Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:772

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
201608821/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Laarveld 2016 fase 3 en 4" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1524
JOM 2017/343
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201608821/1/R6.

Datum uitspraak: 22 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Weert,

en

de raad van de gemeente Weert,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Laarveld 2016 fase 3 en 4" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.F.H.M. van der Velden, advocaat te Eindhoven, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.J. Jans en ing. M. Arts, zijn verschenen.

    Overwegingen

Het plan

1.    Het plan is opgesteld ter actualisering van het bestemmingsplan "Laarveld 2009", dat door de raad is vastgesteld op 23 september 2009 ten behoeve van de realisering van een woonwijk. Aan het grootste deel van het plangebied is in het plan de bestemming "Wonen - Uit te werken" toegekend.

Crisis- en herstelwet

2.    Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder a, in samenhang bezien met categorie 3, onder 3.1, van bijlage 1 van de Crisis- en herstelwet is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van toepassing op de ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden ten behoeve van de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied.

    Het plan maakt de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied mogelijk zodat ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder a, van de Chw afdeling 2 van hoofdstuk 1 op het bestreden besluit van toepassing is.

Inleiding

3.    [appellant] woont aan de [locatie] en exploiteert daar een hondenkennel. De [locatie] grenst aan het plangebied en bestaat uit drie percelen, kadastraal bekend als gemeente Weert, W445, W805 en W806. De percelen W805 en W806 stonden eerder kadastraal bekend als één perceel met het nummer W433.

     [appellant] heeft bezwaren tegen de vaststelling van het plan in zijn huidige vorm. Hij wenst aan de [locatie] een extra woning te realiseren. Omdat het bestemmingsplan "Laar-Hushoven 2010" dat geldt voor de percelen aan de [locatie] niet in die mogelijkheid voorziet, betoogt [appellant] dat de [locatie] ten onrechte niet in het plan is opgenomen. Voorts vreest hij dat de toekomstige bewoners van de woningen die in de buurt van de percelen zullen worden gerealiseerd, hinder zullen ondervinden van de hondenkennel die hij aan de [locatie] exploiteert en dat daardoor de exploitatie van de kennel in het gedrang zal komen.

Ontvankelijkheid

4.    De raad betwist de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant]. Hij stelt hiertoe dat [appellant] - hoewel hij aan de [locatie] woont en er tevens een hondenkennel exploiteert - geen eigenaar is van de percelen op dit adres. De raad geeft te kennen dat perceel W445 en W805 in eigendom zijn van [bedrijf] en dat [persoon] eigenaar is van perceel W806. Volgens de raad is niet gebleken dat [appellant] de belangen van deze eigenaren behartigt.

    Nu [appellant] geen eigenaar van de percelen is, kan hij volgens de raad ook niet overgaan tot realisering van een woning op één van deze percelen. Voorts stelt de raad dat het plan niets verandert aan de wijze waarop [appellant] van de percelen op het adres [locatie] gebruik kan maken. Het belang van [appellant] is ook daarom volgens de raad niet rechtstreeks betrokken bij het besluit tot vaststelling van het plan.

4.1.    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

4.2.    Niet in geschil is dat [appellant] aan de [locatie] woont en daar tevens een hondenkennel exploiteert. Vast staat voorts dat de [locatie] grenst aan het plangebied. Gelet hierop en mede gelet op de omstandigheid dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling - bijvoorbeeld de uitspraak van 28 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK1371- volgt dat een omgevingsvergunning voor een bouwplan niet slechts kan worden aangevraagd door de eigenaar van het perceel waarop dat bouwplan betrekking heeft, is de Afdeling van oordeel dat [appellant] een rechtstreeks belang heeft bij het bestreden besluit. Hetgeen de raad heeft aangevoerd, vormt derhalve geen grond om het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren.

