Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:755

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
201604899/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juni 2015 heeft de minister de aan [appellant] verleende verklaring van geen bezwaar ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201604899/1/A3.

Datum uitspraak: 22 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 mei 2016 in zaak nr. 15/9493 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2015 heeft de minister de aan [appellant] verleende verklaring van geen bezwaar ingetrokken.

Bij besluit van 19 november 2015 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 mei 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 februari 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. van Beest, advocaat te Den Haag, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.M.S. van Venrooij, zijn verschenen.

    Overwegingen

Het juridisch kader

1.    Voor de tekst van de toepasselijke bepalingen uit de Wet veiligheidsonderzoeken (hierna: Wvo) en van de Beleidsregel vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken op burgerluchthavens 30 januari 1997 (Stcrt. 1997, 35, hierna: Beleidsregel), wordt verwezen naar de bijlage bij deze uitspraak.

Inleiding

2.    [appellant] was bagagemedewerker op de luchthaven Schiphol. Deze functie is een vertrouwensfunctie. Op 1 mei 2012 is aan [appellant], nadat een veiligheidsonderzoek was ingesteld door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, een verklaring van geen bezwaar voor de uitoefening van deze vertrouwensfunctie afgegeven. De minister heeft deze verklaring ingetrokken, omdat [appellant] in hoger beroep is veroordeeld tot een werkstraf van 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis voor gezamenlijke openlijke geweldpleging (artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht). Het plegen van dit strafbare feit is volgens de minister niet verenigbaar met het vervullen van een vertrouwensfunctie. Daarbij heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de aan [appellant] toegekende straf als zwaar moet worden aangemerkt. De minister heeft het besluit tot intrekking van de verklaring in bezwaar gehandhaafd.

De aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat [appellant] onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de minister de aan [appellant] opgelegde straf als zwaar heeft mogen aanmerken. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het te beschermen belang van nationale veiligheid zwaarder weegt dan het belang van [appellant] bij behoud van de verklaring van geen bezwaar. De door [appellant] aangevoerde persoonlijke omstandigheden kunnen volgens de rechtbank niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de minister tot intrekking van de aan [appellant] verleende verklaring van geen bezwaar heeft mogen overgaan.

Het hoger beroep

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat hij onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen. Daartoe voert hij primair aan dat het Gerechtshof hem ten onrechte voor openlijke geweldpleging heeft veroordeeld. Subsidiair voert hij aan dat de minister niet heeft gemotiveerd waarom deze veroordeling een risico vormt voor het getrouwelijk vervullen van de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten. De veroordeling voor openlijke geweldpleging heeft volgens hem geen betrekking op de door hem verrichte en te verrichten werkzaamheden op de luchthaven Schiphol. Verder voert [appellant] aan dat de kans op herhaling gezien de bijzondere omstandigheden waaronder dit strafbare feit is gepleegd, afwezig is. Hij stelt sinds het incident ook niet meer met politie en justitie in aanraking te zijn gekomen. Onder overlegging van beoordelingsformulieren en verslagen van functioneringsgespreken, voert [appellant] aan dat hij zijn functie als bagagemedewerker altijd goed heeft vervuld.

4.1.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het te beschermen belang van nationale veiligheid zwaarder weegt dan zijn belang bij behoud van de verklaring van geen bezwaar. Daartoe voert hij aan dat hij zijn baan als bagagemedewerker door de intrekking van de verklaring waarschijnlijk zal verliezen. Aangezien hij gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, dyslexie heeft en een lage opleiding heeft genoten, zal het voor hem heel lastig worden om ander passend werk te vinden. [appellant] brengt voorts naar voren dat hij kostwinner is en twee jonge kinderen heeft.

Het oordeel van de Afdeling

5.    De minister is bevoegd een verklaring van geen bezwaar in te trekken indien onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen. Bij de beoordeling of onvoldoende waarborgen aanwezig zijn, komt de minister beoordelingsruimte toe. Die ruimte heeft de minister wat de beoordeling van justitiële gegevens betreft ingevuld met de Beleidsregel. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3118) heeft deze Beleidsregel weliswaar betrekking op de beoordeling van justitiële gegevens bij de uitoefening door de minister van de bevoegdheid tot het afgeven van een verklaring, maar is er geen reden om te oordelen dat de minister die gegevens anders moet beoordelen bij toepassing van  de bevoegdheid tot intrekking van een verklaring. De Beleidsregel kan dus ook in dit kader van toepassing worden geacht.

