Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:752

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
201605013/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 mei 2016 heeft de minister aan VarioHippique ingevolge artikel 2, vijfde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht (hierna: BP) een plicht opgelegd tot het gedogen van de aanleg en instandhouding van de Randstad 380 kV hoogspanningsverbinding Beverwijk-Vijfhuizen met bijkomende werken op het perceel, sectie C, nummer 2312 (hierna: C2312), in de gemeente Velsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TBR 2017/83 met annotatie van J.A.M.A. Sluysmans
JOM 2017/1357
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605013/1/R1.

Datum uitspraak: 22 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

VarioHippique B.V., gevestigd te Velsen-Zuid, gemeente Velsen,

appellante,

en

de minister van Infrastructuur en Milieu,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2016 heeft de minister aan VarioHippique ingevolge artikel 2, vijfde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht (hierna: BP) een plicht opgelegd tot het gedogen van de aanleg en instandhouding van de Randstad 380 kV hoogspanningsverbinding Beverwijk-Vijfhuizen met bijkomende werken op het perceel, sectie C, nummer 2312 (hierna: C2312), in de gemeente Velsen.

Tegen dit besluit heeft VarioHippique beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

TenneT heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

VarioHippique, de minister en TenneT hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2017, waar VarioHippique, vertegenwoordigd door mr. A.P. van Delden, advocaat te Den Haag, bijgestaan door ing. G.J. Pelgrum en dr. M.C. van Dierendonck, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A. Divis-Stein, advocaat te Utrecht, bijgestaan door mr. J.H. van Dijk-Berends, zijn verschenen.

Voorts is daar TenneT TSO B.V., vertegenwoordigd door mr. N.H. van den Biggelaar, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door ir. A. Middelburg, G. Volman, R.T. van der Woude, ing. A. van den Berg, ing. C.L.W. Lagendijk en ir. E.K. Visser, als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.     VarioHippique is beheerder van een pensionstal, manege en dressuurstal aan de rand van het recreatiegebied Spaarnwoude, nabij onder meer de rijksweg A9 en het Noordzeekanaal. De percelen waar VarioHippique haar bedrijf op uitoefent hebben een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 61.952 m². Er bevinden zich op deze percelen een hoofdgebouw, stallen met 87 paardenboxen, twee rijbakken en drie grote weilanden. De percelen die VarioHippique gebruikt voor het beweiden van paarden zijn perceel C2312, perceel, sectie C, nummer 2313, en perceel, sectie C, nummer 2314. VarioHippique heeft een recht van ondererfpacht op perceel C2312. De eigendom van perceel C2312 berust bij Staatsbosbeheer. Erfpachter van dit perceel is het Recreatieschap Spaarnwoude.

    De gedoogplicht ziet op perceel C2312 en houdt verband met de 380 kV hoogspanningsverbinding tussen Beverwijk en Vijfhuizen. Deze hoogspanningsverbinding bestaat uit twee ringstructuren: de Zuidring en de Noordring. De gronden waarop de gedoogplicht ziet, behoren tot de Noordring. Het tracé van de Noordring is ongeveer 60 km lang. De Noordring kent een noordelijk en zuidelijk deel. Het perceel C2312 behoort tot het noordelijk deel.

    Met deze hoogspanningsverbinding wordt beoogd een adequate stroomvoorziening voor de Randstad te waarborgen. Hierbij moet echter het Noordzeekanaal worden gepasseerd. Dit is niet mogelijk met een bovengrondse hoogspanningsverbinding vanwege de vereiste vrije doorvaarthoogte van de scheepvaart tussen de Noordzee en de Amsterdamse haven. Daarom wordt het Noordzeekanaal gekruist met een ondergrondse kabelverbinding. Om de overgang tussen de hoogspanningsmasten en de grondkabels mogelijk te maken wordt aan beide kanten van het Noordzeekanaal in opstijgpunten voorzien. Eén van de opstijgpunten is voorzien op een deel van perceel C2312. Behalve een opstijgpunt, dat wordt omheind met een hek, zal daar ook een mast en een toegangsweg worden gerealiseerd. TenneT zal de toegangsweg ongeveer viermaal per jaar gebruiken voor onderhoud en inspectie van het opstijgpunt en de hoogspanningsverbinding. Gedurende de realisering van het opstijgpunt is het gehele perceel C2312 benodigd als tijdelijk werkterrein.

    De planologische basis voor de hoogspanningsverbinding is het rijksinpassingsplan "Randstad 380 kV verbinding Noordring Beverwijk Zoetermeer (Bleiswijk)" dat bij besluiten van de ministers van Economische Zaken en Infrastructuur en Milieu van 28 augustus 2012 en 3 september 2012 is vastgesteld (hierna: het rijksinpassingsplan).

Bij uitspraak van 5 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2050, heeft de Afdeling de beroepen tegen het rijksinpassingsplan niet-ontvankelijk dan wel ongegrond verklaard. Het tracé van de hoogspanningsverbinding staat hiermee in rechte vast.

