Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:832

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
201605265/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 mei 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Franciscus" vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1665
JOM 2018/250
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605265/1/R3.

Datum uitspraak: 29 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te Rotterdam, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]),

2.    de vereniging Rotterdamse Rugby Club, gevestigd te Rotterdam,

3.    [appellant sub 3], handelend onder de naam [autobedrijf], wonend te Rotterdam,

en

de raad van de gemeente Rotterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Franciscus" vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], de Rotterdamse Rugby Club en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 februari 2017, waar [appellant sub 1], bijgestaan door ing. M.H. Middelkamp, rechtsbijstandverlener te Almelo, de Rotterdamse Rugby Club, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en [appellant sub 3], bijgestaan door mr. M.C. van Meppelen Scheppink, advocaat te Rotterdam, vergezeld door [gemachtigde] zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende] gehoord.

    Overwegingen

Inleiding

1.    Het plan voorziet in een actueel planologisch-juridisch kader voor de Rotterdamse buurten Overschie, Hillegersberg-Schiebroek en Noord. Het plangebied wordt in grote lijnen begrensd door infrastructuur. Zo bevindt zich de autosnelweg A20 ten zuiden van het plangebied, de provinciale weg N471 ten westen van het plangebied, een gedeelte van de RandstadRail ten oosten van het plangebied en een gedeelte van het tracé van de Hogesnelheidslijn ten westen van het plangebied. Het plan vervangt vijf bestemmingsplannen. Verder vult het plan zogenoemde ‘witte vlekken’ op die zijn ontstaan nadat zeven verouderde bestemmingsplannen ingevolge artikel 9.3.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening waren vervallen.

2.     Met het plan beoogt de raad hoofdzakelijk de bestaande situatie vast te leggen.

3.    De wettelijke bepalingen en relevante planregels die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Het beroep van [appellant sub 1]

Intrekking

4.    Ter zitting heeft [appellant sub 1] zijn beroepsgrond over het niet vaststellen van een exploitatieplan ingetrokken.

Inleiding

5.    Tot haar overlijden was [moeder appellanten sub 1] eigenaar van het perceel [locatie 1]. Dit perceel wordt ook wel het [appellant sub 1]-terrein genoemd. Op het perceel zijn ongeveer 30 bergingen aanwezig. Een gedeelte van het perceel is onbebouwd. De broers [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] wonen thans op het perceel en zijn twee van de erven van wijlen [moeder appellanten sub 1].

Ontvankelijkheid

6.    De raad neemt in het verweerschrift het standpunt in dat het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk is, omdat [appellant sub 1A] geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren heeft gebracht.

6.1.    [appellant sub 1B] heeft op 16 juni 2015 een mondelinge zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht. Ter zitting heeft hij gesteld dat hij deze zienswijze mede namens zijn broer [appellant sub 1A] heeft ingediend. Dit blijkt echter niet uit het conform artikel 3:17 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) opgemaakte verslag. Gelet hierop en nu de twee broers ook niet hebben geklaagd over de in het verslag opgenomen weergave van de mondelinge zienswijze, acht de Afdeling niet aannemelijk dat de mondelinge zienswijze van [appellant sub 1B] mede namens zijn broer [appellant sub 1A] is ingediend. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het beroep van [appellant sub 1], voor zover ingesteld door [appellant sub 1A], niet-ontvankelijk is.

7.    De raad stelt zich in het verweerschrift voorts op het standpunt dat [appellant sub 1B] geen belanghebbende is, omdat het eigendom van het perceel [locatie 1] rust bij de vijf erven [moeder appellanten sub 1] tezamen en niet bij een enkele van hen.

7.1.    [appellant sub 1B] woont op het perceel [locatie 1] en is mede-eigenaar van dit perceel. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat zijn belang rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken en dat hij daarom belanghebbende is.

8.    Het beroep, voor zover ingesteld door [appellant sub 1A], is niet-ontvankelijk. Het beroep, voor zover ingesteld door [appellant sub 1B] (hierna: [appellant sub 1]), is wel ontvankelijk.

Milieueffectrapport (hierna: MER)

9.    [appellant sub 1] betoogt dat ten onrechte geen MER is opgesteld voorafgaande aan de vaststelling van het plan.

