Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:76

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
25-01-2017
Zaaknummer
201609353/2/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2015 heeft het college aan de Stichting omgevingsvergunning verleend voor het tijdelijk plaatsen van 20 seizoensgebonden strandhuisjes op het Zuiderstrand van Kijkduin tussen de strandslagen 2a en 3 voor een periode van vijf jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/450
JOM 2017/1221
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609353/2/A1.

Datum uitspraak: 18 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van onder meer:

de Stichting Leef met de Zee, gevestigd te Den Haag,

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 november 2016 in zaken nrs. 15/7879 en 16/423 in het geding tussen:

de Vereniging Sail Center 107 gevestigd te Den Haag

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2015 heeft het college aan de Stichting omgevingsvergunning verleend voor het tijdelijk plaatsen van 20 seizoensgebonden strandhuisjes op het Zuiderstrand van Kijkduin tussen de strandslagen 2a en 3 voor een periode van vijf jaar.

Bij tussenuitspraak van 31 maart 2016 heeft de rechtbank naar aanleiding van het door de Vereniging onder andere tegen het besluit van 29 september 2015 ingestelde beroep het college in de gelegenheid gesteld de door de rechtbank onder meer in het besluit van 29 september 2015 geconstateerde gebreken te herstellen.

Bij brief van 12 mei 2016 heeft het college de rechtbank een nadere motivering van het besluit van 29 september 2015 toegezonden.

Bij uitspraak van 1 november 2016 heeft de rechtbank het door de Vereniging onder andere tegen het besluit van 29 september 2015 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Tegen deze uitspraak heeft onder meer de Stichting hoger beroep ingesteld.

De Stichting heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Stichting, het college en de Vereniging hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 januari 2017, waar de Stichting, vertegenwoordigd door J. Struving en P.K. Heerekop, bijgestaan door mr. W.J.E. van der Werf en mr. D. Korsse, beiden advocaat te Den Haag, het college, vertegenwoordigd door mr. S.J.C. Hocks, bijgestaan door mr. R.D. Reinders, advocaat te Den Haag, en de Vereniging, vertegenwoordigd door E.P. Plugge, E.R.J. Herklos en P.Th.H. Lindeman, bijgestaan door mr. M.R. Plug, advocaat te Delft, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Bang on the Beach B.V., vertegenwoordigd door J. Roos, bijgestaan door mr. E. Koornwinder, advocaat te Den Haag, als belanghebbende gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. De Stichting heeft verzocht om schorsing van de uitspraak van de rechtbank van 1 november 2016, zodat het wederom kan beschikken over de bij besluit van 29 september 2015 verleende omgevingsvergunning. Volgens haar bestaat er een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening, omdat het exploitatieseizoen van 2017 zal worden gemist wanneer niet per omgaande kan worden gestart met het opbouwen van de strandhuisjes en dat als gevolg daarvan een faillissement niet kan worden afgewend.

Bij brief van 3 januari 2017 heeft de Vereniging zich op het standpunt gesteld dat de Stichting geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, omdat het college inmiddels bij besluit van 15 december 2016 aan de Stichting opnieuw omgevingsvergunning heeft verleend voor het plaatsen van de door haar gewenste strandhuisjes.

De Stichting heeft zich bij brief 9 januari 2017 en ter zitting op het standpunt gesteld dat niettemin een spoedeisend belang bestaat bij het treffen van de door haar gevraagde voorlopige voorziening. Volgens haar biedt de bij besluit van 15 december 2016 verleende omgevingsvergunning onvoldoende zekerheid, omdat deze omgevingsvergunning nog niet onherroepelijk is. Op basis van die omgevingsvergunning is het volgens haar te risicovol om de noodzakelijke investeringen ten behoeve van het exploitatieseizoen van 2017 te doen.

2.1. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaat geen spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Hierbij wordt het volgende in aanmerking genomen. Bij besluit van 15 december 2016 is, naar aanleiding van een door de Stichting daartoe ingediende aanvraag, door het college aan de Stichting omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van de gewenste 20 strandhuisjes. De Stichting beschikt derhalve over een omgevingsvergunning om de gewenste huisjes te plaatsen, zodat deze in de door haar gewenste periode in 2017 geëxploiteerd kunnen worden. De Stichting stelt terecht dat de omgevingsvergunning van 15 december 2016 nog niet onherroepelijk is. Het schorsen van de uitspraak van de rechtbank van 1 november 2016 brengt echter evenmin met zich dat de Stichting de beschikking zal hebben over een onherroepelijke omgevingsvergunning. Het niet beschikken over een onherroepelijke omgevingsvergunning heeft de Stichting er echter niet van weerhouden om eerder, vooruitlopend op de einduitspraak van de rechtbank van 1 november 2016, contracten af te sluiten en advertenties te plaatsen voor het exploitatieseizoen van 2017. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de situatie van voor de uitspraak van de rechtbank van 1 november 2016 niet relevant verschilt met de situatie nu, waarbij de Stichting evenzeer de beschikking heeft over een nog niet onherroepelijke omgevingsvergunning voor het plaatsen van de gewenste strandhuisjes.

3. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.D. Kamphorst-Timmer, griffier.

w.g. Wortmann w.g. Kamphorst-Timmer

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2017

776.