Het geschil

2.    De Afdeling heeft, bij uitspraak van 12 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2592, een eerder besluit van de minister van 5 augustus 2014 tot het opleggen van een gedoogplicht aan VarioHippique vernietigd. In deze uitspraak heeft de Afdeling - tegen de achtergrond van het bepaalde in artikel 1 van de BP dat de gedoogplicht slechts kan worden opgelegd indien naar het oordeel van de minister de belangen van rechthebbenden redelijkerwijs onteigening niet vorderen - bezien of de minister zijn standpunt dat de belangen van VarioHippique redelijkerwijs geen onteigening vorderen toereikend had gemotiveerd. De Afdeling heeft in deze uitspraak ten aanzien van VarioHippique vastgesteld dat als gevolg van de gedoogplicht het actuele gebruik van de gronden blijvend niet mogelijk zal zijn op het perceel C2312 ter plaatse van het opstijgpunt van ongeveer 4.023 m² en daar waar de mast en de toegangsweg van 346 m² worden gerealiseerd. De gronden waar het opstijgpunt, de mast en de toegangsweg worden gerealiseerd maken een relatief beperkt deel uit van het totale grondoppervlak van ongeveer 61.952 m² waarop de bedrijfsvoering van VarioHippique plaatsvindt. Gelet hierop kon naar het oordeel van de Afdeling in genoemde uitspraak niet worden gezegd dat in zoverre de belangen van VarioHippique onteigening van perceel C2312 vorderden. De Afdeling heeft verder in haar uitspraak van 12 augustus 2015 geoordeeld dat dit niet uitsluit dat zich bijzondere omstandigheden kunnen voordoen, die desalniettemin tot de conclusie kunnen leiden dat de belangen van VarioHippique redelijkerwijs onteigening vorderen. In dit verband heeft de Afdeling, wat betreft de bruikbaarheid van de gronden voor onder meer het beweiden van paarden, overwogen dat uit de door VarioHippique in die zaak ingediende brieven van H.J. Breukink, H. Coster en Van Dierendonck naar voren komt dat paarden vluchtdieren zijn, dat onverwacht optredend coronageluid kan leiden tot stress bij paarden en dat dit tot gevaarlijke situaties aanleiding kan geven. De Afdeling heeft verder van belang geacht dat uit deze brieven naar voren komt dat zowel bij de aanleg van het opstijgpunt als in de permanente fase waarin het opstijgpunt is gerealiseerd, risico op stress bij paarden bestaat. Hetgeen de minister tegenover deze bevindingen heeft gesteld, heeft de Afdeling in genoemde uitspraak niet toereikend geacht. In dit opzicht heeft de Afdeling het besluit van 5 augustus 2014 ontoereikend gemotiveerd geacht.

    Naar aanleiding van de uitspraak van 12 augustus 2015 heeft de minister opnieuw beoordeeld of de belangen van VarioHippique redelijkerwijs onteigening vorderen. Daarbij heeft de minister verwezen naar de rapporten "Wageningen UR Livestock Research, Effect van coronageluid op het gedrag van paarden - een deskstudie, september 2015" en "Wageningen UR Livestock Research, Effect van coronageluid op het gedrag van paarden - interviews paardenhouders, januari 2016" van het Wageningen University & Research Centre (hierna: WUR) betreffende een literatuurstudie onderscheidenlijk praktijkstudie. De minister heeft op basis hiervan het standpunt ingenomen dat de gevolgen van het coronageluid voor paarden niet ertoe leiden dat de belangen van VarioHippique redelijkerwijs onteigening vorderen. De minister heeft, hoewel de uitspraak van 12 augustus 2015 daar geen directe aanleiding toe gaf, uit oogpunt van zorgvuldigheid bij het nieuwe besluit ook bezien of paarden hinder zouden kunnen ondervinden van elektrische en magnetische velden van de hoogspanningsverbinding. In dit verband verwijst de minister naar het rapport van DNV-GL Energy KEMA Nederland B.V. (hierna: DNV-GL),

"EM-velden van hoogspanningslijnen - onderzoek naar effecten op koeien, paarden, schapen en varkens" van 26 oktober 2015. Ook in dit opzicht ziet de minister geen aanleiding om tot onteigening van perceel C2312 over te gaan.

    In de onderhavige procedure kan VarioHippique zich niet verenigen met het door de minister ingenomen standpunt dat haar belangen redelijkerwijs geen onteigening vorderen. Daarnaast voert VarioHippique enige formele beroepsgronden aan.

Goede procesorde

3.    De minister heeft ter zitting aangevoerd dat de brief van VarioHippique van 17 januari 2017 - bestaande uit een toelichting en producties - buiten beschouwing moet blijven, omdat deze op te korte termijn voor de zitting is ingediend. De minister stelt onvoldoende tijd te hebben gehad zich tegen de brief te verweren. De minister heeft in dit kader ook gesteld dat VarioHippique bij de brief van 17 januari 2017 een aantal nieuwe beroepsgronden naar voren heeft gebracht, te weten het betoog dat het vertrouwensbeginsel is geschonden en ook het betoog dat het gedeelte van het perceel C2312 waar het opstijgpunt wordt gerealiseerd reeds gezien de grote omvang ervan dient te worden onteigend. Volgens de minister moeten die nieuwe beroepsgronden wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.

