Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:84

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
18-01-2017
Zaaknummer
201604839/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:3597, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 juli 2015, met kenmerk IGS NT AH, heeft de Belastingdienst/Toeslagen geweigerd een dwangsom vast te stellen vanwege het niet tijdig nemen van een beslissing op een door [appellant] op 26 november 2014 ingediende aanvraag huurtoeslag.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 12
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 14
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2017/42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201604839/1/A2.

Datum uitspraak: 18 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 mei 2016 in zaken nrs. 15/5729 en 15/5730 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2015, met kenmerk IGS NT AH, heeft de Belastingdienst/Toeslagen geweigerd een dwangsom vast te stellen vanwege het niet tijdig nemen van een beslissing op een door [appellant] op 26 november 2014 ingediende aanvraag huurtoeslag.

Bij besluit van eveneens 31 juli 2015, met kenmerk IGS T, heeft de Belastingdienst/Toeslagen geweigerd een dwangsom vast te stellen vanwege het niet tijdig nemen van een beslissing op een door [appellant] bij brief van 6 januari 2015 gemaakt bezwaar.

Bij uitspraak van 13 mei 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 31 juli 2015, met kenmerk IGS NT AH, ingestelde beroep ongegrond verklaard en het door [appellant] tegen het besluit van 31 juli 2015, met kenmerk IGS T, ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J. Nieuwstraten, advocaat te Rotterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Op 11 juni 2014 heeft [appellant] huurtoeslag aangevraagd voor het adres [locatie] te Rotterdam, met als ingangsdatum 1 mei 2014.

Bij besluit van 1 november 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat [appellant] niet de door de Belastingdienst/Toeslagen gevraagde bewijsstukken heeft overgelegd.

Bij besluit van 21 november 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen, voor zover hier van belang, het voorschot huurtoeslag 2014 voor [appellant] op nihil gesteld.

Op 26 november 2014 heeft [appellant] opnieuw huurtoeslag aangevraagd voor het adres [locatie] te Rotterdam, met als ingangsdatum 1 mei 2014.

Bij besluit van 30 december 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen, voor zover hier van belang, het voorschot huurtoeslag 2014 voor [appellant] herzien en de nihilstelling gehandhaafd.

Bij brief van 6 januari 2015 heeft [appellant] daartegen bezwaar gemaakt.

Bij brief van 14 september 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen [appellant] meegedeeld dat hij recht heeft op huurtoeslag 2014 en 2015 en dat hij binnen acht weken een voorschotbeschikking krijgt toegezonden.

Ingebrekestelling en besluitvorming

2. Bij brief van 20 mei 2015 heeft [appellant] de Belastingdienst/Toeslagen verzocht te beslissen op zijn verzoek om huurtoeslag voor 2014 en op het door hem bij brief van 6 januari 2015 gemaakte bezwaar. Voorts heeft hij de Belastingdienst/Toeslagen in gebreke gesteld.

Bij besluit van 30 juli 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het bij brief van 6 januari 2015 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 31 juli 2015, met kenmerk IGS T, heeft de Belastingdienst/Toeslagen geweigerd een dwangsom vast te stellen vanwege het niet tijdig nemen van een beslissing op het door [appellant] gemaakte bezwaar. De Belastingdienst/Toeslagen heeft daaraan ten grondslag gelegd dat op 30 juli 2015 op het bezwaar is beslist, zodat is voldaan aan het verzoek van [appellant] om een besluit op bezwaar te nemen.

Bij besluit van eveneens 31 juli 2015, met kenmerk IGS NT AH, heeft de Belastingdienst/Toeslagen geweigerd een dwangsom vast te stellen vanwege het niet tijdig nemen van een beslissing op de door [appellant] ingediende aanvraag huurtoeslag. De Belastingdienst/Toeslagen heeft daaraan ten grondslag gelegd dat op 1 november 2014 op de aanvraag van [appellant] is beslist. In beroep heeft de Belastingdienst/Toeslagen daaraan toegevoegd dat [appellant] bij zijn tweede aanvraag wederom geen bewijsstukken heeft overgelegd en dus geen sprake was van nieuw gebleken feiten of omstandigheden, zodat de tweede aanvraag kon worden afgewezen onder verwijzing naar de brief van 1 november 2014. De Belastingdienst/Toeslagen heeft dan ook geen aanleiding gezien om [appellant] een brief te sturen waarin is vermeld dat de aanvraag wordt afgewezen en heeft volstaan met het toezenden van de voorschotbeschikking van 30 december 2014.

