Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:728

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
201602348/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 augustus 2014 heeft het college [belanghebbende A]/[belanghebbende B] te [plaats] omgevingsvergunning verleend voor onder meer het oprichten van een bedrijfspand (supermarkt) op het perceel Koninginnelaan 40c te Apeldoorn (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1523
JOM 2017/1391
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602348/1/A1.

Datum uitspraak: 22 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Duijnhoeve Beheer B.V., gevestigd te Wassenaar en Aldi Groenlo B.V., gevestigd te Groenlo,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 februari 2016 in zaak nr. 15/4882 in het geding tussen:

[wederpartij A] en [wederpartij B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn.

Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2014 heeft het college [belanghebbende A]/[belanghebbende B] te [plaats] omgevingsvergunning verleend voor onder meer het oprichten van een bedrijfspand (supermarkt) op het perceel Koninginnelaan 40c te Apeldoorn (hierna: het perceel).

Bij besluit van 2 juli 2015 heeft het college het door [wederpartij A] en [wederpartij B] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 23 februari 2016 heeft de rechtbank het door [wederpartij A] en [wederpartij B] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 2 juli 2015 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben Duijnhoeve en Aldi hoger beroep ingesteld.

Duijnhoeve en Aldi en [wederpartij A] en [wederpartij B] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2017, waar Duijnhoeve en Aldi, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. C. van Deutekom, advocaat te Arnhem en het college, vertegenwoordigd door G.L. ter Brugge, zijn verschenen. Voorts is [wederpartij B], bijgestaan door mr. G.F.M.G. Heutink, ter zitting als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. [wederpartij A] en [wederpartij B] hebben op 30 april 2015 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 augustus 2014, voor zover daarbij omgevingsvergunning is verleend voor de plaatsing van een reclamezuil aan het begin van de inrit naar de supermarkt, naast hun woning.

Bij besluit van 2 juli 2015 heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat hetgeen [wederpartij A] en [wederpartij B] hebben aangevoerd met betrekking tot de termijnoverschrijding als niet verschoonbaar moet worden beoordeeld.

De rechtbank heeft overwogen dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, zij het op onjuiste gronden, nu de omgevingsvergunning niet mede het plaatsen van de reclamezuil omvat, maar het bezwaar daartegen is gericht.

Ontvankelijkheid Aldi

2. De Afdeling oordeelt ambtshalve als volgt.

2.1. Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt: "Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

Artikel 8:104, eerste lid, aanhef en onder 1, luidt: "Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen hoger beroep instellen tegen: een uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, of artikel 8:67, eerste lid, van de rechtbank."

2.2. De Afdeling stelt vast dat ter zitting is komen vast te staan dat Aldi Groenlo B.V. huurder is van het pand op het perceel. De rechtbank heeft vastgesteld dat de omgevingsvergunning niet mede de plaatsing van een reclamezuil van Aldi omvat. Gelet hierop kan Aldi worden aangemerkt als belanghebbende en is het door Aldi ingestelde hoger beroep ontvankelijk.

Behandeling van het hoger beroep

3. Duijnhoeve en Aldi kunnen zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen en voeren hiertoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de verleende omgevingsvergunning geen betrekking heeft op de inmiddels gerealiseerde reclamezuil. Duijnhoeve en Aldi wijzen er in dit verband op dat de omgevingsvergunning is verleend conform de aanvraag en dat het aanvraagformulier, waarin melding is gemaakt van de reclamezuil, als bijlage onderdeel uitmaakt van de vergunning. Uit het besluit van 6 augustus 2014 valt volgens Duijnhoeve en Aldi niet af te leiden dat het college heeft beoogd de aanvraag gedeeltelijk te weigeren. De aanvrager en diens rechtsopvolgers mochten ervan uitgaan dat een aanvraag die niet wordt geweigerd conform de aanvraag is verleend. Zowel de ingediende aanvraag als de verleende omgevingsvergunning zijn op de voorgeschreven wijze gepubliceerd. Derden hadden zich derhalve volgens Duijnhoeve en Aldi op de hoogte kunnen stellen van het feit dat de desbetreffende reclamezuil was aangevraagd en vergund en hadden daartegen binnen de wettelijke termijn rechtsmiddelen kunnen aanwenden. Nu geen rechtsmiddelen zijn ingesteld binnen de daarvoor geldende bezwaartermijn, is de omgevingsvergunning volgens Duijnhoeve en Aldi in rechte onaantastbaar geworden en heeft deze formele rechtskracht gekregen. De rechtbank heeft ten onrechte alsnog een afwijkend rechtsoordeel gegeven over de reikwijdte van de onherroepelijke omgevingsvergunning en is hiermee volgens Duijnhoeve en Aldi buiten de omvang van het geschil getreden.

3.1. Vaststaat dat [wederpartij A] en [wederpartij B] eerst op 30 april 2015 en derhalve na afloop van de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn van zes weken bezwaar hebben gemaakt tegen het besluit van 6 augustus 2014.

[wederpartij A] en [wederpartij B] hebben in dit verband in beroep aangevoerd dat hun redelijkerwijs niet kan worden tegengeworpen dat hun bezwaarschrift niet tijdig is ingediend, aangezien zij niet eerder dan na plaatsing van de reclamezuil konden weten dat met de verleende omgevingsvergunning ook de reclamezuil was vergund.

