Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:810

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
201602857/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 september 2014 heeft het college aan [vergunninghoudster], voor zover hier van belang, onder voorwaarden een omgevingsvergunning verleend voor het in afwijking van het bestemmingsplan exploiteren van [tearoom] aan de [locatie 1] te Elsloo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2017/2905
AR 2017/1608
Omgevingsvergunning in de praktijk 2017/7650
Module Ruimtelijke ordening 2017/7755 met annotatie van M.G.O. De lange
JOM 2018/244
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602857/1/A1.

Datum uitspraak: 29 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellant sub 1], wonend te Elsloo, gemeente Stein,

2.    [appellant sub 2], wonend te Elsloo, gemeente Stein,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 16 maart 2016 in zaken nrs. 15/224 en 15/256 in het geding tussen:

[appellant sub 1],

[appellant sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Stein.

Procesverloop

Bij besluit van 8 september 2014 heeft het college aan [vergunninghoudster], voor zover hier van belang, onder voorwaarden een omgevingsvergunning verleend voor het in afwijking van het bestemmingsplan exploiteren van [tearoom] aan de [locatie 1] te Elsloo.

Bij besluiten van 15 december 2014 heeft het college de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning in stand gelaten.

Bij uitspraak van 16 maart 2016 heeft de rechtbank de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 15 december 2014 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.

[vergunninghoudster] en het college hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 februari 2017, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2], bijgestaan door mr. B.H.G. Dautzenberg-Dieteren, advocaat te Landgraaf, en het college, vertegenwoordigd door drs. L.J.J. Pompl, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vergezeld door [gemachtigde], verschenen.

    Overwegingen

1.    De bij het besluit van 8 september 2014 onder voorwaarden verleende omgevingsvergunning ziet, voor zover van belang, op het inrichten en gebruiken van de begane grond van het woonhuis op het perceel en het overdekte terras aan de achterzijde van het woonhuis voor een tearoom en het voorterrein voor het stallen van fietsen en het parkeren van auto’s. Omdat het aangevraagde gebruik in strijd is met het bestemmingsplan "Kern Meers", heeft het college toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), in samenhang met artikel 4, negende lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (oud).

    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] wonen aan de [locatie 2] en [locatie 3] te Elsloo en vrezen voor onder meer geluid- en parkeerhinder als gevolg van het vergunde gebruik.

2.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Daartoe voeren zij aan dat de tearoom leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat bij hun woningen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is volgens hen geen sprake van een aan de woonbestemming ondergeschikt afwijkend gebruik van de benedenverdieping en het overdekte terras voor de tearoom. Verder betogen zij dat de tearoom leidt tot parkeeroverlast. De rechtbank is volgens hen ten onrechte niet ingegaan op hetgeen zij hebben aangevoerd in een schriftelijke reactie van 14 augustus 2015 aan de rechtbank. Daarin hebben zij aangevoerd dat niet wordt voldaan aan het gemeentelijk parkeerbeleid, omdat niet wordt voldaan aan het uitgangspunt dat nieuwe ontwikkelingen gepaard dienen te gaan met parkeren op eigen terrein en dat een oprit bij een woning of bedrijf ongeacht de lengte telt voor 1 parkeerplaats. Verder hebben zij daarin aangevoerd dat het parkeerbeleid niet meer actueel is. Volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] is de parkeerdruk in de omgeving al hoog, zijn op eigen terrein onvoldoende parkeerplaatsen aanwezig en is aan de openbare weg een tekort aan parkeerplaatsen om dit te compenseren. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] wijzen erop dat het college in beroep aanvankelijk stelde dat op eigen terrein 2 parkeerplaatsen aanwezig waren, maar later dat er plaats is voor maximaal 4 plaatsen.

2.1.    De Afdeling stelt voorop, wat er ook zij van de overweging van de rechtbank dat het gebruik van de benedenverdieping van het woonhuis ondergeschikt is aan de woonbestemming, dat het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo van het bestemmingsplan kan afwijken, mits daaraan een deugdelijke ruimtelijke afweging ten grondslag ligt.

    Het college heeft bij het verlenen van de omgevingsvergunning van belang geacht dat de activiteiten moeten passen binnen een woonomgeving. Volgens het college wordt hieraan voldaan, omdat uitsluitend het overdekte terras op het achterterrein en de woonkamer voor bedrijfsmatige activiteiten worden gebruikt, de tearoom uitsluitend op woensdag (in de zomerperiode) en vrijdag tot en met zondag en op feestdagen tussen 11.00 en 20.00 uur open is, geen alcoholhoudende spijzen en dranken worden geserveerd en muziek uitsluitend inpandig ten gehore wordt gebracht. Verder is het aantal bezoekers beperkt tot maximaal 16 in de woonkamer en 6 op het overdekte terras.