De uitspraak van de rechtbank

3. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 31 juli 2015, met kenmerk IGS NT AH, ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen met de herziene voorschotbeschikking van 30 december 2014 binnen de in artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) opgenomen termijn van dertien weken op de aanvraag van [appellant] van 26 november 2014 heeft beslist. De Belastingdienst/Toeslagen is in zoverre dus niet in gebreke geweest.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 31 juli 2015, met kenmerk IGS T, gegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen niet binnen de in artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) opgenomen termijn van zes weken op het door [appellant] op 6 januari 2015 gemaakte bezwaar heeft beslist en ook niet binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling, zodat de Belastingdienst/Toeslagen in zoverre in gebreke is geweest en het besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank heeft evenwel aanleiding gezien de rechtsgevolgen van dat besluit in stand te laten, omdat paragraaf ‘4.1.3.2 Dwangsom bij niet tijdig beslissen’ van de Awb alleen van toepassing is op beschikkingen, bedoeld in artikel 14 van de Awir en bezwaarschriften tegen die beslissingen en niet op voorschotbeschikkingen, zoals hier aan de orde.

Het hoger beroep

Wettelijk kader

4. De relevante bepalingen uit de Awir luiden als volgt:

Artikel 12

(…)

2. Paragraaf 4.1.3.2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op beschikkingen van de Belastingdienst/Toeslagen met uitzondering van de beschikking tot toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 14, alsmede beslissingen op bezwaarschriften tegen deze beschikkingen (…).

Artikel 14

1. Een tegemoetkoming wordt op aanvraag toegekend door de Belastingdienst/Toeslagen.

(…)

Artikel 16

1. De Belastingdienst/Toeslagen verleent de belanghebbende die een aanvraag voor een tegemoetkoming indient vóór 1 april van het jaar volgend op het berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, een voorschot tot het bedrag waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld binnen 13 weken na de ontvangst van de aanvraag.

(…)

Inzake het besluit met kenmerk IGS NT AH

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen met het besluit van 30 december 2014 tijdig op zijn aanvraag van 26 november 2014 heeft beslist. Daartoe voert hij aan dat het besluit van 30 december 2014 niet kan worden herleid tot de door hem ingediende aanvraag, onder meer omdat in dit besluit is vermeld dat het betrekking heeft op de periode tot 1 januari 2014, terwijl zijn aanvraag ziet op de periode vanaf 1 mei 2014. Verder wijst [appellant] op een brief van de Belastingdienst/Toeslagen van 14 september 2015 waarin staat dat op basis van bewijsstukken zijn aanvraag is beoordeeld en daaruit is gebleken dat hij recht heeft op huurtoeslag over 2014 en 2015. Eerst hiermee is op zijn aanvraag beslist, aldus [appellant].

5.1. Alvorens toe te komen aan beantwoording van de vraag of de Belastingdienst/Toeslagen tijdig heeft beslist op de op 26 november 2014 ingediende aanvraag om een tegemoetkoming en, zo dit niet het geval is, of de Belastingdienst/Toeslagen dwangsommen verschuldigd is, ziet de Afdeling zich gesteld voor de vraag of paragraaf ‘4.1.3.2 Dwangsom bij niet tijdig beslissen’ van de Awb in dit geval van toepassing is.

5.2. In artikel 12, tweede lid, van de Awir is bepaald dat paragraaf ‘4.1.3.2 Dwangsom bij niet tijdig beslissen’ van de Awb niet van toepassing is op beschikkingen van de Belastingdienst/Toeslagen met uitzondering van de beschikking tot toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 14 van de Awir, alsmede besluiten op bezwaarschriften tegen deze beschikkingen.

