Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:760

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
201601082/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juni 2015 heeft de minister een verzoek van [appellant] om hem betreffende persoonsgegevens in rapporten, opgenomen in de justitiële documentatie, te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet justitiële gegevens
Wet justitiële gegevens 46
Wet justitiële gegevens 22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Privacy en persoonsgegevens 2018/1181
JHG 2017/14
JBP 2017/25
SEW 2017, afl. 5, p. 218
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601082/1/A3.

Datum uitspraak: 22 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 4 februari 2016 in zaak nr. 15/2787 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2015 heeft de minister een verzoek van [appellant] om hem betreffende persoonsgegevens in rapporten, opgenomen in de justitiële documentatie, te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen, afgewezen.

Bij besluit van 7 september 2015 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek gehandhaafd.

Bij uitspraak van 4 februari 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

Bij brief van 1 december 2016 heeft de minister desgevraagd een aantal rapporten aan de Afdeling overgelegd. Hij heeft daarbij verzocht om toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

De Afdeling heeft, in een andere samenstelling dan nu, het verzoek om beperkte kennisneming van deze stukken gerechtvaardigd geacht en [appellant] gevraagd om toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

[appellant] heeft de Afdeling geen toestemming verleend om mede op basis van deze stukken uitspraak te doen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2016, waar de minister, vertegenwoordigd door [gemachtigde], is verschenen.

    Overwegingen

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.    [appellant] heeft de minister op grond van artikel 46, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) verzocht om verwijdering uit zijn persoonsdossiers van over hem uitgebrachte rapporten. De daarin gestelde diagnose wordt door [appellant] betwist. De rapporten zijn opgemaakt in het kader van twee strafzaken.

Besluitvorming

3.    De minister heeft zich na raadpleging van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie in het besluit op bezwaar op het standpunt gesteld dat de rapporten op een juiste manier in het persoonsdossier zijn opgenomen en het niet aan hem is om te oordelen of de rapportages juist tot stand zijn gekomen of inhoudelijk juist zijn. Feitelijk onjuist als bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de Wjsg betekent in deze context volgens hem dat de geregistreerde rapporten afwijken van de rapporten zoals aangeleverd. De minister heeft van belang geacht dat [appellant] bij de totstandkoming van de rapporten de mogelijkheid heeft gehad om correctievoorstellen te doen en bij de tuchtrechter ook een klacht kan indienen over de rapporteurs. Niet is gebleken dat de geregistreerde rapporten afwijken van de aangeleverde rapporten, aldus de minister.

Hoger beroep

4.    [appellant] bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat met het besluit van 7 september 2015 geen recht van de Unie ten uitvoer wordt gebracht. De rechtbank heeft volgens [appellant] voorts miskend dat de minister het correctierecht in artikel 46 van de Wjsg niet conform artikel 8, tweede lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: EU Handvest) heeft geïnterpreteerd. Met de implementatie van artikel 18, tweede lid, van het Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad van 27 november 2008 over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken (PB 2008 L 350) in de Wjsg geldt artikel 8, tweede lid, van het EU Handvest. Gelet op het daarin geregelde rectificatierecht heeft de minister het correctierecht in artikel 46 van de Wjsg te beperkt uitgelegd, aldus [appellant]. Hij verzoekt de Afdeling aan het Hof van Justitie prejudiciële vragen te stellen over de reikwijdte van dit correctierecht.

4.1.    In artikel 46, tweede lid, in samenhang bezien met artikel 22, derde lid, van de Wjsg is uitvoering gegeven aan de artikelen 4 en 18 van het Kaderbesluit.

    Nu derhalve met het besluit van 7 september 2015 het recht van de Unie ten uitvoer wordt gebracht, is het EU Handvest krachtens artikel 51, eerste lid, daarvan in dit geval van toepassing.

    Het betoog is in zoverre terecht voorgedragen. Dit leidt, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

4.2.    Ingevolge artikel 8, tweede lid, van het EU Handvest heeft eenieder recht van inzage in de over hem verzamelde gegevens en op rectificatie daarvan.

