Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:769

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
201604970/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 mei 2016 heeft de RGS opnieuw beslist op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 19 mei 2014, waarbij de RGS de aanvraag van [appellant] van 12 januari 2014 om hernieuwing van de inschrijving als huisarts in het zogenoemde BIG-register had afgewezen. De RGS heeft alsnog de inschrijving van [appellant] als huisarts hernieuwd met terugwerkende kracht van 20 mei 2014 tot 20 mei 2017.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2017/146 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201604970/1/A2.

Datum uitspraak: 22 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de Registratiecommissie Geneeskundig Specialisten van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering van de Geneeskunst (hierna: de RGS).

Procesverloop

Bij uitspraak van 6 april 2016 in zaak nr. 201504569/1/A2 (ECLI:NL:RVS:2016:936) heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank van 21 april 2015, in zaak nr. 14/7103 vernietigd, het door [appellant] bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit op bezwaar van 17 oktober 2014 vernietigd en bepaald dat tegen het door de RGS te nemen nieuwe besluit op het bezwaar slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

Bij besluit van 20 mei 2016 heeft de RGS opnieuw beslist op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 19 mei 2014, waarbij de RGS de aanvraag van [appellant] van 12 januari 2014 om hernieuwing van de inschrijving als huisarts in het zogenoemde BIG-register had afgewezen. De RGS heeft alsnog de inschrijving van [appellant] als huisarts hernieuwd met terugwerkende kracht van 20 mei 2014 tot 20 mei 2017.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep bij de Afdeling ingesteld.

De RGS heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. Zwiers, en de RGS, vertegenwoordigd door mr. M.E.F. Bots, advocaat te Utrecht, bijgestaan door drs. M. Langendoel-Roel, mr. G.M. van Reenen en drs. P.H. de Groof, zijn verschenen.

    Overwegingen

1.    Het wettelijke kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding, besluitvorming en uitspraak van de rechtbank

2.    [appellant] was vanaf 1984 werkzaam als huisarts. Vanaf april 2007 heeft hij als waarnemer en invaller gewerkt als huisarts en als forensisch arts. Hij stond als huisarts ingeschreven in het BIG-register.

    Aan het besluit van 19 mei 2014 had de RGS ten grondslag gelegd dat [appellant] niet heeft voldaan aan de eisen voor herregistratie als huisarts, omdat hij in de periode van 1 april 2009 tot 1 april 2014 geen avond-, nacht- of weekenddiensten (hierna: anw-diensten) heeft verricht als huisarts en omdat hij in deze periode niet heeft deelgenomen aan ten minste 10 uur intercollegiale toetsing. Bij het besluit op bezwaar van 17 oktober 2014 heeft de RGS het besluit van 19 mei 2014 gehandhaafd.

    Bij uitspraak van 21 april 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Uitspraak van de Afdeling

3.    In de uitspraak van 6 april 2016 heeft de Afdeling overwogen dat vaststaat dat [appellant] niet voldoet aan de eisen om in aanmerking te komen voor herregistratie als huisarts. Dit betekent echter niet dat de RGS niets anders kon dan het verzoek van [appellant] om herregistratie afwijzen. De RGS diende, gelet op de aard van het toetsingskader, na te gaan of de nadelige gevolgen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. De RGS heeft, gegeven het beperkt aantal anw-diensten dat [appellant] als huisarts diende te verrichten en het grote aantal diensten dat hij als forensisch arts heeft verricht, in het besluit van 17 oktober 2014 ten onrechte niet gemotiveerd waarom [appellant] werd geacht alle aspecten van de huisartsgeneeskunde minder te beheersen dan een huisarts met een vergelijkbare ervaring die per jaar 25 uur anw-diensten zou hebben verricht. Gelet hierop heeft de Afdeling dit besluit vernietigd en bepaald dat de RGS alsnog dient te motiveren waarom zij niet tot herregistratie van [appellant] als huisarts is overgegaan, dan wel alsnog tot herregistratie te besluiten. De Afdeling heeft geen aanleiding gezien om zelf te voorzien in de zaak, nu zij niet kan vaststellen of [appellant] in de te beoordelen periode in voldoende mate werkzaam is geweest als forensisch arts. In geval dat zo is, dan zou dat in beginsel moeten leiden tot een herregistratie van één jaar, te rekenen vanaf 1 april 2014. Aangezien die periode van een jaar al is verstreken, dient deze op een andere dag in te gaan. In dat geval dient de ingangsdatum niet eerder te zijn dan de dag waarop het nieuwe besluit is genomen.