[appellant] voert met juistheid aan dat in de memorie van toelichting bij de Wet toepassing dwangsomregeling toeslagen (Kamerstukken II 2011/12, 33 005, nr. 3, blz. 6) is vermeld dat de toevoeging van een tweede lid aan artikel 12 van de Awir ertoe strekt te regelen dat de in artikel 14 van de Awir bedoelde definitieve toekenning van een tegemoetkoming niet onder de werkingssfeer van de dwangsomregeling van de Awb valt en de werkingssfeer van deze regeling zich daardoor beperkt tot het tijdig geven van beschikkingen tot onder andere het verlenen van een voorschot naar aanleiding van een eerste aanvraag, het aanpassen van een voorschot als gevolg van het doorvoeren van wijzigingen en het doen van uitspraak op bezwaar. Hij gaat er evenwel aan voorbij dat bij de nota van wijziging bij de Wet toepassing dwangsomregeling toeslagen (Kamerstukken II 2011/12, 33 005, nr. 7) artikel 12 is gewijzigd. Daarbij is in het voorgestelde tweede lid bepaald dat paragraaf 4.1.3.2 van de Awb niet van toepassing is op beschikkingen van de Belastingdienst/Toeslagen met uitzondering van de beschikking tot toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 14, alsmede beslissingen op bezwaarschriften tegen deze beschikkingen. Ter toelichting op deze wijziging is het volgende vermeld:

"De (…) opgenomen wijziging regelt dat wat betreft beschikkingen op aanvraag van de Belastingdienst/Toeslagen de dwangsomregeling van de Algemene wet bestuursrecht uitsluitend van toepassing is op beschikkingen die betrekking hebben op de definitieve toekenning van de toeslag, alsmede op beslissingen op bezwaarschriften tegen de laatstgenoemde beschikkingen. De dwangsomregeling blijft derhalve buiten toepassing als het gaat om beschikkingen van de Belastingdienst/Toeslagen die zien op het verlenen of automatisch verlenen van een voorschot, de wijziging van een verleend voorschot alsmede de afhandeling van bezwaarschriften tegen deze beschikkingen. Hiermee wordt de Belastingdienst/Toeslagen in staat gesteld om -in het kader van de fraudebestrijding- het uitbetalen van toeslagen beter te controleren aan de poort."

5.3. [appellant] heeft de Belastingdienst/Toeslagen in gebreke gesteld, omdat de toekenning van een voorschot huurtoeslag als bedoeld in artikel 16 van de Awir niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft plaatsgevonden en niet omdat de toekenning van een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 14 van de Awir niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat, gelet op het bepaalde in artikel 12, tweede lid, van de Awir, paragraaf ‘4.1.3.2 Dwangsom bij niet tijdig beslissen’ van de Awb in dit geval niet van toepassing is. De Afdeling komt gelet op het vorenstaande niet dan ook toe aan beantwoording van de vraag of de Belastingdienst/Toeslagen tijdig heeft beslist op de aanvraag van 26 november 2014 en, zo dat niet het geval is, of hij [appellant] dwangsommen is verschuldigd.

Het betoog faalt reeds daarom.

Inzake het besluit met kenmerk IGS T

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat paragraaf ‘4.1.3.2 Dwangsom bij niet tijdig beslissen’ van de Awb niet van toepassing is op bezwaar tegen een voorschotbeschikking, zoals hier aan de orde, van een onjuiste wetstoepassing blijk geeft. Hij voert daartoe aan dat uit de toelichting op paragraaf ‘4.1.3.2 Dwangsom bij niet tijdig beslissen’ volgt dat deze paragraaf niet van toepassing is op de definitieve toekenning van huurtoeslag, maar wel op voorschotbeschikkingen.

6.1. Het door [appellant] bij brief van 6 januari 2015 gemaakte bezwaar richt zich tegen de voorschotbeschikking van 30 december 2014 en derhalve niet tegen een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 14 van de Awir, zodat ook in dit geval paragraaf ‘4.1.3.2 Dwangsom bij niet tijdig beslissen’ van de Awb niet van toepassing is. Dit betekent dan ook dat, hoewel, naar de rechtbank heeft vastgesteld en de Belastingdienst/Toeslagen niet heeft bestreden, niet tijdig op het bezwaar van [appellant] is beslist, de Belastingdienst/Toeslagen geen dwangsom is verschuldigd.

Het betoog faalt.

Conclusie

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Wieland

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2017

502.