Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:830

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
201509492/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 mei 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten huur- en zorgtoeslag en kindgebonden budget over het berekeningsjaar 2013 van [appellante] op nihil vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201509492/1/A2.

Datum uitspraak: 29 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], mede voor haar minderjarige kind, wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 november 2015 in zaken nrs. 14/646, 14/649 en 14/652 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten huur- en zorgtoeslag en kindgebonden budget over het berekeningsjaar 2013 van [appellante] op nihil vastgesteld.

Bij besluit van 21 december 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en, in lijn hiermee, bij besluit van 21 januari 2014 voor een gedeelte van het berekeningsjaar 2013 voorschotten toegekend. Bij besluit van 14 maart 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen dat besluit herzien en de voorschotten alsnog op nihil vastgesteld.

Bij uitspraak van 27 november 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] tegen het besluit van 21 december 2013, voor zover dat betrekking heeft op het berekeningsjaar 2013, en het besluit van14 maart 2014 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 mei 2016, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam bij de Belastingdienst/Toeslagen, zijn verschenen.

    Overwegingen

Inleiding

Verblijfsprocedure

1.    [appellante] is afkomstig uit Nigeria. Zij heeft op 16 oktober 2009 een asielaanvraag ingediend, die de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie bij besluit van 23 oktober 2009 heeft afgewezen. Een aangifte van [appellante] van mensenhandel bij de politie Amsterdam-Amstelland op 3 januari 2011 heeft de staatssecretaris aangemerkt als een aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Die verblijfsvergunning heeft de staatssecretaris op grond van de zogenoemde B9-regeling verleend. De staatssecretaris heeft de verblijfsvergunning verlengd tot 3 januari 2013.

2.    [appellante] heeft op 1 maart 2012 een aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel voortgezet verblijf ingediend. Die aanvraag heeft de staatssecretaris bij besluit van 14 augustus 2012 afgewezen en de eerder verleende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken tot 28 december 2011. [appellante] heeft tegen het besluit van 14 augustus 2012 bezwaar gemaakt, dat bij besluit op bezwaar van 26 maart 2013 door de staatssecretaris ongegrond is verklaard. De rechtbank Den Haag, nevenzittingsplaats Groningen, heeft het daartegen ingestelde beroep op 1 oktober 2013 ongegrond verklaard. [appellante] heeft hiertegen hoger beroep ingesteld, dat de Afdeling bij uitspraak van 3 maart 2014 ongegrond heeft verklaard.

Besluitvorming van de Belastingdienst/Toeslagen

3.    [appellante] heeft huur- en zorgtoeslag en kindgebonden budget aangevraagd. De Belastingdienst/Toeslagen heeft op 28 december 2012 voorschotten huur- en zorgtoeslag en kindgebonden budget aan haar verleend van € 2.243,00, € 1.060,00 en € 1.017,00. Bij besluit van 23 april 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten verlaagd naar € 561,00, € 265,00 en € 254,00. Bij besluit van 21 mei 2013 zijn de voorschotten op nihil vastgesteld. Daaraan heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat [appellante] niet rechtmatig in Nederland verblijft of haar verblijfstatus geen recht geeft op een toeslag.

4.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft het bezwaar van [appellante] bij besluit van 21 december 2013 voor een gedeelte gegrond verklaard, omdat uit informatie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst is gebleken dat [appellante] tot 26 maart 2013 rechtmatig verblijf had in de zin van artikel 8, aanhef en onder g of h, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), en daaraan voorafgaand rechtmatig verblijf had op grond van een verblijfsvergunning regulier. Vanaf 26 maart 2013 heeft [appellante] geen rechtmatig verblijf en dus geen recht op toeslagen meer, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.

5.    Naar aanleiding van het besluit van 21 december 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen bij besluit van 21 januari 2014 voorschotten toegekend van € 561,00, € 265,00 en € 254,00. Bij besluit van 14 maart 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen deze voorschotten alsnog op nihil vastgesteld.