    Volgens het college is er voldoende parkeergelegenheid op het eigen voorterrein en op loopafstand in de openbare ruimte aanwezig, waarbij het ervan uitgaat dat de meeste gasten te voet of met de fiets komen. Het college heeft in de brief van 21 juli 2015 aan de rechtbank uiteengezet dat de parkeerbehoefte van de tearoom op grond van de Nota parkeerbeleid gemeente Stein 6 parkeerplaatsen bedraagt, dat op eigen terrein ruimte is voor 4 parkeerplaatsen en dat langs de Pastoor Erckensstraat en eventueel aan de Kloosterstaat voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn om het tekort op te vangen. Volgens het college wijst globaal onderzoek uit dat langs de eerste 100 m van de Pastoor Erckensstraat 10 auto’s kunnen parkeren en dat de bezettingsgraad doorgaans tussen 40% en 80% ligt.

2.2.    Hoewel [appellant sub 1] en [appellant sub 2] op zichzelf terecht hebben aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op hun schriftelijke reactie van 14 augustus 2015, leidt dit niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.

    De Nota parkeerbeleid is op 9 november 2006 door de gemeenteraad vastgesteld. Bij de vaststelling van de daarin opgenomen parkeernomen is aangesloten bij de aanbevelingen in de ASVV 2004, "Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom", van het CROW. Op 25 juni 2013 heeft de raad besloten de Nota parkeerbeleid te bestendigen. Zoals het college in de brief van 21 juli 2015 stelt, vallen de parkeernormen in de Nota parkeerbeleid ruim binnen de aanbevelingen uit de ASVV 2012, "Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom", van het CROW. In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de in het parkeerbeleid opgenomen parkeernormen niet meer actueel zijn.

    Voor het berekenen van de parkeerbehoefte van het vergunde gebruik heeft het college aansluiting gezocht bij de parkeernormen voor de functie café. Op basis van deze parkeerkencijfers bedraagt de parkeerbehoefte volgens het college 6 parkeerplaatsen. Het college gaat ervan uit dat er maximaal 4 auto’s op het voorterrein van het perceel kunnen worden geparkeerd en 2 langs de openbare weg. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben weliswaar betwist dat de door het college berekende parkeerbehoefte juist is en dat op het voorterrein van het perceel voldoende ruimte is voor het parkeren van maximaal 4 auto’s, maar zij hebben niet met concrete argumenten aannemelijk gemaakt dat de door het college berekende parkeerbehoefte onjuist is en dat op het voorterrein niet maximaal 4 auto’s kunnen parkeren.

    Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het in strijd is met het beleid om het voorterrein te gebruiken voor het parkeren van meer dan 1 auto. Weliswaar is in de Nota parkeerbeleid bepaald dat een eigen oprit, ongeacht de lengte, telt voor 1 parkeerplaats, maar het college heeft zich ter zitting op het standpunt kunnen stellen dat het voorterrein bij het woonhuis, gelet op de inrichting en ligging, niet als een oprit in de zin van de Nota parkeerbeleid kan worden aangemerkt. Verder is in de Nota parkeerbeleid weliswaar bepaald dat nieuwe ontwikkelingen gepaard dienen te gaan met parkeren op eigen terrein, maar in het beleid zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat dit betekent dat op eigen terrein in de volledige parkeerbehoefte moet zijn voorzien en parkeerplaatsen in de openbare ruimte niet mogen worden benut. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben onvoldoende concreet gemaakt dat op loopafstand van de tearoom onvoldoende parkeergelegenheid in de openbare ruimte aanwezig is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in voldoende parkeergelegenheid is voorzien. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de openingstijden en het aantal toegestane bezoekers van de tearoom zijn beperkt en dat het, gelet op de aard van de activiteiten en de doelgroep van de tearoom, aannemelijk is dat de meeste bezoekers te voet of met de fiets komen.

2.3.    De Afdeling komt gelet op het voorgaande tot de volgende conclusie. Het is niet uitgesloten dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] enige overlast van de tearoom zullen ondervinden. De Afdeling acht echter niet aannemelijk dat, gelet op de aard en de omvang van de vergunde activiteiten en gelet op de aan de omgevingsvergunning verbonden voorwaarden, deze overlast zodanig zal zijn dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. De rechtbank heeft derhalve terecht de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit van 15 december 2014 in stand gelaten.