9.1.    Zoals in paragraaf 6.2.1 van de plantoelichting terecht staat vermeld, voorziet het plan niet in activiteiten die in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage onder de kolommen C of D zijn opgenomen. Verder is in deze paragraaf geconcludeerd dat uit verschillende milieuonderzoeken blijkt dat er geen grote negatieve effecten van het plan op het milieu worden verwacht. [appellant sub 1] heeft geen omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan aan deze conclusie zou moeten worden getwijfeld. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat er voor de raad geen plicht bestond om voorafgaand aan de vaststelling van het plan een MER op te stellen. Het betoog faalt.

Artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998

10.    [appellant sub 1] betoogt voorts dat het plan in strijd met artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) is vastgesteld. Hiertoe voert hij aan dat met name vanwege de bestemming "Verkeer-Erf" voor het [appellant sub 1]-terrein, die volgens hem de stalling van zo’n 100 bussen mogelijk maakt, onderzoek had moeten worden gedaan naar de gevolgen van het plan voor de dichtstbij gelegen Natura 2000-gebieden wat betreft de aspecten akoestiek en luchtkwaliteit.

10.1.    Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

10.2.    De bepalingen van de Nbw 1998 hebben in het bijzonder ten doel om het algemene belang van bescherming van natuur en landschap te beschermen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1412, volgt dat de belangen van omwonenden bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met de algemene belangen die de Nbw 1998 beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Nbw 1998 kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.

    Ter zitting is vast komen te staan dat [appellant sub 1] op een afstand van minstens 15 km woont van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Gelet op deze afstand woont hij niet in de onmiddellijke nabijheid van een Natura 2000-gebied. Op deze afstand bestaat geen verwevenheid van de individuele belangen van [appellant sub 1] bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn directe leefomgeving met de algemene belangen die artikel 19j van de Nbw 1998 beoogt te beschermen. Artikel 19j van de Nbw strekt daarom kennelijk niet tot bescherming van zijn belangen.

10.3.    [appellant sub 1] heeft aangevoerd dat de werking van het relativiteitsvereiste in dit geval vanwege het gelijkheidsbeginsel of vertrouwensbeginsel gecorrigeerd moet worden. Hiermee doelt [appellant sub 1] kennelijk op de uitspraak van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:732, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel kan leiden tot een correctie op de toepassing van het relativiteitsvereiste. [appellant sub 1] heeft zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel echter niet onderbouwd, zodat het reeds daarom niet kan leiden tot een correctie op de toepassing van het relativiteitsvereiste.

10.4.    Gelet op hetgeen onder 10.2 is overwogen betekent dit dat artikel 8:69a van de Awb [appellant sub 1] kan worden tegengeworpen. De Afdeling ziet dan ook af van een inhoudelijke bespreking van het betoog over artikel 19j van de Nbw 1998.

Bestemming "Verkeer - Erf"

11.    [appellant sub 1] kan zich niet verenigen met de bestemming "Verkeer - Erf" die aan een gedeelte van het perceel [locatie 1] is toegekend. Hij voert aan dat eengezinswoningen als gevolg van deze bestemming ten onrechte niet langer zijn toegestaan zoals onder het voorheen geldende Uitbreidingsplan wel het geval was. Verder voert hij aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn concrete bouwplan voor het realiseren van woningen en dat het perceel ernstig in waarde daalt als gevolg van deze bestemming. Ook betoogt hij dat de bestemming "Verkeer - Erf" in strijd met het gelijkheidsbeginsel is opgenomen, nu ter plaatse van het perceel Overschiese Kleiweg 627B wel een woning wordt toegestaan maar op zijn perceel niet.

11.1.    De raad stelt in de nota van zienswijzen dat hij de feitelijk bestaande situatie als zodanig heeft bestemd door de onbebouwde perceelgedeelten voor "Verkeer - Erf" te bestemmen.

11.2.    Het vorige plan dat gold voor het perceel [locatie 1] betreft het uitbreidingsplan "Kleiweg en omgeving, uitbreidingsplan in onderdelen" dat op 27 juli 1961 door de raad is vastgesteld en op 21 maart 1962 door het college van gedeputeerde staten is goedgekeurd en in werking is getreden.

