Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:791

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-03-2017
Datum publicatie
05-04-2017
Zaaknummer
201700596/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 oktober 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Hondsgemet Zuid, herziening 3" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700596/2/R1.

Datum uitspraak: 27 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen:

[transportbedrijf] en anderen, gevestigd onderscheidenlijk wonend te Geldermalsen,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Geldermalsen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Hondsgemet Zuid, herziening 3" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [persoon A] en anderen beroep ingesteld.

[persoon A] en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[persoon A] en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 maart 2017, waar [persoon A] en anderen, bij monde van [persoon B], en de raad, vertegenwoordigd door C.B. Oosterbaan-van Lint en H.G. van Os, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Het bestemmingsplan voorziet erin op het bedrijventerrein Hondsgemet Zuid een bedrijfsgebouw mogelijk te maken met een grotere bouwhoogte dan thans planologisch is toegestaan. Het ligt in de bedoeling van de raad dat ter plaatse een groot distributiecentrum wordt gevestigd. Volgens de raad is de voorziene grotere bouwhoogte noodzakelijk voor een goede exploitatie van een dergelijk distributiecentrum en is die hoogte ruimtelijk passend.

    [persoon A] en anderen, die in de omgeving van het plangebied een transportbedrijf exploiteren onderscheidenlijk wonen, kunnen zich niet verenigen met dit plan omdat zij menen dat het te vestigen bedrijf ten onrechte anders wordt behandeld dan hun bedrijf en zij een verslechtering van hun woon- en leefklimaat verwachten.

3.    Voor het grootste deel van het plangebied geldt thans het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Hondsgemet Zuid, herziening 2" en voor een beperkt gedeelte in het zuidwesten van het plangebied het plan "Bedrijventerrein Hondsgemet Zuid". Die plannen laten de vestiging van een distributiecentrum toe. Het plan "Bedrijventerrein Hondsgemet Zuid, herziening 2" staat ter plaatse echter slechts een bouwhoogte van 15 meter toe. Het plan "Bedrijventerrein Hondsgemet Zuid" maakt voor zover hier van belang een bebouwingshoogte van 12 meter mogelijk.

    Het thans vastgestelde plan staat bij recht een bouwhoogte van 27 meter toe, waarbij artikel 3, lid 3.3.1, van de planregels de mogelijkheid biedt om hiervan af te wijken in dier voege dat de extra bouwhoogte maximaal 10% van de bij recht toegestane hoogte bedraagt en er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het woon- en leefmilieu en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

    Het voorgaande betekent dat het bestemmingsplan dat bij het bestreden besluit is vastgesteld, bebouwing toestaat die aanzienlijk hoger is dan is toegestaan ingevolge de plannen "Bedrijventerrein Hondsgemet Zuid, herziening 2" en "Bedrijventerrein Hondsgemet Zuid".

4.    De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de afstand tussen het plangebied en het perceel van [persoon A] en anderen zodanig is dat [persoon A] en anderen niet kunnen worden beschouwd als belanghebbenden bij het bestreden besluit.

    De voorzieningenrechter merkt hierover op dat de afstand tussen het plangebied en het perceel van [persoon A] en anderen niet meer dan ongeveer 200 meter bedraagt. Naar ter zitting is bevestigd, heeft het tussengelegen terrein vooralsnog een open karakter. De bebouwing die in het plan is voorzien zal daardoor duidelijk zichtbaar zijn vanaf het perceel van [persoon A] en anderen, temeer gezien de grote hoogte van die bebouwing. Verder valt niet uit te sluiten dat geluid van verkeer op de Plettenburglaan - die onmiddellijk langs het plangebied loopt en ter ontsluiting van het distributiecentrum zal dienen - goed waarneembaar is ter plaatse van het perceel van [persoon A] en anderen en hinder van enige betekenis oplevert. Onder die omstandigheid gaat de voorzieningenrechter er voorshands van uit dat [persoon A] en anderen belanghebbenden zijn bij het besluit en dat de Afdeling in de hoofdzaak geen aanleiding zal zien om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren omdat dat niet het geval zou zijn.