Uitspraak van de rechtbank

6.    De rechtbank heeft overwogen dat de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bij besluit van 14 augustus 2012 met terugwerkende kracht tot 28 december 2011 tot gevolg heeft dat [appellante] vanaf 28 december 2011 tot 14 augustus 2012 in Nederland geen rechtmatig verblijf heeft gehad. Het instellen van beroep tegen het besluit van 26 maart 2013 had, gelet op artikel 82, eerste lid, van de Vw 2000, weliswaar tot gevolg dat [appellante] procedureel rechtmatig verblijf kreeg op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000, tot 1 oktober 2013, maar dit leidt er niet toe dat [appellante] over de periode 1 januari 2013 tot 1 oktober 2013 recht op toeslagen heeft. Volgens de rechtbank sluit de periode van procedureel rechtmatig verblijf niet aan op een eerdere periode van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a tot en met e of l, van de Vw 2000. Vanaf 28 december 2011 tot 14 augustus 2012 had [appellante] immers niet zodanig rechtmatig verblijf. De rechtbank heeft geen steun gezien in het recht voor het standpunt van [appellante] dat intrekking met terugwerkende kracht volgens de systematiek van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) niet is toegestaan.

7.    De rechtbank heeft verder overwogen dat in het geval van [appellante] geen bijzondere omstandigheden zijn die ertoe nopen om artikel 9, eerste lid, van de Awir buiten toepassing te laten en [appellante] voor de resterende periode van 2013 toeslagen toe te kennen.

Hoger beroep [appellante]

8.    [appellante] kan zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank en brengt de volgende gronden tegen de uitspraak in.

9.    In de eerste plaats heeft de rechtbank volgens [appellante] artikel 9, eerste lid, van de Awir verkeerd uitgelegd. De strekking van dat artikel is, zo betoogt [appellante], dat vreemdelingen die rechtmatig verblijf hebben gehad in Nederland lopende de procedures over hun voorgezette verblijfsrecht aanspraak behouden op dezelfde voorzieningen. Een andere lezing, waarvoor [appellante] geen steun vindt in de wetsgeschiedenis, leidt ertoe dat rechtsbescherming geen nuttig effect heeft en voorzieningen op eigen risico worden ontvangen.

10.    In de tweede plaats betoogt [appellante] dat de door de rechtbank gegeven uitleg van artikel 9, eerste lid, van de Awir niet verenigbaar is met het Unierecht. [appellante] voert in dit verband aan dat in de jurisprudentie van het Hof van Justitie is uitgemaakt dat er aanspraak op voorzieningen blijft bestaan lopende de procedures over het al dan niet bestaan van een verblijfsrecht. Steun voor dit standpunt vindt zij in de arresten van 18 december 2014, Moussa Abdida, ECLI:EU:C:2014:2435, punt 57, en 24 juni 2015, H.T., ECLI:EU:C:2015:413, punt 98. Uit deze jurisprudentie leidt [appellante] af dat de procedure inzake de intrekking van de verblijfsvergunning eerst met de uitspraak van de Afdeling van 3 maart 2014 in rechte is komen vast te staan. Daarmee heeft zij, zo stelt [appellante], over het gehele berekeningsjaar 2013 recht op toeslagen.

Wettelijk kader

11.    De wetsartikelen die in deze zaak van belang zijn, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling

Periode tot 1 oktober 2013

12.    Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:969) heeft de Belastingdienst/Toeslagen in het geval van [appellante] een nieuw standpunt ingenomen. Volgens de Belastingdienst/Toeslagen vloeit uit die uitspraak voort, en met in achtneming van de overwegingen in de aangevallen uitspraak, dat [appellante] tot 1 oktober 2013 rechtmatig verblijf heeft gehad en daarmee tot die datum recht bestaat op huur- en zorgtoeslag en kindgebonden budget.