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 10 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL7012, moet uit de artikelen 9.3.2 en 9.1.4, vierde lid, van de Invoeringswet Wro, in onderlinge samenhang bezien, worden afgeleid dat de onder de Woningwet 1901 tot stand gekomen uitbreidingsplannen hun rechtsgevolg behouden tot vijf jaar na inwerkingtreding van de Wro. Dit betekent dat het uitbreidingsplan "Kleiweg en omgeving, uitbreidingsplan in onderdelen" zijn rechtsgevolg per 1 juli 2013 heeft verloren. Derhalve gold ten tijde van de vaststelling van het plan op 12 mei 2016 geen planologisch regime meer voor het perceel [locatie 1].

    Gelet hierop acht de Afdeling het in beginsel niet onredelijk dat de raad de feitelijk bestaande situatie als zodanig heeft willen bestemmen door aan het onbebouwde perceelgedeelte de bestemming "Verkeer - Erf" toe te kennen. Hierbij betrekt de Afdeling dat de raad ter zitting heeft bevestigd dat hij deze feitelijk bestaande situatie in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening acht.

11.2.1.    Het voorgaande laat onverlet dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening dient te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.

    Volgens [appellant sub 1] heeft de raad ten onrechte geen rekening gehouden met zijn concrete bouwplan voor woningbouw op het perceel [locatie 1]. [appellant sub 1] doelt hiermee op de aanvraag voor een omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van twaalf woningen die hij op 11 mei 2016, de dag voorafgaand aan de vaststelling van het plan, heeft ingediend. Ter zitting is gebleken dat [appellant sub 1] dit initiatief niet eerder dan 11 mei 2016 naar voren heeft gebracht. Het initiatief is derhalve niet tijdig kenbaar gemaakt, zodat de raad hiermee bij de vaststelling van het plan geen rekening hoefde te houden.

    Eerst ter zitting heeft [appellant sub 1] nog naar voren gebracht, maar niet onderbouwd, dat zijn schoonzoon enkele jaren geleden namens hem een concreet initiatief voor woningbouw bij het gemeentebestuur kenbaar heeft gemaakt. Niet is gebleken dat [appellant sub 1] dit argument niet eerder naar voren had kunnen brengen. Gelet hierop en nu de raad geen tijd heeft gehad dit te controleren en op passende wijze hierop te reageren, dient dit argument wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te blijven.

11.2.2.    Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van het perceel [locatie 1] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

11.2.3.    Ter zitting is gebleken dat de raad de bestemming "Verkeer - Erf" heeft toegekend aan de gronden ter plaatse van het perceel Overschiese Kleiweg 627B waarop [appellant sub 1] met zijn betoog over het gelijkheidsbeginsel doelt. Gelet hierop heeft de raad de situaties op de beide percelen bij de vaststelling van het plan gelijk behandeld.

    Ter zitting heeft [appellant sub 1] nog toegelicht dat het college van burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning heeft verleend ten behoeve van de bouw van een woning op het perceel Overschiese Kleiweg 627B. Of het college, gelet op de situatie op dat perceel, tevens een omgevingsvergunning aan [appellant sub 1] had moeten verlenen ten behoeve van de realisatie van woningen op het perceel [locatie 1], zoals [appellant sub 1] meent, is echter een vraag die buiten het bereik van deze procedure over het bestemmingsplan valt.

    Gelet op het voorgaande kan hetgeen [appellant sub 1] over het perceel Overschiese Kleiweg 627B heeft aangevoerd niet leiden tot het oordeel dat de raad de bestemming "Verkeer - Erf" niet had mogen toekennen aan het perceel [locatie 1].

11.2.4.    [appellant sub 1] heeft eerst ter zitting nog aangevoerd dat in het verleden ruim 10.000 m² grond aan de gemeente is verkocht, waarbij de afspraak is gemaakt dat [appellant sub 1] woningen zou mogen realiseren op de gronden die nu voor "Verkeer - Erf" zijn bestemd. Niet is gebleken dat [appellant sub 1] dit argument niet eerder naar voren had kunnen brengen. Gelet hierop en nu de raad geen tijd heeft gehad dit argument te controleren zodat hij niet passend hierop heeft kunnen reageren, dient dit argument wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te blijven.

11.2.5.    Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad de bestemming "Verkeer - Erf" in redelijkheid aan een gedeelte van het perceel [locatie 1] heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

Bergingen

12.    [appellant sub 1] betoogt in zijn beroepschrift dat de planregels in strijd met de rechtszekerheid voor meerderlei uitleg vatbaar zijn. Ter zitting is gebleken dat [appellant sub 1] met zijn betoog doelt op artikel 26, lid 26.3, van de planregels. Volgens hem is onduidelijk in hoeverre (motor)voertuigen, gelet op deze planregel, gestald mogen worden in de 30 bergingen op het perceel.