Opname van de [locatie] in het plan

5.    [appellant] betoogt dat de percelen aan de [locatie] ten onrechte niet in het plan zijn opgenomen. Hij voert hiertoe aan dat met de vaststelling van het bestemmingsplan "Laar-Hushoven 2010" door de raad op 9 februari 2011, de mogelijkheid om op de percelen een extra woning te realiseren tegen zijn zin is komen te vervallen. Ook stelt [appellant] dat hij met de gemeente heeft onderhandeld over de realisering van een extra woning aan de [locatie]. Om die reden had de mogelijkheid tot het realiseren van een extra woning op dat adres volgens hem in dit plan moeten worden opgenomen door de percelen W445, W805 en W806 in het plangebied te betrekken.

5.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat geen ruimtelijke samenhang bestaat tussen het plangebied en de [locatie]. Ten aanzien van hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over de bouw van een extra woning aan de Laarderweg, stelt de raad zich voorts op het standpunt dat [appellant] geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het bestemmingsplan "Laar-Hushoven 2010", dat inmiddels in rechte onaantastbaar is. De raad geeft verder te kennen dat het bestemmingsplan "30 WRO Laarveld" - dat daarvóór voor de [locatie] gold - evenmin voorzag in de mogelijkheid om een extra woning te realiseren, zodat in zoverre geen sprake is van het vervallen van die mogelijkheid door de vaststelling van het bestemmingsplan "Laar-Hushoven 2010".

    Ter zitting heeft de raad voorts toegelicht dat een aantal jaren geleden tussen het gemeentebestuur en [appellant] gesprekken zijn gevoerd over de realisering van een extra woning aan de [locatie] met toepassing van het beleid in de nota "Bouwen in tuinen". De aanwezigheid van een intensieve veehouderij in de buurt van de percelen stond daaraan destijds echter in de weg. Inmiddels is, zo stelt de raad, het toentertijd geldende beleid over bouwen in tuinen ingetrokken, zodat de bouw van een extra woning aan de [locatie] reeds op grond daarvan niet meer mogelijk is.

5.2.    De raad komt beleidsruimte toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze ruimte is echter niet zo groot dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

    In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de raad de gronden in het plangebied heeft meegenomen die nodig zijn voor de verwezenlijking van de uitbreidingslocatie Laarveld en die als zodanig eerder in het bestemmingsplan "Laarveld 2009" waren opgenomen. De percelen aan de [locatie] maken geen deel uit van deze uitbreidingslocatie en zijn evenmin noodzakelijk voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan. Voorts neemt de Afdeling in aanmerking dat in hetgeen [appellant] heeft gesteld over de mogelijkheid voor een extra woning op het perceel - wat daar ook van zij - geen grond kan worden gevonden voor het oordeel dat de [locatie] zodanig samenhangt met de gronden in het plangebied, dat de raad de percelen W445, W805 en W806 in het plan had moeten betrekken.

    Het betoog faalt.

Aanwezigheid hondenkennel

6.    [appellant] betoogt voorts dat de hondenkennel die hij op het perceel [locatie] exploiteert mogelijk zal leiden tot geluidoverlast ter plaatse van de woningbouw waarin het plan voorziet.

6.1.    Artikel 7, lid 7.2, onder e, van de planregels luidt: "Burgemeester en wethouders werken, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, de in artikel 6.1. omschreven bestemming uit met inachtneming van het gestelde in de volgende regels:

[…]

e. het uitwerkingsplan dient zodanig te worden ingericht, dat geen bouwlocaties worden geprojecteerd binnen individuele milieucirkels van bedrijven of die van schutterij St. Sebastianus."

6.2.    Naar het oordeel van de Afdeling biedt artikel 7, lid 7.2, onder e, van de planregels voldoende waarborg om te voorkomen dat de woningen die in het plangebied zullen worden gerealiseerd, niet op een zo korte afstand van het perceel [locatie] zullen worden gebouwd dat ter plaatse van die woningen geluidoverlast vanwege de hondenkennel zal optreden. [appellant] heeft niet gemotiveerd betoogd waarom deze waarborg ontoereikend zou zijn; de enkele stelling daartoe acht de Afdeling onvoldoende.

    Het betoog faalt.

Conclusie

7.    Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Groen, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Groen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2017

831.