3.1.    De Afdeling overweegt dat ook na afloop van de beroepstermijn en indien die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelet op artikel 8:58 van de Awb, nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken, ter onderbouwing van een eerdere beroepsgrond kunnen worden ingediend, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde. Dat is het geval, indien de nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zodanig laat worden ingediend, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd.

3.2.    De brief van 17 januari 2017 bevat naar het oordeel van de Afdeling geen nieuwe beroepsgronden, maar een nadere toelichting van reeds eerder ingediende beroepsgronden. Nu VarioHippique de brief van 17 januari 2017 met inachtneming van de in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb gestelde termijn heeft ingediend, ziet de Afdeling niet dat de minister ter zitting niet adequaat op deze brief heeft kunnen reageren. Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding deze brief wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten. Het verweer van de minister faalt.

Formele aspecten

4.    VarioHippique betoogt dat de minister geen besluit mocht nemen omdat volgens het algemene systeem van het bestuursrecht in beginsel slechts eenmaal op een aanvraag mag worden beslist. Nu de minister al op het verzoek van TenneT om een gedoogplicht op te leggen had beslist, had TenneT zich met een nieuw verzoek tot de minister moeten wenden, aldus VarioHippique.

4.1.    De stelling van VarioHippique dat de minister eerst een nieuw besluit mocht nemen indien TenneT een nieuwe aanvraag had ingediend tot het opleggen van een gedoogplicht, volgt de Afdeling niet. Uit het systeem van de Awb volgt dat na een vernietiging van een op aanvraag genomen besluit het bestuursorgaan opnieuw op die aanvraag dient te beslissen.

Gelet op de vernietiging van het eerdere besluit tot oplegging van de gedoogplicht, diende de minister dan ook opnieuw op de oorspronkelijke aanvraag van TenneT - die niet is geraakt door de vernietiging van het besluit en ook niet is ingetrokken - te beslissen.

    Het betoog faalt.

5.    VarioHippique betoogt dat na de vernietiging van het eerdere besluit de voorbereidingsprocedure opnieuw geheel had moeten worden doorlopen, waarbij een hernieuwde terinzagelegging en kennisgeving had moeten plaatsvinden conform artikel 2, eerste, tweede en derde lid, van de BP. Nu dit is nagelaten, is onder meer de houder van een hypotheekrecht op het ondererfpachtrecht ten aanzien van perceel C2312 in zijn belangen geschaad, aldus VarioHippique. VarioHippique stelt verder dat zij in strijd met artikel 2, vierde lid, van de BP niet in de gelegenheid is gesteld om bezwaren naar voren te brengen tijdens een openbare zitting. Daarbij hadden ook de eigenaar en de erfpachter van perceel C2312 moeten worden uitgenodigd, zodat met alle betrokken partijen overleg had kunnen worden gevoerd, aldus VarioHippique.

5.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:471, staat het, in geval van vernietiging van een besluit door de bestuursrechter, het bevoegd gezag in beginsel vrij om bij het opnieuw in de zaak voorzien terug te vallen op de procedure die aan het vernietigde besluit ten grondslag lag. Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen waarin het uit een oogpunt van zorgvuldige voorbereiding van een besluit niet passend moet worden geoordeeld indien het bevoegd gezag ermee volstaat terug te vallen op de eerdere procedure.

    De Afdeling stelt vast dat de minister ter voorbereiding van het besluit van 30 mei 2016 niet een geheel nieuwe voorbereidingsprocedure conform artikel 2, eerste, tweede en derde lid, van de BP heeft gevolgd.

De Afdeling overweegt dat VarioHippique geen omstandigheden heeft aangedragen die aanleiding geven voor het oordeel dat de minister in zoverre niet mocht terugvallen op de procedure die ten grondslag lag aan het vernietigde besluit. De Afdeling overweegt ten aanzien van de eerst ter zitting aangevoerde overigens niet geconcretiseerde stelling van VarioHippique over de positie van een houder van een hypotheekrecht, dat niet is gebleken dat VarioHippique dit niet eerder naar voren had kunnen brengen. Nu daarop niet adequaat kon worden gereageerd, ziet de Afdeling aanleiding die stelling wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten. De Afdeling stelt overigens vast dat in de bestuurlijke fase, op 29 maart 2016, in opdracht van de minister een hoorzitting is gehouden, waarvoor VarioHippique een uitnodiging heeft ontvangen. In zoverre is de minister derhalve niet teruggevallen op de eerdere voorbereidingsprocedure.

