Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:757

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
201605983/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 november 2015 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605983/1/A2.

Datum uitspraak: 22 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 juni 2016 in zaak nr. 16/2042 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad voor rechtsbijstand (lees: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand; hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2015 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 5 februari 2016 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 juni 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 maart 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, zijn verschenen.

    Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] heeft een geschil gehad met de gemeente Borssele. Hij is daarin bijgestaan door een [advocaat] die op basis van een toevoeging voor hem optrad. De rechtbank die over het geschil heeft geoordeeld, heeft de gemeente veroordeeld tot het betalen van een proceskostenvergoeding aan [appellant] van € 3.758,00. De gemeente heeft geweigerd deze vergoeding aan [appellant] te betalen, omdat [appellant] nog een bedrag aan de gemeente verschuldigd zou zijn en beide bedragen met elkaar kunnen worden verrekend. [advocaat] heeft de proceskosten tot vergoeding waarvan de gemeente door de rechtbank was veroordeeld, van [appellant] gevorderd. [appellant] meent dat [advocaat] aldus aanspraak probeert te maken op een hogere eigen bijdrage dan waarop hij op grond van de regelgeving recht heeft. Dat is in strijd is met de gedragsregels voor advocaten en er is dan ook sprake van klachtwaardig handelen dat jegens hem onrechtmatig is, aldus [appellant]. Hij heeft een toevoeging aangevraagd om een klacht in te dienen tegen [advocaat]. De raad heeft de aanvraag afgewezen.

    In het besluit van 5 februari 2016 heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende is gebleken dat in de klachtprocedure, waarvoor de toevoeging is aangevraagd, rechtsbijstand van een advocaat noodzakelijk is. [appellant] wordt geacht zelf, zo nodig met hulp van een voorliggende voorziening, het gebeurde schriftelijk te kunnen toelichten en daarbij aan te geven wat de gevolgen zijn van het handelen en nalaten van zijn voormalige advocaat.

Uitspraak van de rechtbank

2.    De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat [appellant] volgens het aanvraagformulier een toevoeging heeft aangevraagd voor het indienen van een klacht bij de deken en de Raad van Discipline. Hij heeft onvoldoende duidelijk gemaakt dat de aanvraag ook zag op het verlenen van rechtsbijstand, gericht op het verkrijgen van een schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad. De raad is dan ook terecht uitgegaan van een aanvraag om een toevoeging voor het indienen van een klacht. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere feitelijke of juridische ingewikkeldheid of van zwaarwegende belangen, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat [appellant] geacht kon worden zelf zijn klacht te kunnen toelichten, aldus de rechtbank.

Hoger beroepsgronden

3.    [appellant] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank. Hij betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de raad er terecht van is uitgegaan dat de aanvraag om een toevoeging uitsluitend zag op het indienen van een klacht. Desgevraagd is duidelijk toegelicht dat de klacht is ingediend in verband met de onrechtmatige daad die [advocaat] jegens hem heeft gepleegd, aldus [appellant]. Voor het bewijzen van die onrechtmatige daad is het echter van belang eerst de klachtprocedure te doorlopen. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere feitelijke of juridische ingewikkeldheid. Daartoe voert hij aan dat [advocaat] in strijd met de gedragsregels gehandeld heeft door de kosten van rechtsbijstand waartoe de gemeente Borssele door de rechter was veroordeeld van hem te vorderen en aldus feitelijk een hogere eigen bijdrage van hem te vragen. Dit maakt de klachtprocedure principieel. Daar komt bij dat [advocaat] ook zijn werk niet goed heeft gedaan door na te laten om de beweerdelijke vordering van de gemeente Borssele op hem, waarmee de gemeente de door haar aan hem te betalen proceskosten heeft verrekend, te betwisten, aldus [appellant].

Wettelijk kader

4.    Artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) luidt: " Rechtsbijstand wordt niet verleend indien: het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet."

