Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:736

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
201602906/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 april 2016 heeft het college het gewijzigd definitief plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC's) in de wijk Laakhaven West (wijk 22) te Den Haag.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2017/701
JOM 2017/1393
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602906/1/A1.

Datum uitspraak: 22 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2016 heeft het college het gewijzigd definitief plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC's) in de wijk Laakhaven West (wijk 22) te Den Haag.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 februari 2017, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. R.W. Schrijver en ing. R. van Coevorden, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij het besluit heeft het college concrete locaties in de wijk Laakhaven West aangewezen waar ORAC’s worden geplaatst. Onder meer is voorzien in plaatsing van ORAC’s aan de Thijssestraat ter hoogte van nummer […] (locatie 22-08A; hierna: de locatie). [appellant] woont aan de [locatie] en kan zich niet met de aanwijzing van de locatie verenigen.

2. Bij de keuze van een locatie voor ORAC's dient het college een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plaatsingsplan. Daarbij heeft het college beleidsruimte en moet het de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden en de naar voren gebrachte alternatieve locatie of aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot zijn keuze heeft kunnen komen.

3. [appellant] betoogt dat het college de locatie in redelijkheid niet heeft kunnen aanwijzen omdat ORAC's overlast door zwerfafval met zich kunnen brengen. In de Nota van Antwoord die deel uitmaakt van het besluit staat dat melding kan worden gemaakt van bijgeplaatst afval en zwerfvuil en dat tegen overtreders, indien bekend, zal worden opgetreden. Volgens [appellant] bestaat het zwerfafval in zijn straat echter niet uit vuilniszakken, maar uit verpakkingsmateriaal, hout en huisraad. Voorts staat in de Nota van Antwoord dat de handhaving zal worden geïntensiveerd. Er vindt nu nauwelijks handhaving plaats in de straat en niet is toegezegd dat dat zal veranderen, aldus [appellant].

3.1. Het college heeft naar voren gebracht dat de ORAC's tweemaal per week worden geleegd en dat deze zo zijn vormgegeven dat er geen ongedierte bij kan. Voorts worden bewoners voorafgaand aan de ingebruikname van de ORAC's voorgelicht over het juiste gebruik ervan en zo nodig wordt extra maatwerk communicatie ingezet en gehandhaafd. Er zijn volgens het college inmiddels ongeveer 5400 ORAC's geplaatst in Den Haag en bij 2-3 % daarvan zijn er problemen met het bijplaatsen van afval. De aanpak daarvan heeft hoge prioriteit. Er zijn handhavers in de wijk en indien melding wordt gemaakt van een defecte of volle ORAC of van zwerfvuil zal, in beginsel binnen 24 uur maar altijd binnen twee dagen, worden opgetreden, aldus het college.

De Afdeling ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen het college naar voren heeft gebracht. Zoals het college bovendien met juistheid heeft gesteld, betreft het onjuist aanbieden van afval en het verwijderen daarvan niet het besluit, maar is dit een kwestie van handhaving. Klachten daarover kunnen niet in deze procedure aan de orde worden gesteld. Het college heeft in het door [appellant] aangevoerde geen aanleiding hoeven zien om de locatie ter hoogte van zijn woning niet aan te wijzen.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt dat het college de locatie in redelijkheid niet heeft kunnen aanwijzen omdat er door de ORAC's te veel verkeer komt in de autovrije Thijssestraat. In de Nota van Antwoord is vermeld dat de straat afgesloten blijft voor verkeer en dat er bij uitzondering tweemaal per week een afvalinzamelvoertuig doorheen zal rijden. [appellant] wijst erop dat er nu al driemaal per week een ander type inzamelvoertuig door de straat rijdt voor het legen van de rolcontainers van het gebouwencomplex "De Kam" en dat er dus in totaal vijf inzamelvoertuigen per week zullen rijden. Dat zou niet het geval zijn indien de ORAC's aan de rand van de wijk worden geplaatst, aldus [appellant].

4.1. Het college heeft opgemerkt dat de ORAC's tweemaal per week worden geleegd en dat dit vijf tot tien minuten duurt. Gelet daarop heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de plaatsing van ORAC's niet tot een onaanvaardbare toename van het aantal verkeersbewegingen in de Thijssestraat zal leiden. Aan het autovrije karakter van de Thijssestraat wordt geen onevenredige afbreuk gedaan. Er is geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot aanwijzing van de locatie heeft kunnen overgaan. Op het betoog over een alternatieve locatie aan de rand van de wijk zal hierna onder 5 worden ingegaan.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat het college de locatie in redelijkheid niet heeft kunnen aanwijzen. De oude opstelplaats voor vuilniszakken aan de Laakweg ter hoogte van de doorgang tussen nummer 212 en 213 of de aan de overzijde van de straat daarvan gelegen groenstrook zijn volgens hem meer geschikt voor het plaatsen van ORAC's. Uit gegevens van het Kadaster blijkt dat in de groenstrook maar één leiding ligt, aldus [appellant].