13.    Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, hetgeen de Belastingdienst/Toeslagen ook onderschrijft, heeft de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht niet tot gevolg dat [appellante] haar aanspraak op huur- en zorgtoeslag en kindgebonden budget als gevolg daarvan heeft verloren. Nu de Belastingdienst/Toeslagen niet is opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat als gevolg van het aanwenden van rechtsmiddelen de werking van het intrekkingsbesluit was opgeschort tot de uitspraak van 1 oktober 2013, dient van dat oordeel te worden uitgegaan. Vorenstaande betekent dat niet langer in geschil is dat [appellante] tot 1 oktober 2013 recht heeft op huur- en zorgtoeslag en kindgebonden budget.

    Het betoogt slaagt in zoverre.

Periode na 1 oktober 2013

14.    In geschil is of [appellante] hangende de procedure van het hoger beroep inzake de intrekking van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier over de periode van 1 oktober 2013 tot 31 december 2013 voortgezette aanspraak had op huur- en zorgtoeslag en kindgebonden budget.

15.    De Vw 2000 voorziet niet in schorsende werking van hoger beroep. Voorts is niet gebleken dat op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van [appellante] achterwege diende te blijven totdat op het door haar ingestelde hoger beroep was beslist.

16.    [appellante] heeft betoogd dat het Unierecht verplicht tot schorsende werking lopende de procedures over haar verblijfsrecht. Naast een verwijzing naar de onder 10 vermelde arresten Moussa Abdida en H.T., heeft [appellante] op de zitting bij de Afdeling gewezen op artikel 13 van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348; hierna: de Terugkeerrichtlijn). Volgens [appellante] moet er gelet op haar positie als kwetsbare vrouw, haar medische situatie en het welzijn van haar zoon een waarborg worden geboden in afwachting van de terugkeer naar haar land van herkomst. Gelet hierop, moet schorsende werking aan het hoger beroep worden toegekend en bestaat er recht op elementaire levensbehoeften, aldus [appellante].

17.    De vraag die rijst is of het Unierecht in dit geval vereist dat het instellen van hoger beroep automatische schorsende werking heeft met als gevolg dat de aanspraak op voorzieningen blijft bestaan gedurende die procedure.

17.1.    In het besluit van 14 augustus 2012 waarbij de aan [appellante] verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is ingetrokken en waarbij de aanvraag om voortgezet verblijf is afgewezen is een terugkeerverplichting opgelegd. Dit onderdeel van het besluit moet dus worden beschouwd als een "terugkeerbesluit" in de zin van artikel 3, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn.

17.2.    Artikel 13 van de Terugkeerrichtlijn schrijft voor dat een doeltreffend rechtsmiddel van beroep of bezwaar bij een bevoegde rechterlijke of administratieve autoriteit moet open staan in zaken betreffende terugkeerbesluiten die ten aanzien van derdelanders worden vastgesteld. Op grond van dit artikel kan de uitvoering van een terugkeerbesluit tijdelijk worden opgeschort, maar dit artikel vereist geen schorsende werking van het tegen dat besluit gerichte rechtsmiddel. Een dergelijk vereiste kan ook niet uit een andere bepaling van de Terugkeerrichtlijn worden afgeleid. Voorts verplicht de Terugkeerrichtlijn niet tot de procedure van hoger beroep.

17.3.    Het Hof van Justitie heeft in zijn rechtspraak nader invulling gegeven aan artikel 13, eerste lid van de Terugkeerrichtlijn. In punt 44 van het hiervoor onder 10 vermelde arrest Abdida overwoog het Hof van Justitie:

    "44. Artikel 13, lid 2, van die richtlijn bepaalt dat de autoriteit of instantie die bevoegd is om op dat beroep te beslissen, de uitvoering van het bestreden terugkeerbesluit tijdelijk kan opschorten, tenzij op grond van de nationale wetgeving reeds een tijdelijke opschorting van toepassing is. Het in artikel 13, lid 1, van die richtlijn bedoelde beroep hoeft volgens die richtlijn dus niet noodzakelijkerwijs schorsende werking te hebben."