5.    De raad voert ten aanzien van de toepassing van de Wrb beleid dat is neergelegd in zogenoemde werkinstructies.

    In de Werkinstructie O010 geschil onrechtmatige daad (hierna: de Werkinstructie) is onder meer het volgende vermeld:

"Klacht over advocaat etc.

Voor het indienen van een klacht tegen een advocaat, gerechtsdeurwaarder, notaris etc. verstrek je geen toevoeging op grond van artikel 12 lid 2 sub g Wrb, tenzij:

- er sprake is van bijzondere feitelijke of juridische ingewikkeldheid of

- er sprake is van zwaarwegende belangen van de rechtzoekende."

Beoordeling

Duiding aanvraag

6.    Op 6 juli 2015 heeft de gemachtigde van [appellant] een aanvraag om een toevoeging civiel ingediend. Op het aanvraagformulier is vermeld dat [advocaat] kosten voor rechtsbijstand in rekening heeft gebracht, ondanks dat sprake was van een toevoeging. Dit is in strijd met de gedragsregels en dus klachtwaardig. [appellant] wil om die reden een klacht indienen bij de deken en de Raad van Discipline, aldus de aanvraag. Bij brief van 18 augustus 2015 heeft de raad [appellant] om aanvullende gegevens gevraagd. Daarbij is vermeld dat voor het indienen van een klacht in beginsel geen toevoeging wordt verstrekt. Gevraagd wordt welke werkzaamheden de gemachtigde van [appellant] gaat verrichten. Op 21 september 2015 heeft de gemachtigde van [appellant] de aanvraag om een toevoeging aangevuld. Daarbij is vermeld dat het gaat om onrechtmatig optreden van [advocaat]. Voorts is vermeld dat na bijstand in de klachtprocedure, de bijstand gericht is op het verkrijgen van een schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad.

    Ter zitting heeft [appellant] een nadere toelichting gegeven. Daaruit is naar voren gekomen dat hij beoogt een civiele procedure te entameren tegen zijn voormalige advocaat, maar dat hij eerst door middel van het indienen van een klacht een oordeel van de Raad van Discipline wil krijgen die kan dienen als bewijs in de civiele procedure. Gelet op de gegeven toelichting is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de raad er terecht van is uitgegaan dat de aanvraag om een toevoeging zag op het indienen van een klacht en niet ook op het voeren van een civiele procedure.

Ingewikkeldheid of zwaarwegende belangen

7.    Bij de beoordeling of de aanvraag een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, komt de raad beoordelingsvrijheid toe. Voor de aanwending daarvan heeft de raad criteria ontwikkeld die zijn neergelegd in de Werkinstructie. In de Werkinstructie is bepaald dat voor het indienen van een klacht tegen een advocaat geen toevoeging wordt verstrekt, tenzij er sprake is van bijzondere feitelijke of juridische ingewikkeldheid of van zwaarwegende belangen van de rechtzoekende.

    Dat, naar [appellant] stelt, het gaat om een klacht met een principieel karakter, omdat het gaat om de - ook voor de raad relevante - vraag of een advocaat naast de door diens cliënt verschuldigde eigen bijdrage om een vergoeding mag vragen, maakt op zichzelf niet dat sprake is van bijzondere feitelijke of juridische ingewikkeldheid of zwaarwegende belangen. Dat, naar [appellant] ter zitting heeft aangevoerd, het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij uitspraak van 19 april 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:1513) de vordering van zijn voormalige advocaat op hem heeft afgewezen, rechtvaardigt op zichzelf die conclusie evenmin. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat [appellant] geacht kan worden zijn klacht zelf toe te lichten. De raad mocht de aanvraag om een toevoeging voor rechtsbijstand derhalve afwijzen.

8.    Het betoog faalt.

Conclusie

9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, griffier.

w.g. Hoogvliet    w.g. Wieland

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2017

502.