Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:758

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
201606272/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juli 2015 heeft de raad een aanvraag om vergoeding van extra uren rechtsbijstand ten behoeve van [appellant] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201606272/1/A2.

Datum uitspraak: 22 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 juli 2016 in zaak nr. 16/457 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad voor rechtsbijstand (lees: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand; hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 16 juli 2015 heeft de raad een aanvraag om vergoeding van extra uren rechtsbijstand ten behoeve van [appellant] afgewezen.

Bij besluit van 8 december 2015 heeft de raad het door [appellant] en diens advocaat, mr. G.R. Stolk, daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 juli 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 maart 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. G.R. Stolk, advocaat te Schiedam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, zijn verschenen.

    Overwegingen

Inleiding

1.    De raad heeft aan mr. T. Arkesteijn een toevoeging verstrekt voor het verlenen van 24 uren rechtsbijstand aan [appellant] in een strafrechtelijke procedure, strekkende tot veroordeling van [appellant] wegens verkrachting en het plegen van ontucht met een minderjarige klasgenote (hierna: de strafzaak). Stolk heeft de zaak van Arkesteijn overgenomen.

    Stolk heeft verzocht om meer dan de reeds verleende 24 uren aan rechtsbijstand in deze zaak te mogen verlenen. Aan de afwijzing van dit verzoek is ten grondslag gelegd dat niet is gebleken dat de zaak feitelijk of juridisch zo complex is dat de behandeling daarvan in redelijkheid niet binnen de tijdgrens heeft kunnen plaatsvinden. De vraag of sprake was van gedwongen of vrijwillige seks en de minderjarigheid van [appellant] maken niet dat de zaak juridisch complex is. Dat de voorbereiding en behandeling van een zaak met een ontkennende verdachte meer tijd kost dan met een bekennende verdachte maakt de zaak niet complexer dan vergelijkbare zaken, aangezien het niet ongebruikelijk is dat verdachten het ten laste gelegde ontkennen, aldus de raad.

Motiveringsbeginsel

2.    [appellant] beoogt dat de rechtbank er aan voorbij is gegaan dat de raad de afwijzing van zijn aanvraag onvoldoende heeft gemotiveerd. Daartoe voert hij aan dat de raad in zowel het besluit van 16 juli 2015, als het besluit op bezwaar van 8 december 2015 voorbij is gegaan aan hetgeen hij heeft aangevoerd ten betoge dat sprake is van een bijzondere rechtsvraag en een juridisch relevant feitencomplex waardoor de zaak niet in redelijkheid kan worden behandeld binnen het aantal toegekende uren. Nu de afwijzing van zijn aanvraag niet berust op een deugdelijke motivering, is het voor hem niet goed mogelijk om in te schatten of met kans op succes beroep kan worden ingesteld. Ook duidt een onvoldoende motivering er op dat het besluit gebrekkig is voorbereid en er geen volledige heroverweging heeft plaatsgevonden. Al met al is geen sprake van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Verdrag inzake de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, aldus [appellant].

2.1.    Hoewel aan [appellant] kan worden toegegeven dat de motivering van het besluit van 16 juli 2015 summier is, vormt dat geen grond voor het oordeel dat zijn aanvraag in bezwaar onvoldoende gemotiveerd is afgewezen. Daarbij is van belang dat de raad aan het besluit op bezwaar van 8 december 2015 een advies van de commissie voor bezwaar van de raad voor rechtsbijstand ten grondslag heeft gelegd. In dat advies is op alle door [appellant] in zijn bezwaarschrift genoemde argumenten ingegaan. Dat deze motivering niet leidt tot het door [appellant] gewenste resultaat, betekent niet dat de raad de afwijzing van zijn aanvraag onvoldoende heeft gemotiveerd. Ook vormt dit geen grond voor het oordeel dat het besluit van 8 december 2015 gebrekkig is voorbereid, dat daarin geen volledige heroverweging heeft plaatsgevonden en dat het recht op een eerlijk proces is geschonden. Dit betekent dat de rechtbank terecht geen aanleiding heeft gezien te oordelen dat de motivering die aan het in beroep bestreden besluit ten grondslag ligt, dat besluit niet kan dragen.

    Het betoog faalt.

Juridische en feitelijke complexiteit

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de zaak feitelijk en juridisch complex is. De zaak is feitelijk complex omdat [appellant] wordt verdacht van twee verkrachtingen en het plegen van ontucht, maar iedere betrokkenheid ontkent. Twee medeverdachten ontkennen eveneens en er is sprake van beschuldigingen over en weer. Ook zijn er acht getuigen die moeten worden gehoord. Voorts is zaak juridisch complex vanwege de rechtsvraag of de gepleegde handelingen gekwalificeerd kunnen worden als strafbaar en, zo ja, of het dan gaat om verkrachting of om ontucht, aldus [appellant].

3.1.    De relevante bepalingen uit het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: het Bvr 2000) luiden als volgt:

Artikel 14

Aan een strafzaak wordt het aantal punten toegekend dat in de bijlage voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak is bepaald.