    De toelichting bij artikel 8 van het EU Handvest, die ingevolge artikel 52, zevende lid, van dit handvest door de rechterlijke instanties van de Unie en van de lidstaten voor de uitleg van deze bepaling in acht moet worden genomen, vermeldt:

    "Dit artikel was gebaseerd op artikel 286 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en op Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31; hierna de Privacyrichtlijn), alsmede op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en op het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, dat door alle lidstaten is bekrachtigd. Artikel 286 van het EG-Verdrag is nu vervangen door artikel 16 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 39 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Voorts wordt verwezen naar Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1). Bovengenoemde richtlijn en verordening bevatten voorwaarden en beperkingen voor de uitoefening van het recht op bescherming van persoonsgegevens."

4.3.    Ingevolge artikel 46, eerste lid, van de Wjsg kan degene aan wie kennis is gegeven van hem betreffende rapporten, de minister schriftelijk verzoeken de persoonsgegevens in deze rapporten te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen, indien deze feitelijk onjuist, voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. [appellant] heeft de minister verzocht om verwijdering van de rapporten uit zijn persoonsdossiers wegens onjuistheid van de daarin gestelde diagnose. De minister heeft zich in het besluit op bezwaar op het standpunt gesteld dat de totstandkoming en de inhoud van de rapporten in deze procedure niet aan de orde kunnen komen.

    Geen grond bestaat voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat dit standpunt van de minister over het in artikel 46 van de Wjsg neergelegde correctierecht niet in overeenstemming met artikel 8, tweede lid, van het EU Handvest is. Het verzoek van [appellant] strekt er niet toe feitelijke onjuistheden in de rapporten te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen, maar ziet op de in de rapporten gestelde diagnose. De in de rapporten gestelde diagnose is geen feit, maar een medisch-specialistische conclusie van een deskundige. Die conclusie behoort in de strafrechtelijke procedure te worden aangevochten.

    Gezien het voorgaande is er, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, 283/81, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen, aangezien redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop de opgeworpen vraag over de betrokken Unierechtelijke rechtsregel moet worden beantwoord.

    Het betoog faalt.

5.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat verwerking van de rapporten en publicatie daarvan op JD-online in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). [appellant] verwijst ter onderbouwing van dit betoog naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM). Hij acht de afwijzing van zijn verzoek niet proportioneel als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM.

5.1.    Indien al aangenomen moet worden dat het registreren van de rapporten in de judiciële systemen een inbreuk inhoudt op het in artikel 8, eerste lid, van het EVRM gewaarborgde recht, is die inbreuk naar het oordeel van de Afdeling noodzakelijk in het belang van het voorkomen van strafbare feiten en, zoals volgt uit artikel 40 van de Wjsg en artikel 46 van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: het Bjsg), bij wet voorzien. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de minister in strijd met artikel 8 van het EVRM heeft gehandeld. In de door [appellant] in dit verband aangehaalde jurisprudentie van het EHRM zijn geen aanknopingspunten te vinden voor een ander oordeel.

    Het betoog faalt.     

6.    Tot slot beroept [appellant] zich op het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 17 maart 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1282. [appellant] stelt dat hij door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch is vrijgesproken. Gelet hierop dienen de rapporten volgens hem in ieder geval te worden verwijderd. Ter onderbouwing van dit betoog verwijst [appellant] naar een met zijn situatie vergelijkbaar geval in het arrest van het EHRM, M.K. tegen Frankrijk van 18 juli 2013, nr. 19522/09, ECLI:CE:ECHR:2013:0418JUD001952209.

6.1.    In deze uitspraak van het EHRM stond de regeling voor het bewaren van vingerafdrukken in Frankrijk centraal. In Frankrijk werden de vingerafdrukken van personen die zijn vrijgesproken of ontslagen van alle rechtsvervolging of wiens zaak was geseponeerd, bewaard. Zo ook de vingerafdrukken van de klager, die in een zaak was vrijgesproken van diefstal en wiens andere zaak wegens diefstal was geseponeerd. Het EHRM noemt in het arrest enkele factoren op basis waarvan het ("en conclusion") tot het oordeel komt dat de Franse bewaarregeling in de zaak van de klager in haar uitwerking niet proportioneel is. Een van die factoren is dat die regeling in het geheel geen onderscheid maakt tussen gegevens van veroordeelden en personen die, zoals de klager, zijn vrijgesproken. Een andere factor is dat de regeling niet uitsluit dat vingerafdrukken ook worden bewaard bij vrijspraken voor lichte strafbare feiten.