3.2. Niet in geschil is dat van het besluit van 6 augustus 2014 in overeenstemming met artikel 3.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht mededeling is gedaan op de gemeentepagina bekendmakingen in het Apeldoorns Stadsblad van 13 augustus 2014 in de rubriek "omgevingsvergunning". In de omschrijving is vermeld dat het gaat om "het oprichten van een bedrijfspand (supermarkt) en het plaatsen van een erfafscheiding".

3.3. Nu de bezwaren van [wederpartij A] en [wederpartij B] specifiek zijn gericht tegen het plaatsen van de reclamezuil aan het begin van de inrit naar de supermarkt, naast hun woning, heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling terecht onderzocht of de verleende omgevingsvergunning mede betrekking heeft op de desbetreffende reclamezuil.

Bij het aanvraagformulier voor de omgevingsvergunning is het moduleblad "Reclame" gevoegd waarin de desbetreffende reclamezuil met bijbehorende afmetingen uitdrukkelijk is vermeld. Het aanvraagformulier met bijbehorende bijlagen maakt als gewaarmerkte bijlage onderdeel uit van de verleende omgevingsvergunning. Dit geldt eveneens voor de bouwtekeningen waarop de reclamezuil is ingetekend. Het voorgaande in aanmerking genomen, ziet de verleende omgevingsvergunning onder meer op het plaatsen van eerder vermelde reclamezuil. De rechtbank heeft derhalve naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte overwogen dat het bezwaar op onjuiste gronden niet-ontvankelijk is verklaard omdat de omgevingsvergunning niet mede het plaatsen van de reclamezuil omvat.

Het betoog slaagt.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

5. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling een oordeel geven omtrent de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het besluit is op 13 augustus 2014 op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. [wederpartij A] en [wederpartij B] hebben hiertegen eerst op 30 april 2015, derhalve buiten de daarvoor in de wet gestelde termijn, bezwaar gemaakt. Volgens [wederpartij A] en [wederpartij B] is de termijnoverschrijding verschoonbaar, omdat zij er niet mee bekend waren dat de omgevingsvergunning met inbegrip van de bouw van de reclamezuil is verleend. Eerst na plaatsing van de reclamezuil waren [wederpartij A] en [wederpartij B] hiervan op de hoogte. In voormelde publicatie in het Apeldoorns Stadsblad is vermeld dat omgevingsvergunning is verleend voor het oprichten van een bedrijfspand (supermarkt) en het plaatsen van een erfafscheiding op het perceel. Naar het oordeel van de Afdeling kan in het midden blijven of de publicatie voldoende informatie bevat op grond waarvan kan worden geoordeeld dat het op de weg van [wederpartij A] en [wederpartij B] lag om zich ervan te vergewissen of aanleiding bestond bezwaar te maken tegen het besluit. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 19 augustus 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2638) dient een belanghebbende, die niet door middel van kennisgeving of publicatie op de hoogte is gesteld van een op de juiste wijze bekendgemaakt besluit, in beginsel binnen twee weken nadat hij van het bestaan van het besluit op de hoogte is geraakt, daartegen op te komen. Ter zitting in hoger beroep is komen vast te staan dat de reclamezuil op of omstreeks 14 december 2014 is geplaatst. [wederpartij B] heeft verklaard dat hij op dat moment, tot een week daarna, in het buitenland verkeerde, maar dat zijn echtgenote [wederpartij A] wel thuis was en hem tijdens zijn afwezigheid van de plaatsing van de reclamezuil op de hoogte heeft gebracht. Volgens [wederpartij A] en [wederpartij B] hebben zij vanaf het moment dat zij kennis hebben genomen van de bouw van de reclamezuil contact gezocht met het gemeentebestuur en rechtsbijstand gezocht. [wederpartij A] en [wederpartij B] hebben echter nagelaten om binnen twee weken nadat zij ervan op de hoogte waren gekomen dat de verleende omgevingsvergunning tevens de bouw van de reclamezuil omvatte, daartegen, eventueel op nog nader aan te voeren gronden, bezwaar te maken.

Er bestaat geen grond voor het oordeel dat [wederpartij A] en [wederpartij B] niet binnen twee weken nadat zij van de volledige strekking van het besluit op de hoogte zijn geraakt daartegen bezwaar hebben kunnen maken.

Gezien het vorenstaande is er geen aanleiding voor het oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [wederpartij A] en [wederpartij B] in verzuim zijn geweest. Dit betekent dat het college het door [wederpartij A] en [wederpartij B] gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

6. De Afdeling zal het beroep van [wederpartij A] en [wederpartij B] tegen het besluit van 2 juli 2015 van het college alsnog ongegrond verklaren.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 februari 2016 in zaak nr. 15/4882;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van 2 juli 2015 (kenmerk VR/AVV/MK DOS-2015-028534) ongegrond;

IV. verstaat dat de griffier van de Raad van State aan Duijnhoeve Beheer B.V. en Aldi Groenlo B.V. het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 503,00 (zegge: vijfhonderddrie euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Melenhorst

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2017

490.