Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:80

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
18-01-2017
Zaaknummer
201601189/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 september 2015 heeft de burgemeester aan [appellant sub 1] een huisverbod opgelegd met betrekking tot de woning op het adres [locatie] te Zwolle voor de periode van 21 september 2015 21:30 uur tot 1 oktober 2015 21:30 uur. Bij besluit van 29 september 2015 heeft de burgemeester dit huisverbod verlengd tot en met 19 oktober 2015.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601189/1/A3.

Datum uitspraak: 18 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. de burgemeester van Zwolle,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 4 januari 2016 in zaak nr. C/08/177598 / FA RK 15/2470 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

de burgemeester.

Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2015 heeft de burgemeester aan [appellant sub 1] een huisverbod opgelegd met betrekking tot de woning op het adres [locatie] te Zwolle voor de periode van 21 september 2015 21:30 uur tot 1 oktober 2015 21:30 uur. Bij besluit van 29 september 2015 heeft de burgemeester dit huisverbod verlengd tot en met 19 oktober 2015.

Bij uitspraak van 4 januari 2016 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de besluiten van 21 september 2015 en 29 september 2015 vernietigd en het verzoek van [appellant sub 1] om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] hoger beroep en de burgemeester incidenteel hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[appellant sub 1] en [belanghebbende A] hebben zienswijzen ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2016, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. S. van der Eijk, advocaat te Den Haag, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M.J. Ivens en J. Kroon, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende A] en [belanghebbende B] gehoord.

Overwegingen

1. De burgemeester heeft het huisverbod opgelegd wegens structureel verbaal geweld van [appellant sub 1], ook in aanwezigheid van de kinderen. [belanghebbende A], destijds de partner van [appellant sub 1], heeft aangifte gedaan van mishandeling, omdat [appellant sub 1] haar bij de keel heeft gepakt en enige tijd daarvoor met twee vingers in haar ogen heeft geprikt. Verder heeft de dochter van [belanghebbende A], [belanghebbende B], aangifte gedaan van emotionele mishandeling. Gelet hierop heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat ernstig en onmiddellijk gevaar bestaat voor de veiligheid van [belanghebbende A], dan wel een ernstig vermoeden hiervan bestaat. Aan de verlenging heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat het hulpverleningstraject voor [appellant sub 1] niet is gestart omdat hij geen contact wenst te hebben met de hulpverlenende instantie.

De oplegging en verlenging van het tijdelijk huisverbod.

2. De rechtbank heeft zowel het besluit tot oplegging als dat tot verlenging van het huisverbod vernietigd wegens een gebrek aan bevoegdheid daartoe door de burgemeester, omdat niet is gebleken dat zich een onmiddellijk dreigend gevaar voordeed. Daartoe heeft zij in aanmerking genomen dat geen fysiek letsel is vastgesteld, dat niet is gebleken dat eerder hulpverlening was ingeschakeld en dat [belanghebbende A] eerst drie dagen na het gestelde incident aangifte heeft gedaan.

3. De burgemeester bestrijdt dit oordeel. Daartoe voert hij allereerst aan dat het vaststellen van fysiek letsel geen voorwaarde is voor het opleggen van een huisverbod. Volgens hem rechtvaardigt psychisch geweld de oplegging van een huisverbod. Ten tweede is evenmin vereist dat al een hulpverleningstraject is doorlopen om tot het opleggen van een huisverbod te kunnen overgaan. Bij psychisch geweld is het juist moeilijk voor het slachtoffer om een dergelijk traject te starten. In zulke situaties is een huisverbod een geschikt middel, omdat daarmee de spiraal van (psychisch) geweld kan worden doorbroken. Tot slot heeft de rechtbank ten onrechte betrokken dat eerst drie dagen na het incident aangifte is gedaan. Slachtoffers van psychisch geweld zijn bang en terughoudend met het doen van aangifte. Het is dus verklaarbaar dat [belanghebbende A] het doen van aangifte heeft uitgesteld, aldus de burgemeester.