    Uit het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 17 maart 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1282 volgt dat [appellant] is vrijgesproken van een van de aan hem ten laste gelegde feiten. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft [appellant] echter veroordeeld tot een gevangenisstraf van 75 dagen, waarvan 35 dagen voorwaardelijk, wegens belaging. Reeds daarom gaat de vergelijking niet op.

    Het betoog faalt.

7.    Voor zover [appellant] in hoger beroep zijn in eerdere instantie aangevoerde beroepsgronden slechts heeft herhaald en ingelast, wordt overwogen dat het hoger beroep een niet nader gemotiveerde herhaling daarvan betreft. In de overwegingen van de aangevallen uitspraak is de rechtbank daarop ingegaan. [appellant] heeft in hoger beroep, behoudens hetgeen hiervoor is besproken, geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging daarvan in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig zou zijn.

    Het betoog faalt.

8.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister in het besluit op bezwaar van 7 september 2015 terecht de afwijzing van het verzoek van [appellant] om hem betreffende persoonsgegevens in de rapporten te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen heeft gehandhaafd. Hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd, kan daar niet aan afdoen.

9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het, gelet op hetgeen in 4.1 is overwogen, met verbetering van de gronden waarop deze rust.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Ley-Nell, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. Ley-Nell

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2017

597. BIJLAGE

EU Handvest

Artikel 8

1. Een ieder heeft recht op bescherming van de hem betreffende persoonsgegevens.

2. Deze gegevens moeten eerlijk worden verwerkt, voor bepaalde doeleinden en met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet.

Een ieder heeft recht op toegang tot de over hem verzamelde gegevens en op rectificatie daarvan.

[…].

Artikel 51

1.  De bepalingen van dit Handvest zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden en met inachtneming van de grenzen van de bevoegdheden zoals deze in de Verdragen aan de Unie zijn toegedeeld.

[…].

Artikel 52

[…]

7.   De toelichting, die is opgesteld om richting te geven aan de uitlegging van dit Handvest van de grondrechten, wordt door de rechterlijke instanties van de Unie en van de lidstaten naar behoren in acht genomen.

Privacyrichtlijn

Artikel 12

De Lid-Staten waarborgen elke betrokkene het recht van de voor de verwerking verantwoordelijke te verkrijgen:

[…];

b) naar gelang van het geval, de rectificatie, de uitwissing of de afscherming van de gegevens waarvan de verwerking niet overeenstemt met de bepalingen van deze richtlijn, met name op grond van het onvolledige of onjuiste karakter van de gegevens;

c) kennisgeving aan derden aan wie de gegevens zijn verstrekt, van elke rectificatie, uitwissing of afscherming, uitgevoerd overeenkomstig punt b), tenzij zulks onmogelijk blijkt of onevenredig veel moeite kost.

Verordening (EG) nr. 45/2001

Artikel 14

De betrokkene kan van de verantwoordelijke voor de verwerking verlangen dat hij de onnauwkeurige of onvolledige persoonsgegevens onverwijld rectificeert.

Kaderbesluit

Artikel 4

1. Persoonsgegevens moeten gecorrigeerd worden indien zij niet correct zijn en moeten, waar dit mogelijk en noodzakelijk is, worden aangevuld of geactualiseerd.

2. Persoonsgegevens moeten gewist of geanonimiseerd worden wanneer zij niet meer nodig zijn voor de doeleinden waarvoor zij rechtmatig verzameld zijn of verder verwerkt. Deze bepaling laat de archivering van deze gegevens in een afzonderlijke gegevensgroep voor een passende termijn overeenkomstig de nationale wetgeving, onverlet.

3. Persoonsgegevens worden niet gewist maar afgeschermd indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het wissen van de gegevens de gerechtvaardigde belangen van de betrokkene die beschermd dienen te worden, zou kunnen schaden. Afgeschermde gegevens worden alleen gebruikt voor het doel ten behoeve waarvan zij niet gewist zijn.