Hoewel een schorsende werking in beginsel niet wordt vereist, overweegt het Hof van Justitie dat het rechtsmiddel moet voldoen aan het beginsel van effectieve rechtsbescherming en neemt daarbij de bijzondere omstandigheden van het geval in overweging. Mede onder verwijzing naar de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) over artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), oordeelde het Hof van Justitie:

    "50. (…) Het beroep tegen een terugkeerbesluit waarvan de uitvoering voor de betrokken derdelander een ernstig risico inhoudt dat zijn gezondheidssituatie op ernstige en onomkeerbare wijze verslechtert, is derhalve alleen dan doeltreffend wanneer die derdelander over een beroep met schorsende werking beschikt teneinde te waarborgen dat het terugkeerbesluit niet wordt uitgevoerd voordat een grief betreffende een schending van artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in het licht van artikel 19, lid 2, van het Handvest [van de grondrechten van de Europese Unie; hierna: het Handvest], door een bevoegde autoriteit is onderzocht."

Het Hof van Justitie vindt voor deze uitleg steun in artikel 47 van het Handvest welk beginsel volgens de toelichting bij het Handvest is gebaseerd op artikel 13 van het EVRM.

    "52. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft namelijk geoordeeld dat, wanneer een lidstaat besluit om een vreemdeling te verwijderen naar een land ten aanzien waarvan er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij een ernstig risico loopt te worden onderworpen aan behandelingen die in strijd zijn met artikel 3 EVRM, aan het in artikel 13 EVRM gestelde vereiste van een daadwerkelijk rechtsmiddel pas is voldaan wanneer de betrokkenen een beroep met van rechtswege opschortende werking kunnen instellen tegen de uitvoering van de maatregel op grond waarvan zij kunnen worden verwijderd (zie met name EHRM, arresten van 26 april 2007, Gebremedhin/Frankrijk, § 67, en 23 februari 2012, Hirsi Jamaa e.a./Italië, § 200).

    53. Uit een en ander volgt dat de artikelen 5 en 13 van richtlijn 2008/115, gelezen in het licht van de artikelen 19, lid 2 en 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die niet voorziet in een beroep met schorsende werking tegen een terugkeerbesluit waarvan de uitvoering voor de betrokken derdelander een ernstig risico inhoudt dat zijn gezondheidssituatie op ernstige en onomkeerbare wijze verslechtert."

17.4.    Onder verwijzing naar punten 52 en 53 van het voornoemde arrest Abdida, heeft het Hof van Justitie in het arrest van 17 december 2015, Tall, ECLI:EU:C:2015:824, herhaald dat in elk geval schorsende werking moet worden toegekend aan een beroep tegen een terugkeerbesluit waarvan de uitvoering voor de betrokken derdelander een ernstig risico inhoudt dat hij aan de doodstraf, aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing wordt onderworpen, zodat die derdelander de verzekering heeft dat aan de vereisten van artikelen 19, tweede lid, en 47 van het Handvest wordt voldaan. Het Hof heeft zich nog niet uitgelaten over de vraag of deze bepalingen ook schorsende werking vereisen wanneer het nationale wettelijke systeem voorziet in een procedure van hoger beroep in zaken betreffende terugkeerbesluiten.

17.5.    Uit het stelsel van de Vw 2000 volgt dat een vreemdeling, indien hij de bescherming van de Nederlandse autoriteiten wenst in te roepen tegen een reëel risico op foltering, onmenselijke behandeling of vernederende behandelingen en bestraffingen een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, dient in te dienen. Dit lijdt alleen uitzondering indien het beroep op artikel 3 van het EVRM berust op medische aspecten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI5892), staat de in het algemeen geldende scheiding tussen enerzijds gronden die aanspraak geven op verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en anderzijds gronden die aanspraak geven op een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd er niet aan in de weg om uitzonderlijke omstandigheden die de desbetreffende vreemdeling onder verwijzing naar de jurisprudentie van het EHRM (arresten van 2 mei 1997, D. tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:1997:0502JUD003024096, 6 februari 2001 Bensaid tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2001:0206JUD004459998, en 27 mei 2008 in de zaak N. tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0527JUD002656505) heeft gesteld te betrekken bij de beoordeling of aanspraak bestaat op verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd vanwege medische noodsituatie. Om met vrucht een beroep op bescherming tegen non-refoulement te kunnen doen, dient derhalve een afzonderlijke aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel of een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier vanwege medische noodsituatie te worden gedaan. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het vereiste van dergelijke afzonderlijke aanvragen op zichzelf niet in overeenstemming is met het Unierecht.