3.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9.

3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 24 juni 2015 in zaak nr. ECLI:NL:RVS:2015:1962), is het opleggen van een huisverbod een ingrijpend instrument waarvan de toepassing zeer grote gevolgen heeft voor het privéleven van betrokkenen. De bevoegdheid daartoe is beperkt tot situaties waarin voldoende grond aanwezig is om aan te nemen, althans ernstig te vermoeden, dat zich een ernstig en onmiddellijk gevaar voordoet voor de veiligheid van personen. Indien dat het geval is, moet de burgemeester zorgvuldig overwegen of aanwending van de bevoegdheid aangewezen is. De rechter beoordeelt of de aangevoerde omstandigheden van dien aard waren dat in het voorliggende geval een bevoegdheid tot oplegging van een huisverbod bestond. Indien dat het geval is, wordt de afweging van de burgemeester door de bestuursrechter terughoudend getoetst.

3.3. Op 21 september 2015 heeft [belanghebbende A] aangifte gedaan van (psychische) mishandeling door [appellant sub 1]. Zij heeft verklaard dat [appellant sub 1] haar en haar kinderen nachtenlang ophield en uitschold, hun strikte gedragseisen oplegde, haar vernederde en controleerde of zij had gedaan wat hij van haar verlangde. Ook heeft zij verklaard dat [appellant sub 1] haar eens in de ogen had geprikt bij een ruzie. De aanleiding voor de aangifte was een incident op 18 september 2015 waarbij [appellant sub 1] boos op haar was en zij zei de relatie te willen beëindigen. Vervolgens heeft [appellant sub 1] haar naar de keel gegrepen, aldus [belanghebbende A]. Ook [belanghebbende B] heeft aangifte gedaan van (psychische) mishandeling. Zij was evenwel niet aanwezig bij het incident op 18 september 2015.

Uit beide aangiften blijkt dat er relatieproblemen waren tussen [appellant sub 1] en [belanghebbende A]. Dit betekent echter niet dat aan de zware maatstaf voor het opleggen van een tijdelijk huisverbod was voldaan. Het door [belanghebbende A] ervaren (psychisch) geweld wordt niet ondersteund door objectieve gegevens. Zo is geen letsel bij haar geconstateerd toen [appellant sub 1] haar bij de keel zou hebben gegrepen. Ook zijn geen getuigenverklaringen voorhanden van het incident op 18 september 2015. De het huisverbod dragende, aan een ingevuld Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld en de aangifte van mishandeling door [belanghebbende A] ontleende overwegingen in het besluit tot oplegging van het huisverbod zijn uitsluitend ingegeven door de verklaring van [belanghebbende A]. Een verklaring van [appellant sub 1] over het incident is niet opgenomen. Gelet hierop is uit de voorhanden feiten en omstandigheden onvoldoende gebleken dat de aanwezigheid van [appellant sub 1] in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van [belanghebbende A], dan wel dat een ernstig vermoeden van dit gevaar bestond. De betekenis van de omstandigheid dat [belanghebbende A] eerst na drie dagen aangifte heeft gedaan kan in het midden blijven.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat de burgemeester niet bevoegd was om het tijdelijk huisverbod op te leggen en te verlengen.

Het betoog faalt.

Het verzoek om schadevergoeding.

4. [appellant sub 1] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank zijn verzoek om schadevergoeding ten onrechte heeft afgewezen. Met de vernietiging van het besluit tot opleggen van het huisverbod en het besluit tot verlenging daarvan is de onrechtmatigheid van het huisverbod gegeven.