4. Het corrigeren, wissen of afschermen van persoonsgegevens die opgenomen zijn in een rechterlijke beslissing of een daarmee verband houdend dossier wordt afgedwongen overeenkomstig de nationale regels over het strafproces.

Artikel 18

1. De betrokkene heeft er recht op dat de voor de verwerking verantwoordelijke zijn plichten op grond van de artikelen 4, 8 en 9 inzake het corrigeren, wissen of afschermen van persoonsgegevens, die uit dit kaderbesluit voortvloeien, nakomt. De lidstaten bepalen of de betrokkene dit recht rechtstreeks tegen de voor de verwerking verantwoordelijke, dan wel door tussenkomst van de bevoegde nationale toezichthoudende autoriteit kan doen gelden. Indien de voor de verwerking verantwoordelijke correctie, wissen of afscherming weigert, moet die weigering schriftelijk worden meegedeeld en moet de betrokkene in kennis worden gesteld van de in het nationale recht bestaande mogelijkheden om klacht in te dienen of beroep bij de rechter in te stellen. Bij de behandeling van de klacht of het beroep wordt aan de betrokkene meegedeeld of de voor de verwerking verantwoordelijke al dan niet correct heeft gehandeld. De lidstaten kunnen ook bepalen dat de bevoegde nationale toezichthoudende autoriteit de betrokkene alleen meedeelt dat een verificatie heeft plaatsgevonden.

2. Indien de juistheid van een persoonsgegeven door de betrokkene wordt betwist en niet kan worden vastgesteld of het gegeven al dan niet juist is, kan dat gegeven worden gemarkeerd.

EVRM

Artikel 8

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Wjsg

Artikel 22

1. Een ieder over wiens persoon justitiële gegevens worden verwerkt kan de verantwoordelijke schriftelijk verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen indien deze feitelijk onjuist, voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn, dan wel in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

2. Onze Minister bericht de verzoeker binnen vier weken na ontvangst van het verzoek schriftelijk of, dan wel in hoeverre, hij daaraan voldoet. Het eerste lid van artikel 37 Wet bescherming persoonsgegevens is van overeenkomstige toepassing.

3. De verantwoordelijke draagt zorg dat een beslissing tot verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd. Hij draagt zorg voor het kenmerken van een gegeven als de juistheid daarvan door de betrokkene wordt betwist en niet kan worden vastgesteld of het gegeven al dan niet juist is.

Artikel 40

1. Onze Minister verwerkt persoonsgegevens in persoonsdossiers in de documentatie persoonsdossiers met als doel de bevordering van een juiste toepassing van het strafrecht.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt de wijze bepaald waarop de rapporten die het persoonsdossier vormen worden verkregen.

3. De artikelen 3, 7 en 39c, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 41

1. Een rapport in een persoonsdossier wordt verwijderd na verloop van tien jaren. De termijn vangt aan op de dag van sluiting van het rapport.

2. Indien de straf of maatregel de duur van tien jaren te boven gaat, is de termijn, bedoeld in het eerste lid, gelijk aan de duur van de aan de betrokken persoon in de strafzaak waarop het rapport betrekking heeft, opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel krachtens het strafrecht.

Artikel 43

1. Onze Minister deelt een ieder op diens verzoek binnen vier weken mede of en zo ja welke deze persoon betreffende rapporten in de persoonsdossiers in de documentatie persoonsdossiers zijn opgenomen.

2. Hij doet daarbij geen mededelingen in schriftelijke vorm, tenzij hij weigert een mededeling te doen. Een gehele of gedeeltelijke afwijzing vindt schriftelijk plaats.

3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het verzoek en de wijze van kennisneming.

Artikel 46

1. Degene aan wie overeenkomstig artikel 43 kennis is gegeven van hem betreffende rapporten, kan Onze Minister schriftelijk verzoeken de persoonsgegevens in deze rapporten te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen, indien deze feitelijk onjuist, voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

2. Het tweede en derde lid van artikel 22 zijn van toepassing.

Artikel 47

1. Een beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 44 of 46 geldt als een beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

[…].

Bjsg

Artikel 46

De rapporten die het persoonsdossier vormen zijn afkomstig van:

[…];

g. Onze Minister.