    Ambtshalve wordt overwogen dat, voor zover hier van belang, alleen verzoekers [persoon A] en [persoon B] een zienswijze naar voren hebben gebracht over het ontwerpplan dat aan het besluit is voorafgegaan. Deze zienswijze kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet worden geacht mede namens [transportbedrijf] te zijn ingediend. Er is dan ook aanleiding om te veronderstellen dat de Afdeling het beroep, gelet op artikel 6:13 van de Awb, niet-ontvankelijk zal verklaren voor zover het namens [transportbedrijf] is ingesteld. Voor zover het beroep is ingesteld door [persoon A] en [persoon B] zal het naar verwachting echter inhoudelijk worden behandeld. Anders dan de raad heeft opgemerkt, staat artikel 6:13 van de Awb er niet aan in de weg dat beroepsgronden worden aangevoerd die niet hun grondslag vinden in de zienswijze tegen het ontwerp maar die wel hetzelfde plandeel betreffen. In verband daarmee acht de voorzieningenrechter in zoverre geen beletselen aanwezig om ook inhoudelijk op het verzoek om voorlopige voorziening in te gaan.

5.    Bij de behandeling van het verzoek is naar voren gekomen dat de onderneming die aanvankelijk belangstelling had getoond om het distributiecentrum te realiseren en te betrekken, inmiddels heeft gekozen voor vestiging in een andere gemeente. De gemeente Geldermalsen is thans echter in gesprek met een andere belangstellende onderneming, zo is ter zitting namens de raad medegedeeld. In verband daarmee acht de raad het niet ondenkbaar dat het plan, nadat dit in werking zal zijn getreden, met spoed in uitvoering wordt genomen. Onder die omstandigheid bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen omdat op voorhand duidelijk is dat met het treffen van een zodanige voorziening geen spoedeisend belang is gemoeid. In het licht daarvan zal in het hierna volgende worden nagegaan of hetgeen [persoon A] en anderen inhoudelijk naar voren hebben gebracht ten aanzien van het plan, aanleiding geeft om tot het treffen van een voorlopige voorziening over te gaan.

6.    [persoon A] en anderen hebben aangevoerd dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de verkeersaantrekkende werking van het voorziene distributiecentrum. Zij hebben de vrees geuit dat het plan aanleiding zal geven tot geluidoverlast als gevolg van dat verkeer en tot verkeersonveilige situaties op de Plettenburglaan en de aansluiting op die laan vanaf de Meersteeg, waaraan zij zijn gevestigd onderscheidenlijk wonen.

6.1.    De raad heeft erkend dat in het kader van de voorbereiding van het plan geen specifiek onderzoek is verricht naar de verkeerssituatie. Naar zijn mening bestond hiertoe echter ook geen aanleiding, nu zodanig onderzoek reeds is verricht in het kader van de bestemmingsplannen "Bedrijventerrein Hondsgemet Zuid" dan wel "Bedrijventerrein Hondsgemet Zuid, herziening 2".

6.2.    De voorzieningenrechter merkt op dat doordat de bebouwing in het plangebied op grond van het thans vastgestelde bestemmingsplan beduidend hoger mag zijn dan op grond van de eerdere plannen, ook het bruto vloeroppervlak van de bebouwing aanzienlijk groter zal kunnen zijn. Het ligt voor de hand dat hierdoor ook een aanmerkelijk groter aantal verkeersbewegingen zal plaatsvinden, waarbij het onder meer kan gaan om (zwaar) vrachtverkeer. Gelet daarop had de raad zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet zonder meer mogen baseren op onderzoek dat in het kader van voorgaande plannen is uitgevoerd, maar had het op zijn weg gelegen om nader onderzoek te laten verrichten. De voorzieningenrechter acht het niet onaannemelijk dat de Afdeling in de hoofdzaak tot de conclusie zal komen dat het besluit van de raad om deze reden niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt. Nu het woon- en leefklimaat van [persoon A] en anderen in dit opzicht kan zijn geraakt, zou artikel 8:69a van de Awb - waarin het zogenoemde relativiteitsvereiste is opgenomen - zich niet tegen een zodanige vernietiging verzetten.

    Gelet op het voorgaande en nu uitvoering van het plan zou leiden tot onomkeerbare gevolgen die temeer knellen gezien de zeer grote bouwhoogte die in het plan is voorzien, ziet de voorzieningenrechter grond om het verzoek van [persoon A] en anderen in te willigen en het besluit bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen.

    Nu reeds in verband met de hier besproken grond wordt geoordeeld dat aanleiding bestaat tot het treffen van een voorlopige voorziening, behoeft niet meer te worden ingegaan op hetgeen [persoon A] en anderen voor het overige hebben aangevoerd.

7.    Gezien de in geding zijnde belangen van de gemeente Geldermalsen ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bevorderen dat de behandeling van de hoofdzaak met voorrang ter hand wordt genomen.

8.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Geldermalsen van 25 oktober 2016 tot het vaststellen van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Hondsgemet Zuid, herziening 3";

II.    gelast dat de raad van de gemeente Geldermalsen aan [transportbedrijf] en anderen het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

w.g. Uylenburg    w.g. Sparreboom

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2017

195.