Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:75

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
25-01-2017
Zaaknummer
201608025/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 september 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2017/79 met annotatie van prof. mr. H. Battjes
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201608025/1/V3.

Datum uitspraak: 18 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 18 oktober 2016 in zaak nr. 16/21285 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 oktober 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 december 2016, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mrs. R. Jonkman en I.J.A. Klep, en de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Luijendijk, advocaat te Veenendaal, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. De vreemdeling, afkomstig uit Syrië, heeft zich op 19 januari 2016 bij de Nederlandse autoriteiten gemeld, waarbij hij zijn wens om een verzoek om internationale bescherming in te dienen kenbaar heeft gemaakt. Op 21 januari 2016 heeft de vreemdeling in Nederland een asielaanvraag ingediend. De staatssecretaris heeft krachtens artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (PB 2013 L 180; hierna: de Dublinverordening) Duitsland verantwoordelijk gehouden voor de behandeling van de aanvraag. De Duitse autoriteiten hebben, na een eerdere afwijzing en naar aanleiding van een verzoek om heroverweging, het terugnameverzoek op 17 augustus 2016 alsnog geaccepteerd. In het claimakkoord hebben de Duitse autoriteiten vermeld: "Die Zustimmung der Bundesrepublik Deutschland erfolgt trotz fehlenden schriftlichen Antrags. Die deutschen Behörden haben jedoch eine BÜMA oder eine Belehrung ausgehändigt, die bescheinigt, dass der Antragsteller als Asylsuchender in Deutschland registriert wurde. Germany accepts responsibility, despite the absence of a formal application for asylum. However Germany has a German "BÜMA or a written instruction, which proves that the applicant was registered as a[n] asylum seeker in Germany".

In hoger beroep is aan de orde of de staatssecretaris de asielaanvraag van de vreemdeling terecht niet in behandeling heeft genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.

1.1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Grief I

2. Hetgeen de staatssecretaris als eerste grief heeft aangevoerd en aan artikel 85, eerste lid en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

De grief faalt.

Grief II

3. In de tweede grief klaagt de staatssecretaris - kort samengevat - dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het voor het vaststellen van de verantwoordelijkheid van een lidstaat op grond van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening niet nodig is dat een vreemdeling in die lidstaat een formeel verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Hiervoor is het door de vreemdeling in die lidstaat kenbaar maken van de wens om internationale bescherming voldoende. Ten onrechte heeft de rechtbank, volgens de staatssecretaris, verder overwogen de vreemdeling met een verwijzing naar het zogeheten "Bescheinigung über die Meldung als Asylsuchender"-document (hierna: BÜMA, thans een "Ankunftsnachweis für Asylsuchende" (AKN)) en de informatie in het claimakkoord heeft aangetoond dat hij in Duitsland geen wens om internationale bescherming kenbaar heeft gemaakt. Zijns inziens heeft hij Duitsland terecht verantwoordelijk geacht voor de behandeling van de asielaanvraag van de vreemdeling en heeft Duitsland terecht het terugnameverzoek geaccepteerd.

Doel en strekking van de Dublinverordening

4. Het doel van de Dublinverordening is, gelet op artikel 1 en zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 10 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1367), het vaststellen van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land of staatloze bij een van de lidstaten is ingediend. Volgens punt 5 van de considerans van de Dublinverordening moet de methode om vast te stellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek zijn gebaseerd op objectieve en zowel voor de lidstaten als voor de betrokken asielzoekers eerlijke criteria. Met de methode moet met name snel kunnen worden vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is, om de daadwerkelijke toegang tot de procedures voor het verlenen van internationale bescherming te waarborgen en de doelstelling om verzoeken om internationale bescherming snel te behandelen, niet te ondermijnen. Daarbij is van belang dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV6276), de Dublinverordening niet ziet op de wijze van inrichting van de asielprocedures in de afzonderlijke lidstaten.