    De Afdeling overweegt verder dat VarioHippique tijdens de zitting van 29 maart 2016 had kunnen worden gehoord en dat daar overleg mogelijk was geweest met TenneT, die op die zitting is verschenen. Feitelijk is VarioHippique evenwel niet gehoord en heeft een dergelijk overleg niet plaatsgevonden, omdat VarioHippique ervoor heeft gekozen om niet op deze zitting te verschijnen. Naar het oordeel van de Afdeling komt die keuze voor rekening en risico van VarioHippique. Van strijd met artikel 2, vierde lid, van de BP is in zoverre derhalve geen sprake.

    De Afdeling overweegt voorts dat de in artikel 2, vierde lid, van de BP neergelegde verplichting om een zitting te houden, waar overleg kan worden gepleegd, betrekking heeft op de situatie, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de BP, dat met de rechthebbende geen overeenstemming is verkregen. Gebleken is dat TenneT met de eigenaar van het perceel C2312, Staatsbosbeheer, en de erfpachter van dit perceel, het Recreatieschap Spaarnwoude, wel overeenstemming heeft bereikt over de vestiging van een opstalrecht ten aanzien van dit perceel. Gelet hierop doet zich ten aanzien van Staatsbosbeheer en het Recreatieschap niet de situatie, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de BP, voor. Reeds hierom leidt het niet uitnodigen van Staatsbosbeheer en het Recreatieschap Spaarnwoude voor de hoorzitting niet tot het oordeel dat de minister in strijd met artikel 2, vierde lid, van de BP heeft gehandeld.

    Het betoog faalt.

Omvang van het geding

6.    VarioHippique betoogt dat perceel C2312 geïsoleerd ligt van de overige percelen die zij in gebruik heeft voor haar bedrijfsvoering en dat het gedeelte van het perceel C2312 waar het opstijgpunt wordt gerealiseerd reeds vanwege de grote omvang ervan dient te worden onteigend.

6.1.    De Afdeling is hierop reeds ingegaan in de uitspraak van 12 augustus 2015. In deze uitspraak zijn deze betogen op de daar vermelde gronden verworpen. De Afdeling is VarioHippique niet gevolgd in haar pleidooi dat slechts moet worden gekeken naar een perceel of perceelsgedeelte en evenmin in haar betoog dat het gedeelte van het perceel C2312 waar het opstijgpunt wordt gerealiseerd reeds vanwege de grote omvang ervan dient te worden onteigend.

    De Afdeling overweegt, onder verwijzing naar haar uitspraak van 8 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1115, dat niet kan worden aanvaard dat, behoudens het geval dat een wijziging in het besluit of een verandering van omstandigheden daartoe aanleiding geeft, in een beroep tegen een nieuw besluit dat is genomen na de vernietiging van een eerder besluit, een appellant opnieuw argumenten zou kunnen aanvoeren om te bewerkstelligen dat de rechter terugkomt van een in de eerste uitspraak als definitief bedoelde verwerping van een beroepsgrond. Een andere opvatting zou op onaanvaardbare wijze afbreuk doen aan de rechtszekerheid van andere partijen in een procedure als deze. De Afdeling overweegt dat, nu het besluit niet is gewijzigd ten aanzien van de aspecten waarop de hierboven genoemde betogen van VarioHippique zien en evenmin sprake is van een verandering van omstandigheden, de genoemde betogen van VarioHippique falen.

De onderzoeksmethode van WUR

7.    VarioHippique voert, met verwijzing naar het rapport van Van Dierendonck van 2 juli 2016 "Opstijgpunt TenneT op terrein van VarioHippiQue - gevolgen voor paarden en paard gerelateerde activiteiten", aan dat de praktijkstudie van WUR niet aan basiswetenschappelijke principes voldoet, zodat de minister zijn besluit niet mede hierop mocht baseren. Zo is de praktijkstudie van WUR slechts een verkennend onderzoek geweest, nu het beperkt is gebleven tot het afnemen van interviews. Verder stelt VarioHippique dat een onafhankelijke beoordeling van de resultaten van de praktijkstudie van WUR onmogelijk is, nu daarbij geen tabel is opgenomen van alle antwoorden per vraag. Ook is volgens VarioHippique niet duidelijk of de geïnterviewde personen bij hun paarden waren als er een coronageluid werd geproduceerd. Voorts wijst VarioHippique erop dat mogelijk personen zijn geïnterviewd die eventueel belang hebben bij het tegengaan van negatieve informatie over hoogspanningsverbindingen. Verder voert VarioHippique aan dat een experimenteel gedragsonderzoek bij paarden bij opstijgpunten in een stoffige en vochtige omgeving had moeten worden uitgevoerd.