17.6.    Nu [appellante] dergelijke afzonderlijke aanvragen niet heeft ingediend en het hier aan de orde zijnde terugkeerbesluit dan ook geen betrekking heeft op een dergelijke aanvraag, bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat de mogelijke uitvoering van dat besluit voor [appellante] een reëel risico inhoudt dat zij aan folteringen, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing wordt onderworpen. Onder die omstandigheden noopt de Terugkeerrichtlijn noch de jurisprudentie van het Hof van Justitie tot de conclusie dat de effectieve rechtsbescherming vereist dat hoger beroep tegen dat de uitspraak van de rechtbank waarbij dat besluit in stand is gelaten automatisch schorsende werking heeft. Mitsdien heeft de Belastingdienst/Toeslagen kunnen afgaan op de informatie van de IND voor zover daaruit volgde dat [appellante] vanaf 1 oktober 2013 geen rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder g of h, van de Vw 2000 meer had, en heeft de dienst zich mitsdien terecht op het standpunt gesteld dat [appellante] vanaf die datum geen aanspraak op voortzetting van de aan haar verstrekte huur- en zorgtoeslag en kindgebonden budget op grond van artikel 9, eerste lid, van de Awir maakte.

18.    Het beroep van [appellante] op het arrest H.T. faalt, reeds nu deze uitspraak ziet op de toepassing van Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PB 2004 L 304 en - rectificatie PB 2005 L 204). Anders dan de desbetreffende vreemdeling in het arrest H.T. heeft [appellante] niet de vluchtelingenstatus als bedoeld in deze richtlijn. Voorts is geen door haar ingediend verzoek om internationale bescherming aan de orde.

19.    Er bestaat gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen, aangezien de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie.

20.    De conclusie is dat het betoog faalt.

Conclusie

21.    Het hoger beroep is, gelet op hetgeen hiervoor onder 13 is overwogen, gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen tegen de besluiten van 21 december 2013, voor zover dat betrekking heeft op het berekeningsjaar 2013, en 14 maart 2014 van de Belastingdienst/Toeslagen van alsnog gegrond verklaren. Die besluiten komen wegens strijd met artikel 9, eerste lid, van de Awir voor vernietiging in aanmerking. De Belastingdienst/Toeslagen dient een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het door de Belastingdienst/Toeslagen te nemen nieuwe besluit op bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

22.    De Belastingdienst/Toeslagen dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 november 2015 in zaken nrs. 14/646, 14/649 en 14/652;

III.    vernietigt de besluiten van de Belastingdienst/Toeslagen van 21 december 2013, kenmerk BOB DGH, voor zover deze betrekking heeft op het berekeningsjaar 2013, en 14 maart 2014, kenmerk […];

IV.    draagt de Belastingdienst/Toeslagen op om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

V.    bepaalt dat tegen het door de Belastingdienst/Toeslagen te nemen besluit slechts beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling;

VI.    veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1980,00 (zegge: negentienhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 293,00 (zegge: tweehonderddrieënnegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, griffier.

w.g. Borman    w.g. Van Soest-Ahlers

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2017

343. BIJLAGE

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 1

1. Deze wet geldt voor inkomensafhankelijke regelingen.

[…]

Artikel 9

1. Indien aan een vreemdeling tijdens een rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met e, en l, van de Vreemdelingenwet 2000 een tegemoetkoming is toegekend, heeft de omstandigheid dat hij aansluitend aan dit verblijf rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel g en h, van die wet niet tot gevolg dat hij daardoor zijn aanspraak verliest op eenzelfde tegemoetkoming gedurende de periode van laatstgenoemd verblijf.

[…]

De Wet op de zorgtoeslag is een inkomensafhankelijke regeling als bedoeld in artikel 1 van de Awir.