Besluit van 20 mei 2016

4.    In het besluit van 20 mei 2016 heeft de RGS zich op het standpunt gesteld dat [appellant] niet de aspecten van de huisartsenzorg in gelijke mate beheerst als een huisarts die minimaal per jaar 25 uur anw-diensten verricht. Vanwege de anw-diensten die [appellant] heeft verricht als forensisch arts komt hij in aanmerking voor een hernieuwing van de inschrijving voor beperkte duur. In het kader van de aanvraag van [appellant] heeft de RGS tevens geconstateerd dat [appellant] niet voldoet aan de eis van over vijf jaar te hebben deelgenomen aan ten minste 10 uur geaccrediteerde intercollegiale toetsing, waardoor de inschrijving van [appellant] eenmalig ten hoogste voor een jaar kan worden hernieuwd. Er bestaat geen aanleiding om in afwijking van de gestelde eisen de inschrijving te hernieuwen met een periode van vijf jaar, nu er geen bijzondere omstandigheden zijn die afwijking van de herregistratie-eisen rechtvaardigen, aldus de RGS.

Beroep

5.    In geschil is of de RGS terecht is overgegaan tot herregistratie voor de duur van één jaar vanaf 20 mei 2016, in plaats van vijf jaar.

6.    [appellant] betoogt dat de RGS onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de RGS hem slechts in aanmerking heeft gebracht voor herregistratie voor de duur van één jaar vanaf 20 mei 2016. Hij voert daartoe allereerst aan dat de RGS onvoldoende nader heeft toegelicht waarom hij, gelet op zijn uren anw-diensten als forensisch arts, niet alle aspecten van de huisartsenzorg in gelijke mate beheerst als een huisarts die minimaal 25 uur anw-diensten heeft verricht, terwijl de RGS wel tot herregistratie is overgegaan. Daardoor is het besluit van 20 mei 2016 innerlijk tegenstrijdig en onduidelijk. Voorts voert [appellant] aan dat de RGS zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die afwijking van de herregistratie-eisen rechtvaardigen. De termijn van één jaar vanaf 20 mei 2016 is, mede gelet op het onduidelijke besluit, te kort om alsnog aan de herregistratie-eisen te voldoen, aldus [appellant].

6.1.    Ter zitting heeft de RGS nader toegelicht dat bij het besluit van 20 mei 2016 het eerdere besluit van 19 mei 2014 is herroepen.

6.2.    Bij het besluit van 20 mei 2016 heeft de RGS, ter uitvoering van de uitspraak van de Afdeling, nader gemotiveerd waarom de RGS zich op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] de aspecten van de huisartsenzorg niet in gelijke mate beheerst als een huisarts die minimaal per jaar 25 uur anw-diensten verricht. Uit het besluit blijkt voorts dat de RGS desondanks, evenzeer ter uitvoering van de uitspraak van de Afdeling, vanwege de lange ervaring van [appellant] en de overlap met de anw-diensten die hij als forensisch arts heeft verricht, tot herregistratie is overgegaan. De RGS heeft de duur van deze herregistratie evenwel beperkt tot één jaar vanaf 20 mei 2016, omdat [appellant] niet heeft voldaan aan de herregistratie-eis dat hij binnen een periode van vijf jaar heeft deelgenomen aan tenminste 10 uur geaccrediteerde intercollegiale toetsing. Uit het besluit blijkt dat dit de grondslag is geweest voor herregistratie van één jaar vanaf 20 mei 2016. Van innerlijke tegenstrijdigheid van het besluit, zoals door [appellant] is aangevoerd, is derhalve niet gebleken.

6.3.    Niet in geschil is dat [appellant] in de referteperiode, die liep van 1 april 2009 tot 1 april 2014, niet gemiddeld over vijf jaar tenminste 10 uur heeft deelgenomen aan geaccrediteerde intercollegiale toetsing, waardoor hij niet heeft voldaan aan de in artikel B.2., eerste lid, aanhef en onder b, en artikel B.4., eerste lid, van Besluit herregistratie specialisten en artikel D.3. van het Besluit huisartsengeneeskunde neergelegde herregistratie-eis. Volgens artikel 21 van de Beleidsregels RGS kan, gelet hierop, de inschrijving in het BIG-register slechts met één jaar eenmalig worden hernieuwd. Ingevolge artikel B.2., derde lid, van het Besluit herregistratie specialisten en ingevolge artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht kan de RGS ingeval van bijzondere omstandigheden hiervan afwijken.

6.4.    [appellant] heeft naar voren gebracht dat hij door het eerdere besluit van 19 mei 2014 van de RGS ernstig is benadeeld. Doordat de RGS ten onrechte niet is overgegaan tot inschrijving als huisarts, heeft [appellant] zijn baan verloren en kan hij niet meer als huisarts werken, terwijl een baan als huisarts voorwaarde is om te kunnen voldoen aan de herregistratie vanaf 20 mei 2017. Hij heeft noodgedwongen een functie elders geaccepteerd, waarbij geen baan als huisarts past. De periode tot aan die datum is te kort om alsnog te kunnen voldoen aan de herregistratie-eisen, aldus [appellant].

