Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:827

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
201605512/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juni 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid, deelplan Trambaan 2013" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1714
JOM 2018/252
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605512/1/R3.

Datum uitspraak: 29 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Nieuweroord, gemeente Hoogeveen,

2.    [appellant sub 2], wonend te Nieuweroord, gemeente Hoogeveen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Hoogeveen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid, deelplan Trambaan 2013" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 februari 2017, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2] en de raad, vertegenwoordigd door F. Berting, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

    Overwegingen

Inleiding

1.    Ten zuiden van het dorp Nieuweroord, aan weerszijden van de weg Trambaan, voorziet het plan in 14 nieuwe woningen met tuinen. De gronden in het plangebied worden thans hoofdzakelijk gebruikt voor agrarische doeleinden. De gemeente is eigenaar van deze gronden.

2.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] willen allebei een of meer woningen bouwen op hun eigen gronden. Het plan voorziet daar niet in.

3.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn het er niet mee eens dat zij geen nieuwe woningen mogen bouwen op hun eigen gronden, terwijl de gemeente als gevolg van dit bestemmingsplan wel woningen mag bouwen op haar eigen gronden.

Toetsingskader

4.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellant sub 1]

5.    [appellant sub 1] exploiteert een gemengd bedrijf aan de [locatie 1], waar hij varkens houdt. Op zijn gronden aan de Trambaanen verbouwt hij maïs. Voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpplan heeft [appellant sub 1] verzocht om met gebruikmaking van de zogenoemde ruimte-voor-ruimteregeling drie burgerwoningen op zijn percelen te bouwen in ruil voor de sloop van 1.600 m² bedrijfsbebouwing op zijn bedrijfsperceel [locatie 1]. Dit verzoek is afgewezen. Daarna heeft de raad het thans voorliggende plan vastgesteld.

6.    [appellant sub 1] betoogt dat de raad met de vaststelling van het plan zijn bevoegdheid om bestemmingsplannen vast te stellen heeft misbruikt. Hij voert aan dat de raad slechts een economisch voordeel voor de gemeente wil behalen, door de gemeente op deze waardevolle locatie woningbouw te laten ontwikkelen. Volgens [appellant sub 1] ondermijnt dit de ruimte-voor-ruimteregeling voor agrariërs zoals hij.

6.1.    De raad moet bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan alle betrokken belangen afwegen. In deze belangenafweging kunnen ook financiële belangen worden betrokken. Met zo’n besluit mogen echter niet uitsluitend financiële belangen van de gemeente zijn gemoeid, nu aan het toekennen van bestemmingen planologische motieven ten grondslag moeten liggen. De Afdeling stelt vast dat in dit geval planologische motieven ten grondslag liggen aan de vaststelling van het plan en dat derhalve niet uitsluitend financiële belangen een rol hebben gespeeld. Uit de plantoelichting en de nota van zienswijzen blijkt immers dat de raad het plan heeft vastgesteld om uitvoering te geven aan het gemeentelijk woningbouwprogramma. Zoals ter zitting hierover is verduidelijkt, bedraagt het contingent tot 2030 voor deze locatie 15 woningen en vult het plan, dat in 14 woningen voorziet, dit woningbouwcontingent grotendeels in.

    De Afdeling ziet verder geen aanleiding voor de conclusie dat de raad met de vaststelling van het plan agrariërs zoals [appellant sub 1] schaadt in hun mogelijkheden om van de ruimte-voor-ruimteregeling gebruik te maken. Hierbij betrekt de Afdeling de toelichting van de raad in het verweerschrift en ter zitting dat het concrete initiatief van [appellant sub 1] geen doorgang heeft gevonden omdat [appellant sub 1] één woning meer wilde bouwen dan de twee woningen die de ruimte-voor-ruimteregeling hem in ruil voor de sloop van 1.600 m² bedrijfsbebouwing toestaat en dat het het voorliggende plan hier verder los van staat.

    Het betoog faalt.

7.    [appellant sub 1] vreest dat toekomstige bewoners zullen klagen over de maïsgewassen die hij op zijn gronden aan de Trambaan verbouwt. Ter zitting is duidelijk geworden dat [appellant sub 1] niet vreest voor juridische beperkingen in zijn bedrijfsvoering. Wel vreest hij dat toekomstige bewoners van de percelen achter zijn maïsvelden, ontevreden zullen zijn over de gewassen die het uitzicht belemmeren en over de agrarische bedrijfsactiviteiten die [appellant sub 1] ter plaatse verricht zoals het uitrijden van mest en het bespuiten van gewassen.

7.1.    Dat toekomstige bewoners in de praktijk niet altijd positief zullen zijn over de gewassen die [appellant sub 1] verbouwt en de agrarische werkzaamheden die hij ter plaatse verricht, betekent nog niet dat de raad met de vaststelling van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening een woonfunctie op deze locatie heeft mogelijk gemaakt. De afstand tussen de gronden met de bestemming "Wonen" en de gronden waarop [appellant sub 1] maïs verbouwt, bedraagt ongeveer 40 meter. Uit de plantoelichting volgt dat omliggende bedrijven niet worden belemmerd door de woningbouw. Gelet op zijn toelichting ter zitting dat hij niet vreest in zijn bedrijfsvoering te worden beperkt, onderschrijft [appellant sub 1] dit. In het aangevoerde ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

    Wat betreft de zinsnede in de plantoelichting die volgens [appellant sub 1] verkeerde verwachtingen kan wekken over het uitzicht vanaf de voorziene woonpercelen, overweegt de Afdeling dat, wat daar verder ook van zij, de plantoelichting geen juridisch bindend deel is van het bestemmingsplan.