Met deze doelstelling van de Dublinverordening is niet verenigbaar dat een vreemdeling zich aan de werkingssfeer van de Dublinverordening kan onttrekken door naar een andere lidstaat te reizen om zijn verzoek om internationale bescherming daar te laten behandelen. In dat verband is van belang dat het Hof van Justitie in het arrest in de zaak Ghezelbash van 7 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:409 onder punt 54, onder verwijzing naar zijn arrest in de zaak N.S. e.a. van 21 december 2011, ECLI:EU:C:2011:865, heeft overwogen dat het Dublinsysteem "forum shopping" beoogt te voorkomen.

Asielverzoek (algemeen)

5. Uit artikel 2, aanhef en onder b, van de Dublinverordening, gelezen in verbinding met artikel 2, aanhef en onder h, van de Richtlijn 2011/95/EU (PB 2011, L 337; hierna: de Kwalificatierichtlijn), volgt dat een door de vreemdeling kenbaar gemaakte wens om hem internationale bescherming te verlenen een verzoek om internationale bescherming is in de zin van deze bepalingen. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 4 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT7118, naar welke uitspraak de staatssecretaris ook heeft verwezen, volgt uit de omschrijving van een "verzoek om internationale bescherming" in artikel 2, aanhef en onder g, van Richtlijn 2004/83/EG (PB 2004, L 304; Definitierichtlijn) - waarvan de tekst overeenstemt met die van artikel 2, aanhef en onder h, van de Kwalificatierichtlijn - en van een "asielverzoek" in artikel 2, aanhef en onder c, van Verordening (EG) nr. 343/2003 (PB 2003 L 050; hierna: de oude Dublinverordening) dat deze verzoeken vormvrij kunnen worden gedaan. Dit stemt overeen met het Vluchtelingenverdrag, omdat een beroep op het beginsel van non-refoulement vormvrij is.

Uit het voorgaande volgt dat elke door een vreemdeling in persoon ten overstaan van de autoriteiten kenbaar gemaakte wens om hem internationale bescherming te verlenen een (asiel)verzoek is in de zin van de Dublinverordening. Op het moment dat bedoelde wens aldus kenbaar is gemaakt, is een vreemdeling een verzoeker, bedoeld in artikel 2, aanhef en onder c, van de Dublinverordening. Dat wordt bevestigd door de in artikel 9 van Verordening (EU) nr. 603/2013 (PB 2013, L 180; hierna: de Eurodac-verordening) geboden mogelijkheid om na het doen van een verzoek om internationale bescherming al vingerafdrukken af te nemen, voordat een verzoek (formeel) is ingediend.

Uit het bepaalde in artikel 20, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening, waarvan de tekst nagenoeg overeenstemt met artikel 4, eerste en tweede lid, van de oude Dublinverordening, volgt dat een verzoek om internationale bescherming wat betreft de aanvang van de procedure voor de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat geacht wordt te zijn ingediend indien de vreemdeling gebruik heeft gemaakt van een formulier of wanneer de bevoegde autoriteiten een door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal hebben ontvangen. Dat betekent dat eerst nadat een verzoek om internationale bescherming formeel bij een lidstaat wordt ingediend, de procedure start waarbij, met toepassing van de Dublinverordening, wordt bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. Aldus maakt de Dublinverordening een onderscheid tussen een (asiel)verzoek en de formele indiening daarvan.

5.1. De staatssecretaris betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de door haar aangehaalde uitspraken van de Afdeling (van 30 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1697 en 24 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1833) zien op een andere situatie dan in de onderhavige zaak. In die uitspraken was namelijk de vraag aan de orde wanneer op grond van artikel 20 van de Dublinverordening de procedure start om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming en wanneer daarmee de termijnen starten waarbinnen een eventueel terug- of overnameverzoek dient te worden gedaan.

Vaststelling asielwens

6. Op 21 januari 2016 heeft de vreemdeling een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend door middel van een daartoe bestemd formulier. Met deze indiening is, ingevolge artikel 20 van de Dublinverordening, de procedure aangevangen waarbij wordt bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming.