Artikel 17

Indien de rechtsbijstandverlener in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek of een daarmee gelijk gesteld onderzoek bij het verhoor van een getuige of van de verdachte of bij een descente aanwezig is geweest, wordt het aantal toe te kennen punten verhoogd met één punt per gehoorde getuige, verdachte onderscheidenlijk per descente.

Artikel 22

1. Ten aanzien van strafzaken die in de bijlage zijn aangemerkt als strafrecht verdachten wordt:

a. indien in een strafzaak de tijdsbesteding aan de verlening van rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk is aan drie maal het aantal punten dat in de bijlage voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak of op grond van artikel 15 is bepaald, voor elk uur waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt verleend, 0,955 punt toegekend, mits het bestuur de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31, heeft goedgekeurd.

[…]

Artikel 31

1. In afwijking van het eerste lid van artikel 28 dient de rechtsbijstandverlener bij het bereiken van de in de artikelen 13 en 22 bedoelde tijdgrens een aanvraag in bij het bestuur tot vaststelling van de vergoeding voor de verrichte werkzaamheden. Tegelijkertijd legt hij een begroting over met betrekking tot de tijdsbesteding van de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden.

2. Het bestuur stemt geheel of gedeeltelijk in met de begroting, bedoeld in het eerste lid, indien het van oordeel is dat de rechtsbijstand doelmatig wordt verleend.

[…]

3.2.    Bij de toepassing van artikel 31 van het Bvr hanteert de raad beleid dat is neergelegd in de op de website van de raad (kenniswijzer.rvr.org) gepubliceerde Werkinstructie ‘Eerste aanvraag extra uren’ (hierna: het beleid). In paragraaf 2.2 is voor wat betreft de vraag wat onder ‘doelmatig’ moet worden verstaan, opgemerkt dat dit criterium is gekoppeld aan de feitelijke en/of juridische complexiteit van de zaak.

    Ten aanzien van de feitelijke complexiteit is uiteengezet dat van een bewerkelijk zaak wordt gesproken, als sprake is van een omvangrijk juridisch relevant feitencomplex, waardoor niet verwacht kan worden dat alle rechtsbijstand binnen de forfaitaire grens kan worden verleend. Feitelijke complexiteit moet objectief vast te stellen zijn in vergelijking met een soortgelijke zaak. Geen bewerkelijkheid van de zaak wordt aangenomen als uitsluitend wordt verwezen naar het aantal aan de zaak bestede uren, de omvang van het dossier of factoren die herleidbaar zijn tot de persoon(lijkheid) van de rechtzoekende of wederpartij.

    Ten aanzien van de juridische complexiteit is uiteengezet dat daarvan sprake is als er bijzondere rechtsvragen zijn die zelden voorkomen in soortgelijke zaken. De advocaat moet aantonen dat sprake is van een bijzondere rechtsvraag, omdat in die zaak geen of beperkte jurisprudentie aanwezig is én de wetgeving onduidelijk is, of omdat nieuwe Nederlandse wetgeving moet worden getoetst aan Europese wetgeving, aldus het beleid.

3.3.    Voorop dient te worden gesteld dat, gegeven het forfaitaire karakter van het toevoegingenstelsel, niet iedere overschrijding van het aantal uren rechtsbijstand waarvoor een toevoeging is verstrekt tot honorering van een verzoek om extra uren behoeft te leiden. [appellant] heeft een toevoeging aangevraagd voor het verlenen van rechtsbijstand in een strafprocedure waarin hij verdachte is. Gelet op de aard van deze procedure acht de Afdeling niet aannemelijk dat de feiten waarvan [appellant] wordt verdacht, de kwalificatie van die feiten, de omstandigheid dat hij ontkent deze te hebben gepleegd en het feit dat er twee medeverdachten zijn die ook ontkennen die feiten te hebben gepleegd een bijzondere vraag opleveren die zelden voorkomt in strafzaken en derhalve leiden tot juridische complexiteit.

    Dat in de strafzaak acht getuigen moeten worden gehoord, vormt naar het oordeel van de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de zaak dusdanig feitelijk complex is dat de behandeling daarvan in redelijkheid niet binnen de tijdgrens heeft kunnen plaatsvinden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, naar de raad ter zitting heeft bevestigd, zolang er geen extra uren zijn toegekend en de rechtsbijstand dus heeft plaatsgevonden binnen het forfait, ingevolge artikel 17 van het Bvr het aantal toe te kennen punten kan worden verhoogd met één punt per gehoorde getuige.

    Ook anderszins heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een bewerkelijke zaak. Daarbij is van belang dat de raad heeft gevraagd om de bewerkelijkheid van de zaak te onderbouwen met stukken, maar [appellant] dat heeft nagelaten.

    Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de zaak niet zodanig feitelijk en juridisch complex is dat om die reden extra uren moesten worden toegekend.

    Het betoog faalt.

Conclusie

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, griffier.

w.g. Hoogvliet    w.g. Wieland

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2017

502.