5.1.    In artikel 1, eerste lid, van de Beleidsregel zijn de aspecten genoemd waarmee de minister bij de beoordeling rekening dient te houden, waaronder de aard, ouderdom en de zwaarte van de delicten en de zwaarte van de opgelegde straffen of maatregelen. In artikel 1, tweede lid, van de Beleidsregel zijn gegevens genoemd waar in het kader van de beoordeling in het bijzonder op wordt gelet.

5.2.    De Afdeling ziet in het licht van haar uitspraak van 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:860, aanleiding het volgende te overwegen. In deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld over een zaak betreffende de intrekking van de verklaring van geen bezwaar voor een medewerker van Defensie. In die zaak was artikel 2, derde lid, van de Beleidsregeling justitiële antecedenten bij veiligheidsonderzoeken Defensie aan de orde, waarin de aspecten zijn genoemd waarmee de minister bij de beoordeling rekening dient te houden. De Afdeling heeft over deze bepaling overwogen dat de minister, indien de zienswijze dan wel het bezwaarschrift van betrokkene daartoe aanleiding geeft, meer aspecten bij de beoordeling dient te betrekken dan hierin worden genoemd. Artikel 1, eerste lid, van de thans aan de orde zijnde Beleidsregel bevat een met artikel 2, derde lid, van de in de uitspraak van 30 maart 2016 aan de orde zijnde Beleidsregeling vergelijkbare bepaling. De Afdeling ziet daarom aanleiding om te overwegen dat de minister, indien de zienswijze dan wel het bezwaarschrift van betrokkene daartoe aanleiding geeft, ook meer aspecten dan de in artikel 1, eerste lid, van de Beleidsregel genoemde aspecten bij de beoordeling dient te betrekken. Daarbij dient te worden gedacht aan de in geding zijnde specifieke vertrouwensfunctie, de vraag of betrokkene nadien met justitie of politie in aanraking is gekomen, de tijd die is verstreken sinds de onherroepelijke veroordeling en het functioneren van betrokkene.

5.3.    [appellant] is bij arrest van 12 februari 2014 in hoger beroep door het Gerechtshof veroordeeld tot een werkstraf van 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis voor gezamenlijke openlijke geweldpleging. Deze veroordeling is onherroepelijk. Gelet op artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wvo is deze veroordeling terecht bij de besluitvorming betrokken. Openlijke geweldpleging is voorts een strafbaar feit dat in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Beleidsregel uitdrukkelijk is genoemd als een aspect waar in het bijzonder op moet worden gelet. De minister heeft de aan [appellant] opgelegde werkstraf, gelet op het aantal uren waarvoor deze straf is opgelegd, als zwaar mogen aanmerken. Daarbij heeft de minister voorts de in het arrest gegeven strafmotivering mogen betrekken. Uit de strafmotivering volgt dat het Gerechtshof [appellant] zwaar heeft aangerekend dat de openlijke geweldpleging was gericht tegen een hulpverlener, omdat die zich in zijn werk veilig moet kunnen voelen.

5.4.    De minister heeft ter zitting toegelicht dat de functie van bagagemedewerker op de luchthaven Schiphol een vertrouwensfunctie is omdat een bagagemedewerker toegang heeft tot de beveiligde zone van de luchthaven Schiphol. Van een vertrouwensfunctionaris mag, zoals de minister heeft aangevoerd, worden verwacht dat hij de fysieke integriteit en de veiligheid van personen op geen enkele wijze in gevaar brengt. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de minister zich gelet op de onder 5.3 genoemde omstandigheden op het standpunt mocht stellen dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat [appellant] onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie van bagagemedewerker voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen. Daarbij neemt de Afdeling mede in aanmerking hetgeen door de minister naar voren is gebracht, dat deze functie meebrengt dat men toegang heeft tot het beveiligde gedeelte van de luchthaven Schiphol. De omstandigheid dat [appellant] als bagagemedewerker goed heeft gefunctioneerd, leidt gelet op de ernst van het door [appellant] gepleegde strafbare feit en de tijd die is verstreken sinds zijn veroordeling, niet tot een ander oordeel. De door [appellant] aangevoerde omstandigheid dat hij sinds het plegen van het strafbare feit niet meer in aanraking is geweest met de politie, mist voorts feitelijke grondslag. Ter zitting is vast komen te staan dat begin 2016 bij de politie melding is gemaakt van bedreiging door [appellant] en aangifte tegen hem is gedaan wegens mishandeling. De aangifte is nadien echter weer ingetrokken.

