Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:805

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
201603237/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 februari 2015 heeft de minister geweigerd [appellant] een nationaal paspoort te verstrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201603237/1/A3.

Datum uitspraak: 29 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 maart 2016 in zaak nr. 15/5777 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2015 heeft de minister geweigerd [appellant] een nationaal paspoort te verstrekken.

Bij besluit van 30 juni 2015 heeft de minister het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 maart 2016 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A. Berends, advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. C.E. Knook, zijn verschenen.

    Overwegingen

1.    [appellant] is op [geboortedatum] 1995 in Pakistan geboren. Zijn vader en moeder hadden op dat moment ieder alleen de Pakistaanse nationaliteit. Bij Koninklijk Besluit van 1 september 1998 heeft zijn vader ook de Nederlandse nationaliteit verkregen. In zowel 2004 als 2009 is [appellant] een nationaal paspoort verstrekt.

    De minister heeft bij het besluit van 17 februari 2015 geweigerd [appellant] opnieuw een nationaal paspoort te verstrekken. Hieraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat [appellant] nooit de Nederlandse nationaliteit heeft gehad, omdat zijn vader ten tijde van zijn geboorte nog niet de Nederlandse nationaliteit had en [appellant] niet in diens verkrijging van de Nederlandse nationaliteit heeft gedeeld. Volgens de minister zijn [appellant] in 2004 en 2009 ten onrechte nationale paspoorten verstrekt. Bij het besluit van 30 juni 2015 heeft de minister het besluit van 17 februari 2015 gehandhaafd.

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] bij zijn geboorte noch bij de naturalisatie van zijn vader de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen en dat van verkrijging van de Nederlandse nationaliteit op andere wijze evenmin is gebleken. [appellant] heeft dit oordeel van de rechtbank in hoger beroep niet bestreden.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep op artikel 10 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) niet heeft beoordeeld.

3.1.    Artikel 10 van de RWN luidt: "Wij kunnen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen het Nederlanderschap verlenen met afwijking van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, c en d, artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, en de termijn genoemd in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid."

3.2.    In beroep heeft [appellant] betoogd dat het niet opnieuw verstrekken van een nationaal paspoort in strijd met het vertrouwensbeginsel is, maar dat hij op de hoogte is van de bestaande jurisprudentie volgens welke de Nederlandse nationaliteit niet kan worden verkregen dan wel behouden door de werking van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur zoals het vertrouwensbeginsel. Volgens de toelichting op artikel 10 van de RWN kan van de in die bepaling vermelde bevoegdheid echter gebruik worden gemaakt in geval van ernstig ambtelijk verzuim, bijvoorbeeld in het geval dat iemand ten onrechte gedurende langere tijd als Nederlander is aangemerkt en om die reden in het bezit is geweest van een nationaal paspoort, aldus [appellant].

    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de bevoegdheid van de minister in een geval als dit slechts betreft het verstrekken van een nationaal paspoort indien de aanvrager de Nederlandse nationaliteit heeft en dat de minister, nu [appellant] de Nederlandse nationaliteit niet heeft, niet anders kon dan weigeren een nationaal paspoort te verstrekken. Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het feit dat [appellant] tweemaal eerder een nationaal paspoort is verstrekt dit niet anders maakt, omdat de RWN limitatief bepaalt in welke gevallen de Nederlandse nationaliteit wordt verkregen en hiertoe niet behoort het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit op basis van een verstrekt nationaal paspoort. De rechtbank behoefde bij haar oordeel niet uitdrukkelijk artikel 10 van de RWN te betrekken, nu die bepaling volgens de tekst ervan ziet op verlening van de Nederlandse nationaliteit in bijzondere gevallen. Het geding bij de rechtbank betrof slechts de vraag of de minister terecht heeft geweigerd [appellant] een nationaal paspoort te verstrekken, niet ook de vraag of de minister [appellant] de Nederlandse nationaliteit had moeten verlenen. Zoals de minister bij de rechtbank en de Afdeling heeft toegelicht, kan [appellant] een naturalisatieverzoek indienen indien hij wenst dat hem krachtens artikel 10 van de RWN de Nederlandse nationaliteit wordt verleend.

    Het betoog faalt.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep op het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel en het arrest van het Hof van Justitie van 2 maart 2010, Rottmann, ECLI:EU:C:2010:104, heeft verworpen. Volgens hem heeft de rechtbank miskend dat hij door de weigering hem opnieuw een nationaal paspoort te verstrekken de Nederlandse nationaliteit en daarmee het burgerschap van de Unie heeft verloren. Hiertoe wijst hij op de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:735.

4.1.    Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat [appellant] nooit de Nederlandse nationaliteit heeft gehad. Hij heeft die nationaliteit derhalve ook niet verloren. Het burgerschap van de Unie heeft [appellant] derhalve evenmin gehad en verloren. Hierin verschilt het geval van [appellant] van de gevallen die aan de orde waren in het arrest Rottmann en de uitspraak van 16 maart 2016. De rechtbank heeft derhalve terecht zijn beroep op het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel verworpen.

    Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Hartsuiker

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2017

620.