Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:82

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
18-01-2017
Zaaknummer
201601474/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juni 2015 heeft de raad een aanvraag van [appellante] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601474/1/A2.

Datum uitspraak: 18 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 15 januari 2016 in zaak nr. 15/3145 in het geding tussen:

[appellante]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2015 heeft de raad een aanvraag van [appellante] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 18 september 2015 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 januari 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 2016, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Bij brief van 30 april 2015 heeft het college van burgemeester en wethouders van Helmond [appellante] meegedeeld dat haar melding voor een bijstandsuitkering wordt afgesloten, omdat zij zich niet tijdig na afloop van een zogenoemde ‘zoekperiode’ heeft teruggemeld.

[appellante] heeft een toevoeging voor rechtsbijstand door een advocaat aangevraagd om hiertegen op te komen. De raad heeft deze aanvraag afgewezen, omdat het om een probleem gaat waar zij geen advocaat bij nodig heeft. De raad stelt zich in het besluit op bezwaar van 18 september 2015, onder verwijzing naar het advies van de Commissie voor bezwaar, op het standpunt dat een derde, anders dan een advocaat, [appellante] kon bijstaan in de procedure, omdat het al dan niet tijdig terugmelden na een zoekperiode een feitelijke situatie betreft. [appellante] kan zelf, zo nodig met hulp van een ander dan een advocaat, toelichten waarom zij niet binnen de gestelde termijn van vijf dagen na afloop van de zoekperiode heeft teruggemeld. Volgens de raad is onvoldoende gebleken dat sprake is van een inhoudelijk juridisch verweer waarvoor een toevoeging verstrekt dient te worden. [appellante] is het hier niet mee eens en stelt zich op het standpunt dat wel degelijk sprake is geweest van een juridisch verweer, waarbij het gaat om de invulling van het begrip ‘tijdige aanvraag’.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat [appellante] zelfstandig, of eventueel met hulp van een derde, niet zijnde een advocaat, had kunnen aanvoeren waarom zij niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft teruggemeld en zij haar aanvraag wilde doorzetten. Dat de gemachtigde van [appellante] in bezwaar juridisch inhoudelijke gronden heeft aangevoerd maakt niet dat het geschil als zodanig juridisch moet worden gekwalificeerd dat dit een toevoeging rechtvaardigt. [appellante] heeft volgens de rechtbank voorts niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van zodanige feitelijke en/of juridische complexiteit dat bijstand van een advocaat noodzakelijk is. De raad heeft de toevoeging dan ook terecht afgewezen, aldus de rechtbank.

Hoger beroepsgronden

3. [appellante] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank. Zij betoogt in hoger beroep dat de rechtbank er aan voorbij is gegaan dat het geschil niet gaat over de vraag of zij binnen de gestelde termijn van vijf dagen na afloop van de zoekperiode heeft teruggemeld, maar om de vraag wat onder het juridische begrip ‘tijdige aanvraag’ moet worden begrepen. Bij de beantwoording van die vraag moet de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep worden betrokken. [appellante] betoogt verder dat zij bij haar aanvraag om een toevoeging heeft toegelicht dat er juridisch verweer wordt gevoerd tegen de brief van het college. Dit betekent volgens haar dat haar aanvraag niet op grond van het beleid, neergelegd in de werkinstructie C010, kon worden afgewezen.

Regelgeving

3.1. De relevante bepalingen uit de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) luiden als volgt:

Artikel 12

(…)

2. Rechtsbijstand wordt niet verleend indien:

(…)

g. het een rechtsbelang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet.

(…)

Artikel 28

1. Het bestuur kan de toevoeging weigeren indien de aanvraag:

(…)

c. een rechtsprobleem betreft dat naar het oordeel van het bestuur eenvoudig afgehandeld kan worden;

(…).

De raad voert ten aanzien van de toepassing van de Wrb beleid dat is neergelegd in zogenoemde werkinstructies.

In de Werkinstructie C010 Wet werk en bijstand (hierna: de Werkinstructie) is onder meer het volgende vermeld:

"Als uit de toevoegaanvraag blijkt dat de bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (voorheen Wet werk en bijstand) is afgewezen, buiten behandeling is gesteld of geschorst omdat de rechtzoekende bijvoorbeeld niet de gevraagde stukken/ informatie heeft verstrekt, dan wijs je de toevoegaanvraag voor het bezwaar af met tekstcode 130 (zelfredzaamheid). Als de advocaat bij de aanvraag gemotiveerd aangeeft dat sprake is van een inhoudelijk juridisch verweer kun je een toevoeging verstrekken. NB Als de uitkering wordt ingetrokken, dan voeg je wel toe voor het bezwaar hiertegen."

Beoordeling

3.2. Bij de beoordeling of de aanvraag een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, komt de raad beoordelingsvrijheid toe. Voor de aanwending daarvan heeft de raad criteria ontwikkeld die zijn neergelegd in de Werkinstructie. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat als uitgangspunt geldt dat rechtzoekenden in bezwaar moeten worden geacht zelfredzaam te zijn. In de Werkinstructie is bepaald dat als de advocaat bij de aanvraag om een toevoeging gemotiveerd aangeeft dat sprake is van een inhoudelijk juridisch verweer een toevoeging kan worden verstrekt. Anders dan [appellante] betoogt, volgt hieruit niet dat zonder meer een toevoeging moet worden verstrekt wanneer in de aanvraag uiteen wordt gezet dat een inhoudelijk juridisch verweer wordt gevoerd. De raad komt ook op dit punt beoordelingsvrijheid toe.

3.3. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het geschil tussen het college en [appellante] in de kern feitelijk van aard is. Het gaat immers om de vraag of [appellante] tijdig heeft teruggemeld. Hetgeen [appellante] naar voren heeft gebracht over de juridische merites van het geschil doet niet af aan de juistheid van het oordeel van de rechtbank over de feitelijke aard van het geschil. Dat, zoals [appellante] betoogt, de vraag voorlag wat onder het begrip ‘tijdige aanvraag’ moet worden begrepen, betekent niet dat de behartiging van haar belangen redelijkerwijze niet aan [appellante] zelf kon worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling niet zijnde een advocaat. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de raad de aanvraag om een toevoeging voor rechtsbijstand mocht afwijzen.

3.4. Het betoog faalt.

Conclusie

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Wieland

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2017

502.