6.5.    Niet in geschil is dat het [appellant] reeds vanaf het besluit van 12 januari 2014 duidelijk was dat hij bij een eventuele herregistratie alsnog moest voldoen aan de hiervoor in 6.3 beschreven herregistratie-eis. Nu de RGS bij het besluit van 20 mei 2016 is overgegaan tot herregistratie tot 20 mei 2017, lag het op de weg van [appellant] om alsnog aan deze herregistratie-eis te voldoen. Niet is gebleken dat de duur van één jaar te kort is geweest om alsnog aan deze eis te voldoen. Dat [appellant], zoals hij heeft gesteld, sinds 19 mei 2014 niet meer werkzaam is geweest als huisarts, maakt dit niet anders. De RGS heeft ter zitting nader toegelicht dat de herregistratie-eis met betrekking tot de geaccrediteerde intercollegiale toetsing inhoudt dat [appellant] deelneemt aan bijeenkomsten in groepsverband en dat hij aan deze groepen ook kan deelnemen ingeval hij op dat moment niet werkzaam is als huisarts. Dat [appellant] ernstig is benadeeld door het besluit van 19 mei 2014 noopte de RGS er evenmin toe om alsnog, in afwijking van de herregistratie-eisen en in afwijking van haar beleid, over te gaan tot herregistratie voor vijf jaar. De RGS heeft aan het belang van bevordering van de kwaliteit van de beroepsuitoefening een groter gewicht mogen toekennen dan aan het belang van [appellant] bij herregistratie voor vijf jaar.

    Gelet op het voorgaande heeft de RGS zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding geven om in afwijking van de Beleidsregels RGS de inschrijving van [appellant] te hernieuwen met een periode van vijf jaar.  

6.6.    Aan het betoog van [appellant] over de nadere motivering van de RGS over de herregistratie-eis met betrekking tot de anw-diensten als huisarts in het besluit van 20 mei 2016 wordt niet toegekomen. Dit betoog kan bovendien niet leiden tot het door hem beoogde doel, nu het niet voldoen aan deze herregistratie-eis niet de grondslag is geweest van de herregistratie voor de duur van één jaar vanaf 20 mei 2016. Ter zitting heeft de RGS voorts bevestigd dat de vraag of [appellant] voldoet aan deze herregistratie-eis aan de orde komt bij de beoordeling van het verzoek van [appellant] om herregistratie vanaf 20 mei 2017.

    Het betoog faalt.  

7.    Het beroep is ongegrond.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Nales

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2017

680. BIJLAGE

Besluit herregistratie specialisten

"B.2. Eisen herregistratie

1.     De RGS herregistreert een specialist in een register als bedoeld in artikel 32 van de Regeling, als de specialist in de vijf jaar direct voorafgaand aan de expiratie van de vigerende registratie heeft voldaan aan de volgende eisen:

        a.     […];

        b.     in voldoende mate heeft deelgenomen aan geaccrediteerde deskundigheidsbevorderende activiteiten;

        c.     […];

        d.     […].

2.     […].

3.     De RGS kan in bijzondere gevallen en met redenen omkleed afwijken van de in dit besluit gestelde eisen."

"B.4. Deskundigheidsbevorderende activiteiten

1.     Deskundigheidsbevorderende activiteiten, als bedoeld in artikel B.2., eerste lid, onder b., bestaan uit geaccrediteerde en in punten of uren gewaardeerde activiteiten, gericht op het behouden en verwerven van de door het CGS vastgestelde competenties, zoals opgenomen in het desbetreffende kaderbesluit.

2.     De omvang van de deskundigheidsbevorderende activiteiten bedraagt gemiddeld over vijf jaar ten minste 40 geaccrediteerde uren of het equivalent daarvan in punten, per jaar.

3.     Voor specialisten vallend onder het Kaderbesluit CSG bestaan de deskundigheidsbevorderende activiteiten in elk geval gemiddeld over vijf jaar voor ten minste acht uur per jaar uit intercollegiale toetsing.

4.     In ten minste drie van de vijf jaren wordt aan intercollegiale toetsing deelgenomen. "

Besluit huisartsengeneeskunde

"D.3. Deskundigheidsbevorderende activiteiten

In aanvulling op artikel B.4. van het Besluit herregistratie specialisten dient de huisarts gemiddeld over vijf jaar tenminste 10 uur te hebben deelgenomen aan geaccrediteerde intercollegiale toetsing."

Beleidsregels RGS

"Artikel 21 Onvoldoende deelname aan intercollegiale toetsing Beleidsregel bij artikel D.20 Kaderbesluit CHVG en artikel D.3 Besluit huisartsgeneeskunde

De registratie van een huisarts die niet voldoet aan de minimumeisen van deelname aan geaccrediteerde intercollegiale toetsing, kan éénmalig voor een beperkte periode worden hernieuwd.

Hierbij geldt:

a. […]

b. geen deelname, herregistratie voor maximaal 1 jaar."