7.1.    De minister heeft toegelicht dat WUR wat betreft het coronageluid  eerst een overzicht heeft gemaakt van wetenschappelijk relevante literatuur over het effect van coronageluid op het gedrag van paarden (hierna: de literatuurstudie) en vervolgens een praktijkstudie heeft verricht, waarbij paardenhouders zijn geïnterviewd die paarden houden dichtbij hoogspanningsverbindingen. De minister heeft erop gewezen dat in de literatuurstudie van WUR is geconcludeerd dat met de huidige beschikbare kennis op het gebied van frequentie van het geluid en het continue karakter van het geluid, gesteld kan worden dat het niet aannemelijk is dat paarden ernstige hinder ondervinden van coronageluid tijdens het weiden in de buurt van hoogspanningsverbindingen met de specificaties zoals weergegeven in dit rapport. Verder heeft de minister erop gewezen dat uit de praktijkstudie van WUR naar voren komt dat het algemene beeld is dat de geïnterviewde paardenhouders denken dat paarden in de weide niet reageren op het coronageluid. Die bevindingen zijn in overeenstemming met de voorafgaande literatuurstudie, aldus de minister. De minister heeft hierbij ook gewezen op de reactie van 14 juli 2016 van WUR op het rapport van 2 juli 2016 van Van Dierendonck. Wat betreft de situatie bij VarioHippique heeft de minister, ook met verwijzing naar de notitie "Coronageluid bij opstijgpunten van TenneT" van 14 juli 2016 van ing. A. van den Berg, gesteld dat, voor zover het coronageluid als gevolg van het opstijgpunt bij de gronden die VarioHippique voor haar bedrijfsvoering in gebruik heeft al hoorbaar zou zijn, van plotseling optredend geluid geen sprake is, zodat paarden daar aan het coronageluid kunnen wennen. Ter zitting heeft de minister ter onderbouwing van zijn standpunt ook verwezen naar de notitie "Hoorbaarheid van coronageluid bij het opstijgpunt van de hoogspanningsverbinding Randstad 380kV nabij Variohippique" van 20 december 2016 van ing. A. van den Berg. Daarnaast heeft de minister met verwijzing naar deze notitie gesteld dat het coronageluid ter plaatse van de gronden die VarioHippique voor haar bedrijfsvoering in gebruik heeft zeer waarschijnlijk evenmin hoorbaar zal zijn vanwege het altijd aanwezige achtergrondgeluid van met name wegverkeer en vliegverkeer.

7.2.    De Afdeling ziet in hetgeen VarioHippique heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat bij de besluitvorming aan de praktijkstudie geen betekenis mocht worden toegekend. De verwijzing van VarioHippique naar het ontbreken van een tabel van alle antwoorden per vraag en de gestelde onduidelijkheid of de geïnterviewde personen bij hun paarden waren, is daartoe niet voldoende. In dit kader overweegt de Afdeling dat VarioHippique weliswaar heeft gesteld dat mogelijk personen zijn geïnterviewd die eventueel belang hadden bij het tegengaan van negatieve informatie over hoogspanningsverbindingen, maar dat zij geen concrete feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die enige adstructie van de juistheid van die stelling geeft.

    Zoals VarioHippique op zichzelf terecht constateert, was de praktijkstudie naar haar aard beperkt. De Afdeling stelt vast dat de praktijkstudie slechts als doel had om te bezien of de bevindingen uit de literatuurstudie in de praktijk zouden worden bevestigd. Nu zowel de literatuurstudie als de praktijkstudie in dezelfde richting wijzen, namelijk dat het niet aannemelijk is dat paarden ernstige hinder ondervinden van coronageluid tijdens het weiden, daarbij in aanmerking genomen dat VarioHippique geen concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht voor twijfel aan de juistheid hiervan, was de minister, naar het oordeel van de Afdeling, in dit geval niet gehouden om verdergaand onderzoek, zoals het door VarioHippique genoemde experimentele gedragsonderzoek, te verrichten.

    Het betoog faalt.

De uitgangspunten van de WUR onderzoeken

8.    VarioHippique voert, met verwijzing naar het rapport van Van Dierendonck, aan dat het onderzoek van de WUR op een onjuist uitgangspunt is gebaseerd wat betreft het karakter van coronageluid. Volgens VarioHippique is coronageluid te beschouwen als piekgeluid, waar paarden van kunnen schrikken. Hierbij wijst VarioHippique erop dat er aanknopingspunten zijn in de literatuur dat het coronageluid een "knetterend" geluid is.

8.1.    In de literatuurstudie van WUR is wat betreft de aard van coronageluid uitgegaan van informatie van dB Advies in de eerdergenoemde notities. Daarin staat dat coronageluid het best omschreven kan worden als: "een continu brommend geluid" en als: "altijd aanwezig maar fluctuerend in sterkte". Ter zitting heeft Van den Berg van dB Advies toegelicht dat in zijn notities niet voor de omschrijving "knetterend geluid" is gekozen omdat die omschrijving zou kunnen veronderstellen dat er een piekgeluid aan de orde kan zijn. Van piekgeluid is bij coronageluid volgens Van den Berg geen sprake omdat het volgens hem gaat om een gelijkmatig geluid met een continu karakter en een kleine dynamiek. In de niet nader onderbouwde stelling van VarioHippique dat coronageluid wel als piekgeluid is aan te merken, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de minister de onderzoeksresultaten van WUR niet aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen vanwege de omschrijving van de aard van het coronageluid die daarin is gegeven.