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 8

De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:

a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14;

c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28;

[…]

g. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 20 en 33, of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, of een wijziging ervan, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven tot dat op de aanvraag is beslist;

h. in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist;

[…]

Artikel 10

1. De vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft kan geen aanspraak maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan.

[…]

Artikel 14

1. Onze Minister is bevoegd:

a. de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen;

[…]

d. een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te trekken;

[…].

Artikel 27

1. De beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 […] wordt afgewezen, geldt als terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan, en heeft van rechtswege tot gevolg dat:

a. de vreemdeling niet langer rechtmatig verblijf heeft tenzij er een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf van toepassing is;

b. de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet, en

c. de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, na ommekomst van de termijn waarbinnen de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten, bevoegd zijn elke plaats te betreden, daaronder begrepen een woning, zonder de toestemming van de bewoner, teneinde de vreemdeling uit te zetten.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien:

[…]

c. een verblijfsvergunning is ingetrokken of de geldigheidsduur ervan niet is verlengd.

3. De gevolgen, bedoeld in het eerste lid, treden niet in indien de vreemdeling bezwaar of beroep heeft ingesteld en de werking van de beschikking is opgeschort.

[…]

Artikel 29

Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is; of

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, bestaande uit:

1°. doodstraf of executie;

2°. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

3°. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

[…]

Artikel 73

1. De werking van het besluit tot afwijzing van de aanvraag of de intrekking van de verblijfsvergunning wordt opgeschort totdat de termijn voor het maken van bezwaar of het instellen van administratief beroep is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, totdat op het bezwaar of administratief beroep is beslist.

Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

Artikel 4 ("Verbod van folteringen en van onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen")

Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Artikel 19 ("Bescherming bij verwijdering, uitzetting of uitlevering")

[…]

2. Niemand mag worden verwijderd naar een staat waar een ernstig risico bestaat dat hij aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen.

Artikel 47 ("Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht")

Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.

[…]

Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van

16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven

Punt 8 en 24 van de considerans

8. Het wordt als legitiem erkend dat lidstaten onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, verplichten terug te keren, mits er billijke en efficiënte asielstelsels zijn, die het beginsel van non-refoulement volledig respecteren.

[…]

24. In deze richtlijn worden de grondrechten en de beginselen in acht genomen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden erkend.

Artikel 1 ("Toepassingsgebied")

In deze richtlijn worden de gemeenschappelijke normen en procedures vastgesteld die door de lidstaten moeten worden toegepast bij terugkeer van illegaal op hun grondgebied verblijvende onderdanen van derde landen, overeenkomstig de grondrechten die de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht en het internationaal recht vormen, met inbegrip van de verplichting om vluchtelingen te beschermen en de mensenrechten te eerbiedigen.

Artikel 3 ("Definities")

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

[…]

4. "terugkeerbesluit": de administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld;

[…]

Artikel 9 ("Uitstel van verwijdering")

1. De lidstaten stellen verwijdering uit:

a) in geval deze in strijd zou zijn met het beginsel van non-refoulement, of

b) voor de duur van de overeenkomstig artikel 13, lid 2, toegestane opschorting.

[…]

Artikel 13 ("Rechtsmiddelen")

1. Aan de betrokken onderdaan van een derde land wordt een doeltreffend rechtsmiddel van beroep of bezwaar toegekend, dat hij bij een bevoegde rechterlijke of administratieve autoriteit of bij een onpartijdig samengestelde bevoegde instantie waarvan de onafhankelijkheid is gewaarborgd, kan aanwenden tegen de in artikel 12, lid 1, bedoelde besluiten in het kader van terugkeer.

2. De in lid 1 bedoelde autoriteit of instantie is bevoegd om de in artikel 12, lid 1, bedoelde besluiten in het kader van terugkeer te herzien en kan eveneens de uitvoering ervan tijdelijk opschorten, tenzij op grond van de nationale wetgeving reeds een tijdelijke opschorting van toepassing is.

Het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 3 ("Verbod van foltering")

Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.