5.5.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het te beschermen belang van nationale veiligheid zwaarder weegt dan het belang van [appellant] bij behoud van de verklaring van geen bezwaar. Daarbij heeft de minister in aanmerking mogen nemen dat [appellant] zou kunnen zoeken naar een baan die geen vertrouwensfunctie inhoudt en waarvoor dus geen verklaring van geen bezwaar is vereist. Niet gebleken is dat het voor [appellant] onmogelijk is om een nieuwe baan te verkrijgen.

5.6.    Gelet op het vorenstaande is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat de minister tot intrekking van de aan [appellant] verleende verklaring van geen bezwaar heeft mogen overgaan.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, griffier.

w.g. Wortmann    w.g. Binnema

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2017

589. BIJLAGE

Wet veiligheidsonderzoeken

Artikel 7

1.  Alvorens een verklaring wordt afgegeven of geweigerd, wordt ten aanzien van de betrokken persoon door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst een veiligheidsonderzoek ingesteld.

2. Het veiligheidsonderzoek omvat het instellen van een onderzoek naar gegevens die uit het oogpunt van de nationale veiligheid van belang zijn voor de vervulling van de desbetreffende vertrouwensfunctie. Hierbij wordt uitsluitend gelet op:

a. justitiële en strafvorderlijke gegevens als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en gegevens als bedoeld in de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag BES alsmede van gegevens als bedoeld in de Wet politiegegevens en van gegevens verwerkt in het kader van de uitvoering van de politietaak op Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

[…].

Artikel 8

Een verklaring kan slechts worden geweigerd, indien onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen of indien het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft kunnen opleveren om daarover een oordeel te geven.

Artikel 9

1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is bevoegd, na het verstrijken van een termijn van vijf jaren of een veelvoud daarvan sinds het afgeven van de verklaring of indien hem blijkt van feiten of omstandigheden die een hernieuwd veiligheidsonderzoek rechtvaardigen, een veiligheidsonderzoek te doen instellen naar een persoon die een vertrouwensfunctie vervult. Voor het instellen van een hernieuwd veiligheidsonderzoek is de instemming van de betrokkene niet vereist.

2. Onder feiten en omstandigheden als bedoeld in het eerste lid kunnen worden gerekend gegevens die de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst heeft verkregen door het verzamelen van justitiële en strafvorderlijke gegevens als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens […].

Artikel 10

1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is bevoegd tot het intrekken van de verklaring, indien hem blijkt dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen of indien een nieuw veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft kunnen opleveren om vast te stellen dat voldoende waarborgen aanwezig zijn.

Beleidsregel vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken op burgerluchthavens

Artikel 1

1. Bij het afgeven van een verklaring als bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de Wet veiligheidsonderzoeken, in verband met de vervulling van een vertrouwensfunctie op een burgerluchthaven, wordt, indien het naar de betrokken persoon ingestelde veiligheidsonderzoek gegevens heeft opgeleverd als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken, bij de beoordeling van die gegevens rekening gehouden met:

a. de aard van de gegevens;

b. de ouderdom van de gegevens;

c. de aard en de zwaarte van de delicten waarop de gegevens betrekking hebben;

d. de zwaarte van de opgelegde straffen of maatregelen;

e. het aantal in een bepaalde tijdsspanne vastgelegde gegevens;

f. de leeftijd van betrokkene ten tijde van het vastleggen van de gegevens.

2. Bij de beoordeling van de in de aanhef van het eerste lid bedoelde gegevens wordt in het bijzonder gelet op gegevens betreffende:

a. gebruik of handel in harddrugs;

b. handel in grotere hoeveelheden softdrugs;

c. voorhanden hebben of handel in vuurwapens of schijnvuurwapens;

d. zwaardere vormen van diefstal, inbraak of heling;

e. verduistering, oplichting of valsheid in geschriften;

f. misdrijven tegen het leven gericht;

g. openlijke geweldpleging of zware vormen van mishandeling;

h. afpersing of afdreiging;

i. misdrijven tegen de veiligheid van de Staat;

j. deelneming aan een criminele organisatie, of deelneming aan de voortzetting van een verboden en ontbonden rechtspersoon;

k. luchtvaartmisdrijven of

l. andere feiten die een risico kunnen opleveren voor de veiligheid van de burgerluchtvaart.