    Het betoog faalt.

8.    [appellant sub 1] vreest verder dat hij vanwege het plan zijn agrarische gronden aan de Trambaan niet meer kan bereiken met het type door hem ingezette landbouwvoertuigen (zoals een combine op rups die ongeveer 3,5 meter breed is). [appellant sub 1] stelt dat de Trambaan te smal is, zodat de loonwerkers in de praktijk over de landbouwgronden naast de Trambaan rijden om met de combine zijn maïsvelden te bereiken. Nu deze landbouwgronden in het plan voor "Tuin" zijn bestemd, kan deze praktijk niet langer worden voortgezet en moet de Trambaan volgens [appellant sub 1] worden verbreed tot 4 meter.

8.1.    De Afdeling kan in deze procedure slechts een oordeel geven over het plandeel met de bestemming "Verkeer" voor de Trambaan. Dit plandeel is op het smalste punt 5 meter breed. Het plandeel met de bestemming "Verkeer" staat een eventuele verbreding van de Trambaan tot 4 meter, die volgens [appellant sub 1] nodig is, dus niet in de weg. [appellant sub 1] heeft bezwaren tegen de feitelijke inrichting van de Trambaan. Deze inrichting heeft echter geen betrekking op het plan zelf, maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Het betoog faalt.

Het beroep van [appellant sub 2]

9.    [appellant sub 2] woont op het perceel [locatie 2]. Dit perceel is ongeveer 1,5 hectare groot en grenst aan de westelijke plangrens. [appellant sub 2] wil voor hem en zijn vrouw een nieuwe woning bouwen op een gedeelte van zijn perceel van ongeveer 8.000 m². [appellant sub 2] wil dat zijn dochter als mantelzorger gaat optreden voor hem en zijn vrouw vanaf het moment dat zij beiden hulpbehoevend zijn geworden en zonder dergelijke mantelzorg niet langer zelfstandig op hun perceel kunnen blijven wonen. Het is de bedoeling van [appellant sub 2] om met zijn vrouw de nieuwe woning te betrekken, zodat hun dochter de oorspronkelijke woning op het perceel kan bewonen.

10.    [appellant sub 2] betoogt dat zijn perceelgedeelte van ongeveer 8.000 m² ten onrechte niet is betrokken bij het plangebied en dat ten onrechte geen nieuwe woning op dat perceelgedeelte is toegestaan. Hij voert aan dat het realiseren van een nieuwe woning past binnen de gemeentelijke structuurvisie "Structuurvisie Hoogeveen 2.0" en dat het verbouwen van zijn bestaande woning ten behoeve van mantelzorg onvoldoende extra ruimte oplevert en bovendien minder goed te financieren is dan een nieuwe zelfstandige woning.

    In het verlengde hiervan betoogt [appellant sub 2] dat het plan, voor zover dat niet voorziet in de door hem gewenste tweede zelfstandige woning op zijn perceel, in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld. Hiertoe voert hij aan dat op het agrarische perceel [locatie 3] te Elim wél een tweede zelfstandige woning wordt toegestaan.

10.1.    De raad komt beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

10.2.    De raad heeft het plan vastgesteld om uitvoering te geven aan het gemeentelijk woningbouwprogramma en heeft woningbouw uitsluitend op percelen van de gemeente mogelijk willen maken. De raad heeft bij het bepalen van de plangrenzen zodoende rekening gehouden met eigendomsverhoudingen. De raad beschouwt de extra woning die [appellant sub 2] op zijn perceelgedeelte van 8.000 m² ten behoeve van mantelzorg wil bouwen bovendien niet als een ontwikkeling die past binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma, maar als een toevoeging van een solitaire woning aan het buitengebied. De toevoeging van zo’n woning aan het buitengebied is volgens de raad in strijd met gemeentelijk beleid en zou een ongewenst precedent scheppen.

    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het betoog faalt.

    Overigens blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat de raad met [appellant sub 2] heeft meegedacht over het mogelijk maken van extra woonruimte op zijn perceel ten behoeve van mantelzorg. De raad heeft hierbij met name gewezen op de mogelijkheden van vergunningvrij bouwen die het Besluit omgevingsrecht biedt.

10.3.    Wat betreft het perceel [locatie 3] te Elim is ter zitting bevestigd dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie op het perceel [locatie 2], omdat op het perceel [locatie 3] te Elim een bestaande stacaravan wordt vervangen door een zelfstandige woning, terwijl een dergelijke stacaravan op het perceel [locatie 2] niet aanwezig is. Er bestaat geen aanleiding voor de conclusie dat de situaties op de percelen [locatie 3] en [locatie 2] vergelijkbaar zijn waardoor de raad de begrenzing van het plan in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft vastgesteld. Het betoog faalt.

Conclusie en uitleg beslissing

11.    Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ongegrond.

12.    Dit betekent dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] geen gelijk krijgen en dat het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid, deelplan Trambaan 2013" blijft gelden.

Proceskosten

13.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Zweistra-Immink, griffier.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Zweistra-Immink

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2017

813.