    Het betoog faalt.

9.    Verder voert VarioHippique, met verwijzing naar het rapport van Van Dierendonck, aan dat in de onderzoeken van WUR ten onrechte alleen manegepaarden zijn meegenomen. Daarbij wijst Van Dierendonck erop dat bij VarioHippique ook een aantal "zeer hoog in het bloed staande" dressuurpaarden wordt gehouden. Ook in zoverre is sprake van een onjuist uitgangspunt in de onderzoeken van WUR, aldus Van Dierendonck.

9.1.    Op pagina 11 van de literatuurstudie van WUR is het volgende  vermeld: "Hieruit bleek dat de rassen die hoger in het bloed staan (zoals Volbloeden en Arabieren) gevoeliger zijn, sneller en heftiger reageren op deze test in vergelijking met rassen die minder hoog in het bloed staan (zoals trekpaarden, koudbloeden) (Hausberger et. al. 2004)". Voorts stelt de Afdeling vast dat in de reactie van 14 juli 2016 van WUR is gesteld dat in de praktijkstudie ook houders van paarden zijn geïnterviewd die, naast manegepaarden, ook pensionpaarden, eigen paarden en "hoog in het bloed staande merries" hielden. Gelet hierop mist het betoog van VarioHippique dat in de onderzoeken van WUR alleen manegepaarden zijn meegenomen, feitelijke grondslag.

10.    Voorts stelt VarioHippique, met verwijzing naar het rapport van Van Dierendonck, dat de minister bij zijn besluit ten onrechte mede heeft verwezen naar de onderzoeksresultaten van WUR, omdat daarbij 150 kV kabels zijn betrokken. Hier zijn echter 380 kV kabels aan de orde, aldus VarioHippique.

10.1.    De Afdeling stelt vast dat WUR bij de praktijkstudie ook locaties nabij 380 kV kabels heeft betrokken. In het rapport van WUR inzake de praktijkstudie komt immers naar voren dat het voltage van de hoogspanningsverbindingen die over het terrein van de geïnterviewden liepen varieerde tussen 110, 150, 220 en 380 kV. In dat rapport wordt verder vermeld dat er geen aanwijzingen zijn gevonden dat de hoogte van het voltage naar de mening van de geïnterviewden een verschil geeft in de reactie van de paarden op het coronageluid. De Afdeling ziet, nu VarioHippique haar betoog op dit punt niet nader heeft onderbouwd, geen aanknopingspunten die aanleiding geven voor twijfel aan de juistheid van deze passage in het rapport van de praktijkstudie.      

      Het betoog faalt.

Waardering van de onderzoeken van WUR

11.    Verder stelt VarioHippique, met verwijzing naar het rapport van Van Dierendonck, dat de minister te veel waarde heeft toegekend aan de literatuurstudie en praktijkstudie van WUR. Daarbij wijst VarioHippique erop dat de onderzoeken van WUR betrekking hadden op reguliere hoogspanningsverbindingen, terwijl het in dit geval gaat om een opstijgpunt.

De resultaten van de onderzoeken van WUR zijn volgens VarioHippique dan ook niet zonder meer toepasbaar op haar situatie. VarioHippique voert in dit kader aan dat het op basis van de locatie en de aard van een opstijgpunt zeer waarschijnlijk is dat er een veel sterkere en meer variabele coronageluidsproductie is bij een opstijgpunt dan bij hoogspanningskabels tussen masten.

11.1.    De minister heeft in dit verband gewezen op de twee notities van dB Advies, waarin staat dat aannemelijk is dat de hoogte van coronageluidsniveaus bij een opstijgpunt min of meer gelijk zullen zijn aan de hoogte van coronageluidsniveaus bij een normale verbinding, bij dezelfde afstand ten opzichte van het opstijgpunt of de verbinding. In hetgeen VarioHippique heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen concrete aanknopingspunten die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van hetgeen in zoverre in deze notities is gesteld. Derhalve biedt het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de minister voor de situatie van VarioHippique geen betekenis mocht toekennen aan de  onderzoeksresultaten van WUR.

    Het betoog faalt.

12.    Verder voert VarioHippique aan dat de minister onvoldoende betekenis heeft toegekend aan de vermelding in de literatuurstudie van WUR dat het niet is uit te sluiten dat sommige, meer gevoelige paarden mogelijk wel (enige) hinder van het coronageluid ondervinden.

12.1.    Aan de vermelding in de literatuurstudie van WUR dat het niet is uit te sluiten dat sommige, meer gevoelige paarden mogelijk (enige) hinder van het coronageluid ondervinden - kennelijk een uitzonderingssituatie - hoefde de minister naar het oordeel van de Afdeling niet de betekenis toe te kennen die VarioHippique daaraan toegekend wenst te zien. Hierbij is van belang dat, zoals de minister met verwijzing naar de notities van dB Advies heeft toegelicht, coronageluid niet een plotseling optredend geluid is, maar een meer continu karakter heeft waaraan paarden kunnen wennen.

