Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:743

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
201602713/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 maart 2015 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om een toevoeging afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602713/1/A2.

Datum uitspraak: 22 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2015 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om een toevoeging afgewezen.

Bij besluit van 6 augustus 2015 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 maart 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 augustus 2015 vernietigd en de raad opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de raad hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 19 april 2016 heeft de raad het door [appellant] tegen het besluit van 18 maart 2015 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

[appellant] heeft een schriftelijke uiteenzetting en een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2017, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra en mr. M. Doets, en [appellant], vertegenwoordigd door mr. K.H. Zonneveld, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] heeft op 25 februari 2015 een aanvraag ingediend voor een toevoeging voor rechtsbijstand ten behoeve van een bezwaarschriftprocedure tegen een navorderingsaanslag en vergrijpboete van de Belastingdienst. Aan het besluit van de Belastingdienst ligt ten grondslag dat [appellant] volgens de Belastingdienst privéuitgaven heeft gedaan met geld van de bankrekening van de Stichting Intermediair Centrum voor Scholing en Arbeidsbemiddeling (hierna: de stichting), bij welke stichting zij bezoldigd penningmeester was.

De raad heeft zich in het besluit van 18 maart 2015, als gehandhaafd in het besluit van 6 augustus 2015, op het standpunt gesteld dat zij niet in aanmerking komt voor een toevoeging, omdat sprake is van een bedrijfsmatig rechtsbelang. De rechtbank heeft het door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard, omdat van een bedrijfsmatig karakter geen sprake is. De raad is hiertegen opgekomen.

Ter zitting van de Afdeling heeft de raad zijn hoger beroep ingetrokken, omdat de raad thans ander beleid hanteert wat betreft het aannemen van bedrijfsmatig rechtsbelang.

De raad heeft echter het besluit van 19 april 2016, waarbij hij het bezwaar van [appellant] opnieuw ongegrond heeft verklaard, gehandhaafd. De raad stelt zich in dit nieuwe besluit op het standpunt dat [appellant] niet in aanmerking komt voor een toevoeging, omdat het om een belang gaat waarvan de behartiging aan haarzelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon van wie of instelling waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb).

Ten tijde van het nemen van het besluit van 19 april 2016 was bij de Afdeling het hoger beroep van de raad aanhangig. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), wordt het besluit van 19 april 2016 geacht eveneens onderwerp te zijn geworden van het geding in hoger beroep. [appellant] heeft kenbaar gemaakt zich met het dit besluit niet te kunnen verenigen. Nu dit besluit niet aan haar bezwaar tegemoet komt, volgt uit voornoemde bepalingen dat hiertegen van de zijde van [appellant] een beroep van rechtswege is ontstaan. De intrekking van het hoger beroep van de raad laat dit onverlet.

Dit betekent dat ter beoordeling voorligt de vraag of [appellant] haar belangen in de bezwaarschriftprocedure bij de Belastingdienst zelf kon behartigen.

Het bestreden besluit

2. De raad stelt zich op het standpunt dat het geschil met de Belastingdienst uitsluitend van feitelijke of rekenkundige aard is, waarvoor de bijstand van een advocaat niet noodzakelijk is. Bovendien is niet gebleken dat de gronden zodanig juridisch van aard zijn en te maken hebben met de toepassing of uitleg van rechtsregels dat zij de zaak bijzonder ingewikkeld maken. Evenmin is er een veelheid aan juridisch relevante feiten. Het geschil met de Belastingdienst is beperkt tot het bewijzen dat de uitgaven en geldopnames ten laste van de stichting, waarvan [appellant] bestuurder en bezoldigd penningmeester was, een zakelijk doel dienden. Het geschil waarvoor de toevoeging is gevraagd betreft daarmee een belang waarvan de behartiging redelijkerwijs aan [appellant] kan worden overgelaten, aldus de raad.

De gronden van [appellant]

3. [appellant] betoogt dat de raad zich ten onrechte op het standpunt stelt dat het bezwaar enkel betrekking heeft op een geschil van feitelijke of rekenkundige aard. In haar dossier spelen meerdere formeelrechtelijke vragen, zoals wie de plicht heeft de administratie van de stichting te overleggen, of de vordering van de stichting op haar als loon kan worden gekwalificeerd, of opzettelijk een onjuiste aangifte is gedaan en of haar kan worden verweten te hebben nagelaten een onjuiste aangifte te herstellen en of voldaan is aan de bewijslast voor de boete. Zij betoogt dat sprake is van rechtsvragen van uitzonderlijke aard die slechts incidenteel voorkomen en die niet door een maatschappelijk werker of hulpverlener kunnen worden beantwoord.

Beoordeling van de gronden

4. Artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb luidt als volgt:

" Rechtsbijstand wordt niet verleend indien:

[…]

g. het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet."

Artikel 8 van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"1. Geen toevoeging wordt verleend indien de rechtsbijstand uitsluitend is verzocht voor:

[…]

e. het indienen van een bezwaarschrift in een belastingzaak, indien het bezwaar uitsluitend betrekking heeft op een geschil van feitelijke of rekenkundige aard;

[…]

2. In afwijking van het eerste lid kan een toevoeging worden verleend, indien de bijzondere feitelijke of juridische ingewikkeldheid van het geval dat vereist."

5. [appellant] heeft verschillende redenen naar voren gebracht op grond waarvan volgens haar geen sprake is van een bezwaar dat uitsluitend betrekking heeft op een geschil van feitelijke of rekenkundige aard. Haar betoog komt erop neer dat aan een beoordeling van feiten en rekenkundige aspecten eerst kan worden toegekomen na beantwoording van diverse juridische voorvragen. Ter zitting heeft zij verder te kennen gegeven dat de raad, door ervan uit te gaan dat zij in staat is bewijs te leveren omtrent de haar door de Belastingdienst tegengeworpen onttrekkingen, ten onrechte vooruit loopt op de uitkomst van haar bezwaarprocedure.

De raad heeft ter zitting van de Afdeling vastgehouden aan zijn standpunt dat [appellant] in staat moet worden geacht bij de Belastingdienst met bescheiden te onderbouwen dat de geldopnames en uitgaven die haar worden tegengeworpen niet voor privédoeleinden zijn gedaan. Deze motivering is ontoereikend, nu de raad hiermee niet is ingegaan op de door [appellant] naar voren gebrachte specifieke omstandigheden van dit geval, waaronder de omstandigheden dat zij de stichting inclusief haar administratie heeft overgedragen aan een andere bestuurder, deze administratie naar gesteld voor haar niet meer toegankelijk is en de voormalige boekhouder van de stichting failliet is. Evenmin heeft de raad gemotiveerd waarom ondanks de door [appellant] opgeworpen rechtsvragen die met voornoemde omstandigheden samenhangen - waaronder de vragen in hoeverre [appellant] een administratieplicht heeft, in hoeverre een onjuiste aangifte haar kan worden verweten en of voldaan is aan de bewijslast voor de boete - sprake is van een geschil dat enkel feitelijk of rekenkundig van aard is.

Het betoog slaagt.

6. Het beroep tegen het besluit van 19 april 2016 is daarom gegrond. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. De raad dient een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door de raad te nemen nieuwe besluit op het bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

7. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

8. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand van 19 april 2016, kenmerk 4LD1032/150662/IW;

III. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

IV. veroordeelt het bestuur van de raad voor rechtsbijstand tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep en beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.485,00 (zegge: veertienhonderdvijfentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. bepaalt dat van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een griffierecht van € 503,00 (zegge: vijfhonderdendrie euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.

w.g. Koeman w.g. Van Dokkum

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2017

480.