6.1. Uit het door de staatssecretaris op 21 januari 2016 verrichte onderzoek in het Eurodac-systeem is gebleken dat de vreemdeling op 17 januari 2016 in Duitsland om internationale bescherming heeft verzocht. Zoals volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3012, en 1 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2441, mag de staatssecretaris in beginsel afgaan op informatie van een andere lidstaat, zoals voormeld Eurodac-resultaat. Daarbij is van belang dat het tijdsverloop sinds het onderzoek in het Eurodac-systeem beperkt is. De Duitse autoriteiten hebben het terugnameverzoek van de staatssecretaris - waarbij aan de Duitse autoriteiten volledige informatie is verstrekt, onder andere dat de vreemdeling zelf ontkent dat hij in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend - op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening geaccepteerd. In het claimakkoord hebben de Duitse autoriteiten expliciet vermeld dat de vreemdeling, ondanks het ontbreken van een formele schriftelijke asielaanvraag, is geregistreerd als asielzoeker in Duitsland. Gelet hierop is de Afdeling met de staatssecretaris van oordeel dat vaststaat dat de vreemdeling in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan. Dat wordt bevestigd door de omstandigheid dat aan de vreemdeling een BÜMA is uitgereikt, waarmee, zoals de staatssecretaris ter zitting bij de Afdeling heeft toegelicht, een asielzoeker in Duitsland rechtmatig verblijf heeft in afwachting van de beslissing op zijn asielaanvraag en aanspraak heeft op voorzieningen. Met het kenbaar maken van zijn verzoek om internationale bescherming in Duitsland heeft de vreemdeling in Duitsland verschillende rechten verkregen, zoals het zo snel mogelijk toegang krijgen tot de procedure (artikel 6 van Richtlijn 2013/32/EU; PB 2013, L 180; de Procedurerichtlijn) en het recht op opvang (artikel 17 van Richtlijn 2013/33/EU; PB 2013, L 180; de Opvangrichtlijn). De Duitse autoriteiten hebben zich, zoals ook volgt uit de uitreiking van een BÜMA, bereid getoond de vreemdeling voorzieningen te bieden om zijn verzoek daadwerkelijk in te dienen.

Uit de informatie in het claimakkoord en de uitreiking van de BÜMA kan dan ook - anders dan de vreemdeling betoogt - niet worden afgeleid dat hij nog geen (mondeling) verzoek om internationale bescherming in Duitsland heeft gedaan en dat zijn vingerafdrukken ten onrechte in het Eurodac-systeem zijn geregistreerd en Duitsland de bepalingen uit de Eurodac-verordening op een onjuiste wijze heeft toegepast. Het beroep van de vreemdeling op de brief van het Bundesamt für Migration und Flüchtlinge van 4 juli 2016 waarin staat dat sommige vreemdelingen ten onrechte door de Duitse autoriteiten in het Eurodac-systeem zijn geregistreerd onder de categorie "1", leidt, daargelaten wat er verder van deze brief zij, niet tot een ander oordeel, omdat de vreemdeling daarmee niet heeft aangetoond dat de registratie als asielzoeker in Duitsland in zijn geval onjuist is. Met het voorafgaand aan de BÜMA op 17 januari 2016 uitgereikte formulier van de Bundesamt für Migration und Flüchtlinge, waarop met de hand is bijgeschreven "Ziel: Holland" heeft de vreemdeling evenmin aangetoond dat hij in Duitsland geen (mondeling) verzoek om internationale bescherming heeft gedaan.

Conclusie

7. De Afdeling is, het voorgaande in aanmerking genomen, van oordeel dat een lidstaat op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk kan worden geacht voor terugname van een asielzoeker en behandeling van zijn asielverzoek zodra deze zijn verzoek om internationale bescherming als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, van de Dublinverordening, in deze lidstaat tegenover de bevoegde autoriteiten kenbaar heeft gemaakt. Daarvoor is niet vereist dat een verzoek om internationale bescherming formeel - naar nationaal recht van die lidstaat - is ingediend. Dat in de onderhavige zaak de vreemdeling zijn in Duitsland geuite verzoek om internationale bescherming nog niet had geformaliseerd, maakt dus niet dat Duitsland niet verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek.