    Het betoog faalt.

3.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben, onder verwijzing naar een rapport van de brandweer, eerst in hoger beroep de beroepsgrond aangevoerd dat de woning niet brandveilig is voor het gebruik als tearoom. Hoewel dit rapport dateert van na de aangevallen uitspraak, hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat het niet mogelijk was om deze beroepsgrond reeds bij de rechtbank aan te voeren. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en [appellant sub 1] en [appellant sub 2] deze beroepsgrond uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen wel bij de rechtbank hadden behoren aan te voeren, dient deze buiten beschouwing te blijven.

4.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de omgevingsvergunning wegens vermenging van zakelijk en privégebruik van de woning onvoldoende handhaafbaar is. Als in voorkomend geval wordt verzocht om handhavend optreden in verband met een overschrijding van het maximaal aantal toegestane bezoekers, kan [vergunninghoudster] immers stellen dat het geen tearoombezoekers zijn, maar familie, vrienden of kennissen.

4.1.    De rechtbank heeft [appellant sub 1] en [appellant sub 2] terecht niet gevolgd in hun betoog dat de omgevingsvergunning onvoldoende handhaafbaar is wegens vermenging van zakelijk en privégebruik. Aan de omgevingsvergunning is de voorwaarde verbonden dat maximaal 16 personen mogen worden ontvangen in de woonkamer en de keuken en maximaal 6 personen onder de overkapping. Alle personen die tijdens de openingstijden in de tearoom aanwezig zijn, behoudens [vergunninghoudster] en haar partner, tellen derhalve mee voor het maximaal aantal toegestane bezoekers.

    Het betoog faalt.

5.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de omgevingsvergunning toekomstige ontwikkelingen op het perceel mogelijk maakt. Zij hebben erop gewezen dat inmiddels diverse activiteiten op het perceel hebben plaatsgevonden die in strijd zijn met de omgevingsvergunning, waaronder een huiskamerconcert en een buitenconcert. Verder wordt volgens hen in strijd met de omgevingsvergunning alcohol geschonken, vinden ritjes met een oldtimer plaats en wordt de terrasoverkapping gebruikt als terrasvoorziening voor 6 extra bezoekers.

5.1.    In de omgevingsvergunning is duidelijk beschreven welke activiteiten zijn vergund. Voor zover met de omgevingsvergunning strijdige activiteiten hebben plaatsgevonden of nog gaan plaatsvinden, betreft dit, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, een kwestie van handhaving die bij de beoordeling van het bij haar bestreden besluit niet aan de orde kan komen. In deze procedure staat uitsluitend de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunning centraal. Wat betreft het gebruik van de terrasoverkapping als terrasvoorziening voor 6 bezoekers, overweegt de Afdeling overigens dat dit niet in strijd is met de omgevingsvergunning, nu uit de omgevingsvergunning duidelijk blijkt dat gelijktijdig 16 personen in de woonkamer zijn toegestaan en 6 personen op het overdekte terras.

    Het betoog faalt.

6.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen tot slot dat de rechtbank de door hen gemaakte proceskosten in beroep wegens beroepsmatige rechtsbijstand te laag heeft vastgesteld. Daartoe voeren zij aan dat de advocaat hen afzonderlijk heeft bijgestaan, zodat ten onrechte aan hen gezamenlijk 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze is toegekend.

6.1.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben afzonderlijk bij de rechtbank beroep ingesteld op dezelfde gronden tegen nagenoeg gelijkluidende besluiten. Zij zijn ter zitting van de rechtbank vertegenwoordigd door dezelfde advocaat. Verder hebben zij, daartoe door de rechtbank in de gelegenheid gesteld, op 14 augustus 2015 een gezamenlijke schriftelijke reactie gegeven op de door het college op 21 juli 2015 aan de rechtbank gegeven schriftelijke inlichtingen. De rechtbank heeft de zaken dan ook terecht aangemerkt als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, op grond waarvan de zaken voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van dat besluit worden beschouwd als één zaak. De rechtbank heeft derhalve terecht aanleiding gezien 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze toe te kennen.

    Het betoog faalt.

7.    De hoger beroepen zijn ongegrond. De uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Hoogvliet

lid van de enkelvoudige kamer    De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2017

374-784.