Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:826

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
201605593/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juni 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Herstelplan buitengebied" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1649
JOM 2018/253
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605593/1/R2.

Datum uitspraak: 29 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Wagenberg, gemeente Drimmelen,

appellant,

en

de raad van de gemeente Drimmelen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Herstelplan buitengebied" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 februari 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.A.M. van Beek, en de raad, vertegenwoordigd door P.J. Bastiaansen en mr. M.A. Koopman, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

2. Bij besluit van 13 maart 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld. Hierbij is aan een deel van het perceel [locatie] te Wagenberg de bestemming "Wonen" toegekend. [appellant], die alhier woont, heeft tegen voormeld besluit beroep ingesteld. Bij uitspraak van 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3932, heeft de Afdeling het beroep van [appellant] gegrond verklaard en het plandeel met de bestemming "Wonen" voor zijn perceel vernietigd. De Afdeling heeft hierbij overwogen dat de raad alleen een afweging heeft gemaakt over het bestaande gebruik van het perceel en dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de door [appellant] gewenste uitbreiding van de pensionstalling. Tevens heeft de Afdeling de raad opdracht gegeven om voor dit vernietigde planonderdeel een nieuw besluit te nemen.

3. Met het besluit van 2 juni 2016 heeft de raad een nieuw besluit genomen. Daarbij heeft de raad geen toepassing gegeven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Aan de gronden van het perceel zijn de bestemming "Bedrijf - Agrarisch verwant en technisch hulpbedrijf" en de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - 52’ toegekend.

4. Artikel 5 van de planregels van het herstelbesluit luidt als volgt:

"Artikel 9 ‘Bedrijf - Agrarisch verwant en technisch hulpbedrijf’ uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, wordt als volgt gewijzigd:

a. Aan de tabel als bedoeld in artikel 9.1.2 onder e (lees: a) betreffende ‘Staat van agrarisch verwante en technische hulpbedrijven’ wordt onderstaande toegevoegd:

Artikel 1, lid 1.27, onder a, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied" definieert "bestaand" ten aanzien van bebouwing als: "bebouwing, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan, dan wel die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning."

5. [ appellant] voert aan dat in het plan ten onrechte het door hem op het perceel geëxploiteerde loonwerk- en grondverzetbedrijf en de opslag van printplaten niet als zodanig is bestemd. Verder stelt hij dat het plan ten onrechte niet voorziet in de bouw van een stal ten behoeve van het houden van pensionpaarden en het stallen van landbouwwerktuigen ten behoeve van het loon- en grondverzetbedrijf, op de gronden van zijn perceel waaraan in het bestemmingsplan "Buitengebied" de bestemming "Agrarisch - 2" is toegekend. Voorts voert [appellant] aan dat ook bij het voorontwerp van het bestemmingsplan "Buitengebied, Veegplan 1" ten onrechte geen rekening is gehouden met de door hem aan de raad kenbaar gemaakte wens om voormelde activiteiten mogelijk te maken.

5.1. De strekking van het besluit van 2 juni 2016 is herstel van het besluit van 13 maart 2014, voor zover daarbij het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie] is vernietigd omdat daarin niet werd voorzien in de door [appellant] gewenste uitbreiding van een pensionstalling. [appellant] heeft de onder 5 genoemde beroepsgronden niet aangevoerd tegen het bij besluit van de raad van 13 maart 2014 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied". De Afdeling stelt vast dat dat bestemmingsplan niet voorzag in de bestemming van het door [appellant] genoemde loonwerk- en grondverzetbedrijf, de opslag van printplaten en de bouw van een stal ten behoeve van het houden van pensionpaarden en het stallen van landbouwwerktuigen, op het deel van zijn perceel waaraan in het bestemmingsplan "Buitengebied" de bestemming "Agrarisch -2" is toegekend. Naar aanleiding van de vernietiging van dat besluit heeft de raad opnieuw, zonder toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb een besluit genomen dat thans voorligt. [appellant] is derhalve als gevolg van het besluit van 2 juni 2016 tot vaststelling van het plan in zoverre niet in een nadeliger positie komen te verkeren dan waarin hij zich bevond als gevolg van het vernietigde besluit. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting kan niet worden aanvaard dat nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die tegen het oorspronkelijke besluit naar voren gebracht hadden kunnen worden.