12.1.    Aan de gronden waarop zich de ongeveer 30 bergingen bevinden, is de bestemming "Wonen - Berging" toegekend.

12.2.    Artikel 26, lid 26.3, van de planregels staat toe dat [appellant sub 1] zijn eigen (motor)voertuigen in de bergingen stalt, alsmede dat derden hun (motor)voertuigen daar niet-bedrijfsmatig stallen. Lid 26.3 staat echter niet toe dat [appellant sub 1] of derden voor bedrijfsmatige doeleinden (motor)voertuigen stallen in de bergingen. Evenmin is het toegestaan aan (motor)voertuigen te klussen of ander soort werkzaamheden uit te voeren in de bergingen, zoals [appellant sub 1] ter zitting nog heeft geopperd. De Afdeling acht lid 26.3 voldoende duidelijk, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het in strijd met de rechtszekerheid is vastgesteld. Het betoog faalt.

12.3.    Ter zitting is gebleken dat de raad met lid 26.3, wat betreft de stalling van (motor)voertuigen, eigenlijk heeft willen regelen dat uitsluitend [appellant sub 1] zijn (motor)voertuigen in de bergingen mag stallen. Voor zover de raad aanleiding zou zien het plan te wijzigen om alsnog een dergelijke planregeling voor het [appellant sub 1]-terrein op te nemen, overweegt de Afdeling daarover ten overvloede als volgt. Niet aannemelijk is dat [appellant sub 1] 30 bergingen kan gebruiken voor louter huishoudelijke berging en voor de stalling van zijn eigen (motor)voertuigen. Een dergelijke planregeling zou tot gevolg hebben dat [appellant sub 1] een groot deel van de bestaande bergingen niet kan gebruiken. Dit zou zijn gebruiksmogelijkheden zodanig beperken, dat een dergelijke planregeling niet redelijk is te achten. Bovendien valt te verwachten dat een dergelijke planregeling niet binnen de planperiode uitvoerbaar is.

Het beroep van de Rotterdamse Rugby Club

Inleiding

13.    De Rotterdamse Rugby Club is gevestigd aan het Duivenpad 12. De vereniging is de afgelopen jaren zodanig gegroeid dat zij inmiddels ongeveer 400 leden heeft. Gelet op dit grotere ledenaantal, beschikt de Rotterdamse Rugby Club op haar huidige locatie inmiddels over te weinig sportvelden. Het trainingsveld wordt nu ook als wedstrijdveld gebruikt, hetgeen de vereniging onwenselijk vindt. Ook de bestaande faciliteiten ter plaatse, zoals het gebouwtje dat in de jaren ’60 van de vorige eeuw als clubhuis is gebouwd, voldoen niet meer. De Rotterdamse Rugby Club ziet geen mogelijkheid uit te breiden op haar huidige locatie en de bestaande faciliteiten aldaar te moderniseren. Daarom wil zij verhuizen naar een andere locatie in Rotterdam.

14.    In het plangebied zijn verschillende sportvelden aanwezig, onder meer aan de Noorderbocht 29 en aan de Overschiese Kleiweg. Het beroep is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Groen" voor de sportvelden aan de Overschiese Kleiweg.

Ontvankelijkheid

15.    De raad brengt in zijn verweerschrift naar voren dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat de Rotterdamse Rugby Club geen zienswijze naar voren heeft gebracht over het ontwerpplandeel met de bestemming "Groen" voor de sportvelden aan de Overschiese Kleiweg.

15.1.    Bij brief van 15 juni 2015 heeft de Rotterdamse Rugby Club een zienswijze over het ontwerpplandeel met de bestemming "Groen" voor de sportvelden aan de Noorderbocht 29 naar voren gebracht.

