] terecht ongeldig heeft verklaard.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, griffier.

w.g. Hoogvliet    w.g. Wieland

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2017

502.