5.1. Bij de vaststelling van het plaatsingsplan heeft het college de randvoorwaarden bij het vinden van geschikte locaties voor ondergrondse containers, neergelegd in zijn "Kadervoorstel ondergrondse inzamelcontainers voor restafval" met kenmerk RIS 160943, gehanteerd. De randvoorwaarden houden onder meer in dat reeds aanwezige ondergrondse infrastructuur zo min mogelijk wordt omgelegd.

Het college heeft verklaard dat onder de voormalige opstelplaats voor vuilniszakken een knooppunt van leidingen ligt. Voorts is niet in geschil dat er in de groenstrook ten minste één leiding aanwezig is. Daarom voldoen deze locaties niet aan alle door het college gehanteerde randvoorwaarden. Daarnaast is volgens het college de groenstrook slecht bereikbaar omdat er geen stoep aanwezig is en heeft het plaatsen van ORAC's in groen niet zijn voorkeur.

Onder de genoemde omstandigheden heeft het college in redelijkheid de genoemde alternatieve locaties ongeschikt kunnen achten voor het plaatsen van ORAC's. Het college heeft geen aanleiding hoeven zien om af te zien van aanwijzing van locatie 22-08A.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte het standpunt inneemt dat geen sprake is van devaluatie van het straatbeeld. Hij voert hiertoe aan dat de ORAC's, die direct voor de woningen aan de Thijssestraat 36 en [locatie] zijn gepland, in de autovrije Thijssestraat niet in de plaats komen van geparkeerde auto's en wel degelijk het straatbeeld aantasten.

6.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de ORAC's geen afbreuk doen aan het straatbeeld. Deze worden in lijn met andere ruimtelijke voorwerpen geplaatst en alleen de inwerpzuil van de ondergrondse containers zal zichtbaar zijn.

Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het college met deze motivering niet in redelijkheid voor de locatie heeft kunnen kiezen. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de nadelige gevolgen van de plaatsing van de ORAC's nabij zijn woning onevenredig groot zijn.

Het betoog faalt.

7. Tot slot betoogt [appellant] dat de communicatie van het college over het plaatsen van de ORAC's in de Thijssestraat te wensen overlaat. Eerst ontving hij een brief van 25 januari 2016 in de aanhef waarvan was vermeld dat het een uitnodiging betrof voor een informatieavond over het plaatsen van ORAC's. Vervolgens werd bij corrigerende brief van 22 februari 2016 uitgelegd dat er geen informatiebijeenkomst zou zijn omdat het om enkele locaties ging en een bijeenkomst alleen wordt georganiseerd wanneer een plaatsingsplan de hele wijk aangaat. [appellant] merkt op dat de impact van het gewijzigd definitief plaatsingsplan voor de bewoners van de Thijssestraat niet minder is dan een plaatsingsplan dat een hele wijk betreft alleen omdat het maar drie locaties betreft.

7.1. Het college heeft opgemerkt dat ten onrechte in de aanhef van de brief van 25 januari 2016 was opgenomen dat het om een uitnodiging voor een inspraakbijeenkomst ging en dat dit is gecorrigeerd in de brief van 22 februari 2016. In dit geval zijn belanghebbenden tot en met 2 maart 2016 in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Deze zienswijzen zijn verwerkt in het besluit.

Een informatiebijeenkomst voorafgaand aan de besluitvorming is bedoeld om belanghebbenden kennis te laten nemen van nieuwe plannen en te vertellen hoe het besluitvormingsproces eruit zal zien. Op de website van de gemeente Den Haag is vermeld dat het niet mogelijk is om bij die gelegenheid inspraakreacties te geven. Het houden van een informatiebijeenkomst is voorts niet bij wet voorgeschreven. Voor zover [appellant] beoogt te betogen dat hij onvoldoende gelegenheid heeft gehad om op het ontwerpplan te reageren, bestaat reeds gelet op het voorgaande geen grond voor het oordeel dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat geen informatiebijeenkomst is georganiseerd. Daarbij heeft [appellant] tijdig een zienswijze ingediend, die het college in de besluitvorming heeft betrokken. Ook daarom is er geen grond voor het oordeel dat [appellant] in zijn belangen is geschaad.

Het betoog faalt.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Dijken, griffier.

w.g. Pans w.g. Dijken

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2017

595.