    In het aanvullende beroepschrift betoogt de vereniging dat haar zienswijze veralgemeend kan worden in die zin dat de zienswijze niet alleen gaat over de sportvelden ter plaatse van het perceel Noorderbocht 29, maar dat deze ook gaat over de sportvelden aan de Overschiese Kleiweg waartegen het beroep is gericht. Volgens de Rotterdamse Rugby Club was in het ontwerpplan voor deze beide locaties immers de bestemming "Groen" toegekend op grond van hetzelfde gemeentelijk beleid dat erop neer komt dat de voormalige amateurvoetbalvelden gerevitaliseerd moeten worden. De Afdeling vindt voor het betoog van de Rotterdamse Ruby Club geen steun in de tekst van de zienswijze. De zienswijze is specifiek en uitsluitend gericht tegen het plandeel met de bestemming "Groen" voor de sportvelden ter plaatse van het perceel Noorderbocht 29. Anders dan de Rotterdamse Rugby Club in het aanvullende beroepschrift verder betoogt, is dit plandeel een zelfstandig planonderdeel en vormt het niet één planonderdeel samen met het plandeel voor de sportvelden aan de Overschiese Kleiweg. Het beroep, dat is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Groen" voor de sportvelden aan de Overschiese Kleiweg, steunt derhalve niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

15.2.    Een belanghebbende kan geen beroep instellen tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover zij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij haar redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

    Deze omstandigheid doet zich niet voor. Geen rechtvaardiging is gelegen in de door de Rotterdamse Rugby Club gestelde omstandigheid dat pas na afloop van de zienswijzentermijn is gebleken dat de Rotterdamse Rugby Club niet in aanmerking komt voor de sportvelden ter plaatse van het perceel Noorderbocht 29. De vereniging had zekerheidshalve een zienswijze kunnen indienen over de plandelen voor beide sportvelden die in het ontwerpbestemmingsplan de bestemming "Groen" hadden gekregen. Dat de vereniging dit niet heeft gedaan omdat zij de locatie aan de Overschiese Kleiweg pas in haar vizier kreeg vanaf het moment dat duidelijk werd dat zij niet zou verhuizen naar de locatie aan de Noorderbocht, is een omstandigheid waarvan de gevolgen voor haar eigen rekening dienen te blijven. Nu de stelling van de vereniging dat een gemeenteambtenaar haar heeft geadviseerd over het naar voren brengen van een zienswijze niet nader is onderbouwd, is ook daarin geen rechtvaardiging gelegen.

15.3.    Het beroep is niet-ontvankelijk.

Het beroep van [appellant sub 3]

Inleiding

16.    [appellant sub 3] woont aan de [locatie 2] en exploiteert daar eveneens een autobedrijf. Zijn bedrijfsactiviteiten bestaan uit handel in en reparatie van personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s. Op termijn wenst [appellant sub 3] het perceelgedeelte waarop zijn bedrijfsactiviteiten plaatsvinden te splitsen van de woning en als zelfstandig bedrijfsperceel aan een derde, bijvoorbeeld zijn zoon, te verhuren of te verkopen. Na een dergelijke splitsing en verhuur of verkoop, wil [appellant sub 3] zelf in de woning blijven wonen.

17.    Het beroep richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" en de functieaanduiding "bedrijf" voor het perceel [locatie 2].

Ontvankelijkheid

18.    De raad brengt in zijn verweerschrift naar voren dat [appellant sub 3] geen belanghebbende is, nu hij geen eigenaar is van het perceel [locatie 2].

18.1.    Nu [appellant sub 3] aan de [locatie 2] zijn eenmanszaak exploiteert en daar tevens woont, is zijn belang rechtstreeks bij het plandeel met de bestemming "Wonen" en de functieaanduiding "bedrijf" voor dit perceel betrokken. Hij is derhalve belanghebbende.

18.2.    Het beroep is ontvankelijk.

Inhoud

19.    [appellant sub 3] betoogt dat ten behoeve van de door hem op termijn gewenste verhuur of verkoop van het achterste perceelgedeelte waarop zijn bedrijfsactiviteiten plaatsvinden, ten onrechte niet de bestemming "Bedrijf - 1" aan dat perceelgedeelte is toegekend. Volgens [appellant sub 3] biedt de bestemming "Bedrijf - 1" ook meer bouwmogelijkheden.

    [appellant sub 3] betoogt voorts dat de raad de bestemming "Bedrijf - 1" in strijd met het gelijkheidsbeginsel niet heeft toegekend, terwijl deze bestemming wel is toegekend aan het perceel Overschiese Kleiweg 581.

