Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:742

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
201602840/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2015 heeft de raad een aanvraag om toekenning van extra uren rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602840/1/A2.

Datum uitspraak: 22 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], wonend te [woonplaats] en [appellant B], wonend te [woonplaats], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 februari 2016 in zaak nr. 15/7459 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2015 heeft de raad een aanvraag om toekenning van extra uren rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 7 september 2015 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 februari 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2017, waar [appellant A] en [appellant B] en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra en mr. M. Doets, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder verwijzing naar de uitspraak van 2 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:546, overweegt de Afdeling ambtshalve dat niet de rechtbank Den Haag, maar de rechtbank Gelderland de bevoegde rechter was, nu de gemachtigde van [appellant] kantoor houdt in het ressort Arnhem-Leeuwarden. De Afdeling ziet aanleiding de aangevallen uitspraak krachtens artikel 8:117 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) als bevoegdelijk gedaan aan te merken.

Inleiding

2. [appellant] heeft toevoegingen ontvangen voor een procedure in kort geding en voor een civiele bodemprocedure. Voor beide procedures zijn door de raad bovendien extra uren toegekend. Deze procedures zijn tevens gevoerd namens zijn onderneming PCD Products BV.

3. Op 17 februari 2015 heeft [appellant] de raad voor de derde keer verzocht om extra uren voor de bodemprocedure. De raad heeft dit verzoek afgewezen, omdat de eerdere aanvragen om verlening van een toevoeging en extra uren ten onrechte zijn gehonoreerd, nu deze betrekking hebben op de uitoefening van een zelfstandig bedrijf of beroep. Van één van de uitzonderingssituaties is geen sprake, nu het gaat om een bestaande onderneming die in de vorm van een rechtspersoon wordt gevoerd. De raad trekt de eerder verleende toevoegingen en extra uren niet in, omdat de raad bij de daartoe strekkende aanvragen had moeten onderkennen dat die behoorden te worden afgewezen en de raad [appellant] daarvan thans niet de dupe wil laten zijn. Dit vormt echter geen aanleiding om, in tegenspraak met het beleid van de raad, wederom extra uren toe te kennen. Dat eerder extra uren zijn toegekend rechtvaardigt niet het vertrouwen dat een volgend verzoek om extra uren wederom wordt toegewezen, aldus de raad.

De aangevallen uitspraak

4. De rechtbank heeft het door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard en heeft daartoe allereerst overwogen dat het geschil waarop de rechtsbijstand ziet is ontstaan in het kader van de uitoefening van een bedrijf. Gelet hierop bestond geen grond om toevoegingen te verstrekken. Het vertrouwensbeginsel strekt niet zover dat de raad, nu bekend is dat er geen wettelijke grondslag voor verstrekking van toevoegingen is, het verzoek om extra uren moet toewijzen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat niet aannemelijk is dat [appellant], voortbouwend op het bij hem gewekte vertrouwen in een nadeliger positie is komen te verkeren. Niet aannemelijk is dat hij, wanneer hij wist dat hem slechts de toevoegingen en de tot dusver verstrekte uren zouden worden toegekend, geen rechtsbijstandsverlener zou hebben ingeschakeld, aldus de rechtbank.

Het hogerberoepschrift

5. [appellant] stelt zich primair op het standpunt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij in privé is opgelicht door zijn bank, waardoor zijn beroep en zaak met het voortbestaan werden en worden bedreigd. Gelet hierop is sprake van de uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) en zijn de toevoegingen terecht verstrekt, op basis waarvan ook de gevraagde extra uren moeten worden toegewezen.

5.1. Artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb luidt als volgt:

"2. Rechtsbijstand wordt niet verleend indien:

[…]

e. het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft, de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft, tenzij:

1º. voortzetting van het beroep of bedrijf voorzover het niet in de vorm van een rechtspersoon wordt gevoerd, afhankelijk is van het resultaat van de aangevraagde rechtsbijstand, […]."

5.2. [appellant] betoogt tevergeefs dat de raad ten onrechte heeft geoordeeld dat de uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, sub 1, van de Wrb zich hier niet voordoet. Daartoe is van belang dat PCD Products BV een rechtspersoon is. De tekst van voormelde bepaling laat de raad niet de ruimte om in afwijking daarvan niettemin een toevoeging te verlenen. Dat de uitkomst van het geschil tevens van belang is voor de eenmanszaken van [appellant] en [appellant] in privé maakt dat niet anders.

6. [appellant] stelt zich subsidiair op het standpunt dat het opgewekte vertrouwen er toe moet leiden dat de extra uren worden toegekend, nu de thans nog lopende bodemzaak voortvloeit uit de procedure in kort geding. Bovendien was de raad zowel bij de eerder verleende toevoegingen als de toegekende extra uren bekend met de aard van de procedure, aldus [appellant].

6.1. [appellant] heeft zowel voor de procedure in kort geding als voor de bodemprocedure toevoegingen ontvangen en voor beide procedures heeft de raad meerdere malen extra uren toegekend. De raad heeft niet weersproken dat de gemachtigde van [appellant] voorafgaand aan de daarmee samenhangende aanvragen op diverse momenten contact heeft gehad met de raad en dat hierbij aandacht is besteed aan de omstandigheid dat de procedure niet alleen namens [appellant] maar ook namens PCD Products BV werd gevoerd. In de diverse besluiten is bovendien aangegeven dat een aanvullende begroting kan worden ingediend indien de zaak niet binnen het toegekende aantal uren kan worden afgerond. Daarbij komt dat [appellant] een groot belang heeft bij de door hem gevoerde procedure en de raad niet heeft weersproken dat hij niet de middelen heeft de procedure zelf te bekostigen. In het licht van deze omstandigheden van het geval volstaat de motivering van de raad, dat [appellant] - gelet ook op het beleid van de raad - aan de eerder gehonoreerde verzoeken niet het vertrouwen kon ontlenen dat ook de onderhavige aanvraag om extra uren zou worden gehonoreerd, niet.

Het betoog slaagt.

7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 7 september 2015 van de raad alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. De raad dient een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit op het door [appellant] gemaakte bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

8. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten te worden veroordeeld. Voor de door [appellant] gevraagde vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 februari 2016 in zaak nr. 15/7459;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand van 7 september 2015, kenmerk 150450-2EV5546/C;

V. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI. veroordeelt het bestuur van de raad voor rechtsbijstand tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.701,04 (zegge: zeventienhonderdeneen euro en vier cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de raad aan [appellant A] en [appellant B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 169,00 (zegge: honderdnegenenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.

w.g. Koeman w.g. Van Dokkum

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2017

480.