Een andere uitleg is, zoals overwogen onder 4., in strijd met het doel en de strekking van de Dublinverordening. Het is immers niet verenigbaar met de doelstelling van de Dublinverordening dat de lidstaat waar de vreemdeling zijn eerste verzoek om internationale bescherming kenbaar heeft gemaakt - en waarmee hij verschillende rechten heeft verkregen - nooit verantwoordelijk kan worden geacht, alleen omdat de vreemdeling daar niet is gebleven maar is doorgereisd naar een andere lidstaat alvorens zijn verzoek in die eerste lidstaat daadwerkelijk in te dienen en te ondertekenen en daarmee te formaliseren. Dit komt immers neer op forumshopping.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en het bepaalde in artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, gelezen in verbinding met artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van de vreemdeling.

De grief slaagt.

8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 20 september 2016 van de staatssecretaris alsnog ongegrond verklaren.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 18 oktober 2016 in zaak nr. 16/21285;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.

w.g. Verheij w.g. Van Meurs-Heuvel

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2017

47-796.

BIJLAGE

Dublinverordening

Considerans

(5) Deze methode moet zijn gebaseerd op objectieve en zowel voor de lidstaten als voor de betrokken asielzoekers eerlijke criteria. Met de methode moet met name snel kunnen worden vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is, teneinde de daadwerkelijke toegang tot de procedures voor het verlenen van internationale bescherming te waarborgen en de doelstelling om verzoeken om internationale bescherming snel te behandelen, niet te ondermijnen.

Artikel 1

In deze verordening worden de criteria en instrumenten vastgesteld om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten is ingediend (hierna „de verantwoordelijke lidstaat" genoemd).

Artikel 2

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

b) „verzoek om internationale bescherming": een verzoek om internationale bescherming in de zin van artikel 2, onder h), van Richtlijn 2011/95/EU;

c) „verzoeker": een onderdaan van een derde land of een staatloze die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend waarover nog geen definitieve beslissing is genomen;

(…)

Artikel 3

1. De lidstaten behandelen elk verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze op het grondgebied van een van de lidstaten wordt ingediend, inclusief aan de grens of in de transitzones. Het verzoek wordt door een enkele lidstaat behandeld, namelijk de lidstaat die volgens de in hoofdstuk III genoemde criteria verantwoordelijk is.

2. Wanneer op basis van de in deze verordening vastgestelde criteria geen verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen, is de lidstaat waar het verzoek om internationale bescherming het eerst werd ingediend, verantwoordelijk voor de behandeling ervan.

(…)

Artikel 18

1. De verantwoordelijke lidstaat is verplicht:

(…)

b) een verzoeker wiens verzoek in behandeling is en die een verzoek in een andere lidstaat heeft ingediend of die zich zonder verblijfstitel ophoudt in een andere lidstaat, volgens de in de artikelen 23, 24, 25 en 29 bepaalde voorwaarden terug te nemen;

(…)

Artikel 20

1. De procedure waarbij wordt bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, vangt aan zodra het verzoek voor de eerste maal bij een lidstaat wordt ingediend.

2. Een verzoek om internationale bescherming wordt geacht te zijn ingediend vanaf het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat een door de verzoeker ingediend formulier of een door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal hebben ontvangen. Bij een niet-schriftelijk verzoek dient de termijn tussen de intentieverklaring en het opstellen van een proces-verbaal zo kort mogelijk te zijn.

(…)

Oude Dublinverordening

Artikel 2

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

c) „asielverzoek": een verzoek van een onderdaan van een derde land dat kan worden opgevat als een verzoek om verlening van internationale bescherming door een lidstaat krachtens het Verdrag van Genève. Elk verzoek om internationale bescherming wordt als een asielverzoek beschouwd, tenzij de onderdaan van een derde land uitdrukkelijk vraagt om een andere vorm van bescherming waarvoor een afzonderlijk verzoek kan worden ingediend;

(…)

Artikel 4

1. De procedure waarbij wordt vastgesteld welke lidstaat overeenkomstig deze verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, vangt aan zodra het asielverzoek voor de eerste maal bij een lidstaat wordt ingediend.

2. Een asielverzoek wordt geacht te zijn ingediend vanaf het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat een door de asielzoeker ingediend formulier of een door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal hebben ontvangen. Bij een niet-schriftelijk verzoek dient de termijn tussen de intentieverklaring en het opstellen van een proces-verbaal zo kort mogelijk te zijn.