19.1.    Niet in geschil is dat [appellant sub 3]s bedrijfsactiviteiten ter plaatse van het perceel [locatie 2] als zodanig zijn bestemd. Gelet op artikel 25, lid 25.1, van de planregels moeten de bedrijfsactiviteiten ter plaatse van het perceel [locatie 2] in ieder geval ook door de hoofdbewoner van het perceel worden uitgevoerd. Dit staat een splitsing en verhuur of verkoop van het perceelgedeelte dat bedrijfsmatig wordt gebruikt, zoals [appellant sub 3] op termijn zou willen, in de weg. De raad acht het gelet op de afstand van ongeveer 2 meter tussen de woning en de bedrijfsactiviteiten ter plaatse niet ruimtelijk aanvaardbaar om zelfstandige bedrijfsactiviteiten toe te staan op het perceel [locatie 2]. Daarom heeft de raad geen groter gewicht willen toekennen aan het belang van [appellant sub 3] bij toekomstige verhuur- of verkoopmogelijkheden van het perceelgedeelte dat [appellant sub 3] thans bedrijfsmatig exploiteert en bij meer bouwmogelijkheden voor dat perceelgedeelte, dan hij heeft gedaan. Naar het oordeel van de Afdeling is dit niet onredelijk. Het betoog faalt.

19.2.    De raad hanteert voor de percelen aan de Overschiese Kleiweg als uitgangspunt dat de woonfunctie en bedrijfsactiviteiten met elkaar verbonden moeten zijn. Ten behoeve hiervan heeft de raad in artikel 25, lid 25.1, van de planregels neergelegd dat de bedrijfsactiviteiten door de hoofdbewoner moeten worden uitgevoerd. Het perceel Overschiese Kleiweg 581, waaraan gedeeltelijk de bestemming "Bedrijf 1" en gedeeltelijk de bestemming "Wonen" is toegekend, betreft volgens de raad een uitzondering op dit uitgangspunt, omdat dit perceel ten tijde van de vaststelling van het plan reeds was gesplitst in een woonperceel en een bedrijfsperceeI en de woning reeds was verkocht. Verder is ter zitting duidelijk geworden dat de inrichting van het perceel Overschiese Kleiweg 581 anders is dan die van het perceel [locatie 2], nu het bedrijfsgedeelte bij nummer 581 op een grotere afstand van het woongedeelte is gesitueerd dan het bedrijfs- en woongedeelte op nummer [locatie 2] in relatie tot elkaar zijn gesitueerd. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de situatie ter plaatse van de Overschiese Kleiweg 581 vergelijkbaar is met de thans aan de orde zijnde situatie ter plaatse van de [locatie 2]. Het betoog faalt.

Conclusie

20.    Het beroep van [appellant sub 1], voor zover ingesteld door [appellant sub 1A], is niet-ontvankelijk. Het beroep van [appellant sub 1], voor zover ontvankelijk, is ongegrond.

21.    Het beroep van de Rotterdamse Rugby Club is niet-ontvankelijk.

22.    Het beroep van [appellant sub 3] is ongegrond.

Proceskosten

23.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], voor zover ingesteld door [appellant sub 1A], niet-ontvankelijk en, voor zover ontvankelijk, ongegrond;

II.    verklaart het beroep van de vereniging Rotterdamse Rugby Club niet-ontvankelijk;

III.    verklaart het beroep van [appellant sub 3], handelend onder de naam [autobedrijf], ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Zweistra-Immink, griffier.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Zweistra-Immink

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2017

813. BIJLAGE

* Bij rechtsoverwegingen 6.1, 7.1, 15.1,15.2 en 18.1

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 1:2

1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Artikel 3:15

1. Belanghebbenden kunnen bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen.

Artikel 3:17

Van hetgeen overeenkomstig artikel 3:15 mondeling naar voren is gebracht, wordt een verslag gemaakt.

Artikel 6:13

Geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

Artikel 8:1

Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

* Bij rechtsoverweging 10.2

Awb

Artikel 8:69a

De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998)

Ten tijde van de vaststelling van het plan

Artikel 19 j

1. Een bestuursorgaan houdt bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die terzake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening

a. met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied, en

b. met het op grond van artikel 19a of artikel 19b voor dat gebied vastgestelde beheerplan voor zover dat betrekking heeft op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid.

2. Voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, maakt het bestuursorgaan alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, van dat gebied.