    Het betoog faalt.

Overige betogen van VarioHippique over het coronageluid

13.    VarioHippique voert aan dat paarden die na realisering van het opstijgpunt verblijven op het overgebleven deel van perceel C2312, kunnen schrikken van het coronageluid en dan niet kunnen wegrennen van het perceel dat is gescheiden van andere percelen en zich dan kunnen verwonden. VarioHippique heeft verder, met verwijzing naar het rapport "Akoestisch onderzoek m.b.t. geluidoverlast hoogspanningsleiding Van der Hoevenpark te Voorschoten" van Cauberg-Huygen van 8 december 2011, aangevoerd dat de minister zich ten onrechte met verwijzing naar de notities van dB Advies op het standpunt stelt dat het coronageluid bij VarioHippique zeer waarschijnlijk evenmin hoorbaar zal zijn vanwege het altijd aanwezige achtergrondgeluid van met name wegverkeer en vliegverkeer. Ook stelt VarioHippique dat de minister ten onrechte het standpunt inneemt dat perceel, sectie C, nummer 2491 en perceel, sectie D, nummer 213 zouden kunnen dienen als compensatiepercelen voor het niet meer bruikbare perceel C2312.

13.1.    Uit hetgeen is overwogen onder 7 tot en met 12.1 volgt dat, uitgaande van de hoorbaarheid van coronageluid bij VarioHippique, de minister op grond van de rapporten van WUR mocht aannemen dat de voor VarioHippique beschikbare gronden - ondanks het coronageluid - in de permanente fase bruikbaar zijn voor het beweiden van paarden. Aan de mogelijkheid dat paarden die na realisering van het opstijgpunt verblijven op het overgebleven deel van perceel C2312 kunnen schrikken van het coronageluid dan niet kunnen wegrennen van dat perceel en zich dan kunnen verwonden, kent de Afdeling niet die betekenis toe die VarioHippique daaraan toekent, nu niet aannemelijk is dat paarden ernstige hinder ondervinden van coronageluid.

    De conclusie is dat, als wordt uitgegaan van hoorbaarheid van coronageluid bij de gronden die VarioHippique voor haar bedrijfsvoering in gebruik heeft, coronageluid geen bijzondere omstandigheid betreft die ertoe leidt dat de belangen van VarioHippique redelijkerwijs onteigening vorderen. Gelet op deze conclusie behoeven de overige betogen over het coronageluid alsmede hetgeen over de compensatiepercelen is aangevoerd geen inhoudelijke bespreking.

Elektrische en magnetische velden

14.    VarioHippique betoogt, met verwijzing naar het rapport van Van Dierendonck, dat de minister aan zijn besluit niet mede het rapport van DNV-GL van 26 oktober 2015 ten grondslag mocht leggen. Daarbij voert VarioHippique aan dat in het onderzoek van DNV-GL ten onrechte niet is betrokken dat paarden op hoefijzers staan. Verder is volgens VarioHippique in het rapport van DNV-GL ten onrechte niet betrokken dat de hoogspanningskabels met speciale oliën moeten worden gekoeld.

Voorts is volgens VarioHippique in het rapport van DNV-GL niet onderkend dat de elektromagnetische velden bij een opstijgpunt anders zijn dan bij hoogspanningskabels tussen masten. Volgens VarioHippique veroorzaken verticale kabels een afwijkend verhoogd magnetisch veld in een straal van 50 m.

14.1.    Wat betreft de door VarioHippique gestelde omstandigheid dat paarden op hoefijzers staan, heeft de minister verwezen naar de reactie van DNV-GL van 14 juli 2016. Daarin is toegelicht dat hoefijzers niet relevant zijn wat betreft de invloed van de magnetische velden op paarden. De Afdeling overweegt dat er gelet op deze toelichting waartegen VarioHippique niets concreets heeft ingebracht geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de minister het rapport van DNV-GL niet mede aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen vanwege de omstandigheid dat niet in het onderzoek van DNV-GL is betrokken dat paarden hoefijzers dragen.

    Verder heeft de minister wat de koeling van de hoogspanningskabels betreft verwezen naar de reactie van 14 juli 2016 van DNV-GL, waarin is vermeld dat voor zover bekend geen oliën maar water wordt gebruikt om de hoogspanningskabels te koelen. Oliën of water hebben volgens DNV-GL geen invloed op de magneetvelden. VarioHippique heeft geen concrete informatie ingebracht die aanleiding geeft hieraan te twijfelen. Hetgeen VarioHippique omtrent de oliën heeft aangevoerd, leidt derhalve niet tot het ermee beoogde doel.

    De Afdeling overweegt dat VarioHippique niet aannemelijk heeft gemaakt dat de elektromagnetische velden bij een opstijgpunt zodanig verschillen van die bij hoogspanningskabels tussen masten dat de minister zich niet mocht baseren op de rapportages van DNV-GL.

    Het betoog faalt.