Eurodac-verordening

Artikel 9

1. Elke lidstaat neemt onverwijld de vingerafdrukken van alle vingers van elke persoon van 14 jaar of ouder die om internationale bescherming verzoekt en zendt deze samen met de in artikel 11, onder b) tot en met g), van deze verordening genoemde gegevens zo spoedig mogelijk en uiterlijk 72 uur na de indiening van zijn verzoek om internationale bescherming in de zin van artikel 20, lid 2, van Verordening (EU) nr. 604/2013, toe aan het centraal systeem.

Niet-inachtneming van de termijn van 72 uur ontslaat de lidstaten niet van hun verplichting de vingerafdrukken te nemen en toe te zenden aan het centraal systeem. Wanneer het als gevolg van de toestand van de vingertoppen niet mogelijk is vingerafdrukken te nemen van een voldoende kwaliteit om een passende vergelijking in de zin van artikel 25 mogelijk te maken, neemt de lidstaat van oorsprong opnieuw de vingerafdrukken van de verzoeker en zendt hij deze zo spoedig mogelijk en uiterlijk 48 uur nadat zij met succes zijn genomen opnieuw toe.

Kwalificatierichtlijn

Artikel 2

In deze richtlijn gelden de volgende definities:

(…)

h) „verzoek om internationale bescherming": een verzoek van een onderdaan van een derde land of een staatloze om bescherming van een lidstaat die kennelijk de vluchtelingenstatus of de subsidiaire-beschermingsstatus wenst en niet uitdrukkelijk verzoekt om een andere, niet onder deze richtlijn vallende vorm van bescherming waarom afzonderlijk kan worden verzocht;

(…)

Definitierichtlijn

Artikel 2

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

(…)

g) „verzoek om internationale bescherming": een verzoek van een onderdaan van een derde land of een staatloze om bescherming van een lidstaat die kennelijk de vluchtelingenstatus of de subsidiaire-beschermingsstatus wenst en niet uitdrukkelijk verzoekt om een andere, niet onder deze richtlijn vallende vorm van bescherming waarom afzonderlijk kan worden gevraagd;

(…)

Procedurerichtlijn

Artikel 6

1. Wanneer een persoon een verzoek om internationale bescherming doet bij een autoriteit die naar nationaal recht bevoegd is voor de registratie van deze verzoeken vindt de registratie plaats binnen drie werkdagen nadat het verzoek is gedaan.

Wanneer het verzoek om internationale bescherming wordt gedaan bij autoriteiten die wellicht dergelijke verzoeken ontvangen maar naar nationaal recht niet voor de registratie bevoegd zijn, zorgen de lidstaten ervoor dat de registratie plaatsvindt binnen zes werkdagen nadat het verzoek is gedaan.

(…)

2. De lidstaten zorgen ervoor dat een persoon die een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan, daadwerkelijk de mogelijkheid heeft om het zo snel mogelijk in te dienen. Wanneer de verzoeker zijn verzoek niet indient, kunnen de lidstaten artikel 28 dienovereenkomstig toepassen.

3. Onverminderd lid 2 kunnen de lidstaten eisen dat verzoeken om internationale bescherming persoonlijk en/of op een aangewezen plaats worden ingediend.

4. Niettegenstaande lid 3 wordt een verzoek om internationale bescherming geacht te zijn ingediend zodra de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat een door een verzoeker ingediend formulier, of, indien voorgeschreven naar nationaal recht, een officieel rapport, hebben ontvangen.

5. Wanneer een groot aantal onderdanen van derde landen of staatlozen tegelijk om internationale bescherming verzoekt, waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is om de in lid 1 vastgestelde termijn na te leven, kunnen de lidstaten voorzien in een verlenging van die termijn tot tien werkdagen.

Opvangrichtlijn

Artikel 17

1. De lidstaten zorgen ervoor dat voor verzoekers materiële opvangvoorzieningen beschikbaar zijn wanneer zij hun verzoek om internationale bescherming indienen.

(…)

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 30

1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 wordt niet in behandeling genomen, indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

(…)