* Bij rechtsoverwegingen 11.2 t/m 11.2.5

Planregels bij het plan "Franciscus"

Artikel 19 Verkeer - Erf

19.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Verkeer - Erf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. terrein ten behoeve van de ontsluiting van de aanliggende bebouwing, voor parkeren, groenvoorzieningen en waterlopen;

b. een parkeerplaats voor circa 100 bussen (eventueel overdekt), een kantoor- en wachtruimte, een werkplaats voor de locatie direct gelegen naast de tramremise en busstalling aan de Kleiweg 242-246;

c. ter plaatse van op de verbeelding aangegeven functie-aanduiding ‘opslag’ is een bijgebouw ten behoeve van opslag toegestaan;

d. uitstekende delen aan gebouwen die toegelaten zijn krachtens een aangrenzende bouwbestemming;

e. ongebouwde terrassen, grenzend aan de bestemming waar horeca is toegestaan;

f. ‘Waarde - Archeologie 2’, voor zover de gronden mede als zodanig zijn bestemd.

* Bij rechtsoverweging 12.2

Planregels bij het plan "Franciscus"

Artikel 26 Wonen - Berging

26.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Wonen - Berging’ aangewezen gronden zijn bestemd voor

a. bergingen voor huishoudelijke doeleinden.

 26.3 Specifieke gebruiksregels

Bergingen mogen uitsluitend worden gebruikt voor huishoudelijke berging, alsmede voor de niet bedrijfsmatige stalling van (motor)voertuigen.

* Bij rechtsoverweging 19.1

Planregels bij het plan "Franciscus"

Artikel 3 Bedrijf -1

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Bedrijf-1"aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. bedrijven, met het daarbij behorende erf en werkterrein;

(…).

3.2.2 Bebouwingsnormen

a. Voor zover op de verbeelding een bouwvlak is opgenomen, is het bouwen van bedrijfsbebouwing uitsluitend toegestaan binnen dit bouwvlak;

b. Voor de locatie van de RET, gelegen aan de Kleiweg 242-246 is naast de op de verbeelding aangegeven hoogte van 10 meter incidenteel een bouwhoogte toegestaan van 13 meter;

c. op het adres Overschiese Kleiweg 581 is een maximum bebouwingsoppervlak van 350 m² toegestaan.

3.3.1 Toegestane bedrijven

a. bedrijven t/m categorie 2 van de lijst van bedrijfsactiviteiten behorende bij deze regels zijn toegestaan;

(…);

e. alsmede een bedrijf in carrosserieherstel in categorie 3.2 en de handel en reparatie van auto’s in categorie 2 aan de Overschiese Kleiweg 581.

Artikel 25 Wonen

25.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. woningen, alsmede tuinen, groen, water en ontsluitingswegen en -paden;

b. ter plaatse van op de verbeelding aangegeven aanduiding "bedrijf (b)" zijn tevens de hieronder genoemde bedrijven toegestaan, met dien verstande dat de bedrijfsactiviteiten in ieder geval ook door de hoofdbewoner van de woning op het desbetreffende perceel moet worden uitgevoerd. Het betreffen:

(…);

2. een bedrijf in categorie 2 als bedoeld in de bij deze regels behorende lijst van bedrijfsactiviteiten aan de [locatie 2];

(…)

25.2.2 Bebouwingsnormen

(…);

d. in uitzondering van het bepaalde met betrekking tot het ‘omgevingsvergunningvrij’ bouwen zijn bijgebouwen toegestaan, met een maximale oppervlakte zoals in bijlage 3 behorend bij de regels staat aangegeven, met een goothoogte van maximaal 3 meter, en maximale nokhoogte van 4 meter met uitzondering voor het bijgebouw bij de [locatie 1]/613, waar een maximale bouwhoogte van 6 meter is toegestaan;

e. voor de in lid 24.1 (lees: 25.1) genoemde bedrijvigheid is in Bijlage 3, behorend bij de regels, de maximale oppervlakte aan bebouwing opgenomen, met een goothoogte van maximaal 3 meter, en maximale nokhoogte van 4 meter, tenzij anders op de verbeelding staat aangegeven.

Bijlage 3 Oppervlakte bebouwing

Bijlage behorende bij artikel 24 (lees: 25) van de planregels

De maximale gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen bedraagt:

Bestemming "Wonen" met de aanduiding "bedrijf (b)"

Overschiese Kleiweg 569: 260 m²

[locatie 2]: 205 m²;

Overschiese Kleiweg 617: 320 m²