Blikseminslag en kortsluiting

15.    VarioHippique voert, met verwijzing naar het rapport van Van Dierendonck, aan dat de minister ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar het risico van blikseminslag bij een opstijgpunt en voorts ten onrechte niet heeft bezien wat de risico's zijn van kortsluiting.

15.1.    De minister heeft, met verwijzing naar de reactie van 14 juli 2016 van DNV-GL, gesteld dat het risico voor paarden bij bliksem door de aanwezigheid van een opstijgpunt niet groter wordt dan het risico voor paarden die buiten staan zonder opstijgpunt in hun nabijheid. Voorts heeft de minister, met verwijzing naar deze reactie van DNV-GL, gesteld dat een opstijgpunt zodanig wordt ontworpen dat bij een eventuele kortsluiting een aanraking van metalen delen in de buurt van het opstijgpunt niet gevaarlijk is. VarioHippique heeft de juistheid van deze stellingen niet bestreden. Derhalve ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit vanwege het niet onderzoeken van de risico's van blikseminslag en kortsluiting niet in stand kan blijven.

    Het betoog faalt.

Vrees voor vertrekkende klanten

16.    VarioHippique voert aan dat zij als redelijk handelende onderneming perceel C2312 feitelijk niet meer kan gebruiken voor het beweiden van paarden. Daarbij wijst VarioHippique erop dat sprake is van een optelsom van factoren, waaronder het coronageluid en de elektrische en magnetische velden, die ertoe leiden dat klanten hun paarden niet willen laten beweiden nabij een opstijgpunt voor een hoogspanningsverbinding. VarioHippique vreest dan ook dat klanten uit voorzorg hun paarden zullen weghalen met alle negatieve gevolgen van dien voor het bedrijf.

16.1.    De Afdeling overweegt wat betreft de keuze van VarioHippique om het perceel waar het opstijgpunt wordt gerealiseerd in het geheel niet meer te gebruiken voor het beweiden van paarden vanwege eventueel vertrekkende klanten, dat het weliswaar niet is uitgesloten dat sommige klanten uit voorzorg vanwege het opstijgpunt bij VarioHippique zullen vertrekken, maar dat VarioHippique bij gebreke aan enige concretisering op dit punt niet aannemelijk heeft gemaakt dat een substantieel aantal klanten vanwege het opstijgpunt zal vertrekken. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling in dit opzicht geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister had moeten aannemen dat de belangen van VarioHippique redelijkerwijs onteigening vorderen van perceel C2312.

     Het betoog faalt.

Conclusie voor permanente fase

17.    Gelet op al het vorenoverwogene, ziet de Afdeling voor de permanente fase, waarbij het opstijgpunt is gerealiseerd, aanleiding voor het oordeel dat de minister zich, met verwijzing naar de door hem genoemde rapporten, op het standpunt mocht stellen dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan de belangen van VarioHippique redelijkerwijs onteigening vorderen van perceel C2312.

Tijdelijke fase

18.    VarioHippique betoogt dat de realisering van het opstijgpunt aanmerkelijk langer duurt dan de door de minister genoemde doorlooptijden van ongeveer een jaar. VarioHippique stelt het perceel in de praktijk circa twee jaar niet te kunnen gebruiken voor het beweiden van paarden.

De omstandigheid dat de realisatie zo lang duurt, rechtvaardigt reeds onteigening van perceel C2312, aldus VarioHippique.

18.1.    Vast staat dat in de tijdelijke fase van realisatie van het opstijgpunt het gehele perceel C2312 niet bruikbaar is voor het beweiden van paarden. De zogenoemde doorlooptijden bedragen ongeveer een jaar, maar in de praktijk kan VarioHippique gedurende een langere periode het perceel niet gebruiken voor het beweiden van paarden. Dit houdt onder meer verband met de stopzetting van de werkzaamheden ter realisatie van het opstijgpunt naar aanleiding van de uitspraak van 12 augustus 2015. Naar het oordeel van de Afdeling heeft VarioHippique echter niet aannemelijk gemaakt dat zij haar bedrijfsvoering hangende de realisatiefase, ondanks de duur ervan, niet kan voortzetten. In dit kader overweegt de Afdeling dat VarioHippique er tot dusver feitelijk in is geslaagd haar bedrijfsvoering te continueren. Hierbij neemt de Afdeling mede in ogenschouw dat TenneT heeft aangegeven schadebeperkende maatregelen te nemen bij de uitvoering van de werkzaamheden.

    Het betoog faalt.

Conclusie voor de tijdelijke fase

19.    Gelet op hetgeen in 18.1 is overwogen, ziet de Afdeling voor de tijdelijke fase aanleiding voor het oordeel dat de minister zich op het standpunt mocht stellen dat ook in dit opzicht geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de belangen van VarioHippique redelijkerwijs onteigening vorderen van perceel C2312.

Eindconclusie

20.    Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

21.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.

w.g. Van Diepenbeek    w.g. Van Loo

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2017

418.