Wat betreft het betoog van [appellant] dat in het voorontwerp van het plan "Buitengebied, Veegplan 1" ten onrechte geen rekening is gehouden met de door hem bij de raad kenbaar gemaakte wens om de onder 5 genoemde activiteiten mogelijk te maken, overweegt de Afdeling dat dat betoog het bereik van het thans ter toets voorliggende besluit te buiten gaat. Een inhoudelijke bespreking daarvan is daarom niet aan de orde. Overigens heeft de raad ter zitting toegezegd om bij de besluitvorming inzake dat bestemmingsplan te onderzoeken in hoeverre de door [appellant] gewenste activiteiten in planologische opzicht mogelijk gemaakt kunnen worden.

Het betoog faalt.

6. Voorts betoogt [appellant] dat in artikel 9, lid 9.1.2, onder a, van de planregels, wat betreft het perceel [locatie], waaraan in het plan de bestemming "Bedrijf-Agrarisch verwant en technisch hulpbedrijf" is toegekend, ten onrechte is bepaald dat pensionstalling alleen in bestaande bebouwing mag plaatsvinden. Volgens hem staat dit eraan in de weg dat hij de bestaande bebouwing afbreekt en vervangt door nieuwe bebouwing. Dit kan volgens hem vanuit het oogpunt van dierenwelzijn wenselijk zijn. Ten slotte betoogt van Walsum dat uit het plan onvoldoende duidelijk volgt dat pensionpaarden in de wei behorend bij zijn perceel mogen grazen.

6.1. Wat betreft het betoog van [appellant] dat uit het plan onvoldoende duidelijk volgt dat de pensionpaarden in de wei behorende bij zijn perceel mogen grazen, stelt de Afdeling vast dat die gronden waarop de wei is gelegen niet tot het plangebied behoren. Het betoog faalt in zoverre reeds daarom. Overigens heeft de raad ter zitting gesteld dat de volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan geldende bestemming van de gronden waarop de wei is gelegen, aan het laten grazen van paarden niet in de weg staat.

6.2. Ingevolge artikel 9, lid 9.1.2, van de planregels, zoals dat luidt na het besluit van 2 juni 2016 zijn die gronden bestemd voor pensionstalling in bestaande bebouwing met een maximale bebouwde oppervlakte van 275 m2. Vast staat dat de oppervlakte van de op het perceel bestaande bebouwing waarin pensionpaarden kunnen worden gehouden 275 m2 is.

Ingevolge artikel 5, onder a, van de planregels van het herstelbesluit is op het perceel [locatie] met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 52" pensionstalling toegestaan "in bestaande bebouwing". De raad heeft met deze bepaling beoogd uit te sluiten dat, in plaats van op de locatie van de ten tijde van de vaststelling van het herstelplan bestaande bebouwing, elders op de gronden van het perceel [locatie], met de bestemming "Bedrijf - Agrarisch verwant en technisch hulpbedrijf", een gebouw voor pensionstalling kan worden opgericht en gebruikt. Het oprichten van een nieuw gebouw ten behoeve van pensionstalling op de locatie van de huidige bebouwing heeft de raad wel mogelijk willen maken. Ter zitting heeft de raad verklaard dat de desbetreffende zinsnede in plaats van "pensionstalling in bestaande bebouwing" had moeten luiden "pensionstalling ter plaatse van bestaande bebouwing". Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog slaagt.

Slotoverwegingen

7. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het zinsdeel "in bestaande bebouwing" in de tabel onder artikel 5 van de planregels van het herstelplan, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

8. Nu niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belang zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb op de hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak ten aanzien van dit planonderdeel in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover dit is vernietigd.

Hierbij betrekt de Afdeling dat de raad ter zitting heeft voorgesteld om een regeling in het plan op te nemen waarin is bepaald dat pensionstalling is toegestaan ter plaatse van bestaande bebouwing.

[appellant] heeft met zodanige regeling ingestemd.

9. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

10. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Drimmelen van 2 juni 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Herstelplan buitengebied", voor zover het betreft het in de tabel onder artikel 5 van de planregels opgenomen zinsdeel "pensionstalling in bestaande bebouwing";

III. bepaalt dat in de tabel onder artikel 5 van de planregels onder de kop "activiteiten" het volgende wordt opgenomen: "pensionstalling ter plaatse van bestaande bebouwing";

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit, voor zover dat is vernietigd;

V. draagt de raad van de gemeente Drimmelen op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel III wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Drimmelen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Drimmelen aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Taal

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2017

325-656.