Allereerst voert hij aan dat hij gebonden was aan de omgeving van Zwolle wegens zakelijke belangen en hij in die omgeving geen familie of vrienden had waar hij terecht kon. Om die reden kon hij niet anders dan in hotels overnachten. Anders dan de rechtbank heeft aangenomen is hem nooit een aanbod gedaan dat hij bij het Leger des Heils terecht zou kunnen. Volgens hem voorziet het Leger des Heils alleen in dagopvang en niet in nachtopvang. De hotelkosten bedroegen € 920,00. [appellant sub 1] stelt voor het ophalen van zijn spullen € 75,00 te hebben betaald nu hij een derde moest inschakelen omdat het huisverbod tevens een contactverbod inhield. De goederen die hij niet direct nodig had heeft hij opgeslagen. Voor de berging heeft hij € 152,65 betaald. Hij had een auto nodig om van het ene hotel naar het andere hotel te reizen en om de berging te bereiken om spullen te halen en voor zijn werk op pad te gaan. De auto van [belanghebbende A] die hij voordien als vervoermiddel gebruikte kon hij niet gebruiken. De kosten voor autohuur bedroegen € 486,00. Tot slot verzoekt [belanghebbende A] om € 5.000,00 vergoeding voor immateriële schade. Door de vernietiging van het huisverbod is zijn eer en goede naam wellicht enigszins hersteld, maar het hele voorval heeft stress veroorzaakt, hem in zijn persoon aangetast en hij heeft zich verstoten gevoeld.

4.1. Bij het opleggen van een tijdelijk huisverbod wordt volgens de burgemeester direct hulpverlening aangeboden. Ter zitting bij de rechtbank hebben [persoon], werkzaam bij Veilig Thuis IJsselland, en J.H. Pieters, hulpofficier van justitie, verklaard dat deze ook aan [appellant sub 1] is aangeboden. [persoon] heeft voorts verklaard dat zij [appellant sub 1] er daarbij in aanwezigheid van Pieters op heeft gewezen dat [appellant sub 1] voor onderdak bij het Leger des Heils terecht zou kunnen als hij zelf niet in huisvesting kon voorzien. In hoger beroep heeft de burgemeester een document overgelegd met de prestatieafspraken met het Leger des Heils die al jarenlang gelden. Hierin is vermeld dat twee bedden beschikbaar zijn voor noodopvang op aangeven van Veilig Thuis IJsselland bij het opleggen van een tijdelijk huisverbod. Weliswaar betwist [appellant sub 1] dat hem is aangeboden dat hij bij het Leger des Heils terecht zou kunnen, maar gelet op de verklaringen van [persoon] en Pieters en de gemaakte prestatieafspraken met het Leger des Heils is de rechtbank er terecht van uitgegaan dat [appellant sub 1] dit aanbod is gedaan. Zij heeft dan ook terecht geoordeeld dat de kosten voor hotelovernachtingen niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Ook ten aanzien van de gemaakte kosten voor de autohuur, het ophalen van goederen en het huren van een berging heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat deze niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daartoe is redengevend dat deze kosten niet in rechtstreeks causaal verband staan met de oplegging van het huisverbod. Deze kosten zijn gemaakt als gevolg van het beëindigen van de relatie met [belanghebbende A].

Voor de beoordeling van het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt volgens vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van 21 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:789) aansluiting gezocht bij artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Daarin is, voor zover hier van belang, bepaald dat de benadeelde voor nadeel dat niet bestaat in vermogensschade, recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Door de vernietiging van het huisverbod door de rechtbank is reeds tegemoetgekomen aan de door [appellant sub 1] gestelde schending van zijn eer en goede naam. Derhalve bestaat geen aanleiding om daarnaast een vergoeding van immateriële schade toe te kennen. De door [appellant sub 1] gestelde stress, aantasting in zijn persoon en het zich verstoten voelen als gevolg van het aan hem opgelegde huisverbod zijn geen feiten en omstandigheden die reden geven om van dit uitgangspunt af te wijken. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade heeft de rechtbank dan ook terecht afgewezen.

Het betoog faalt.

5. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De burgemeester dient ten aanzien van [appellant sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de burgemeester van Zwolle tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 495,00 (zegge: vierhonderdvijfennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Niane-van de Put, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Niane-van de Put

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2017

805.