Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:725

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
201607061/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juli 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "St. Jobstraat en Friezenstraat" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201607061/2/R1.

Datum uitspraak: 21 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) in het geding tussen:

[verzoekster A], gevestigd te [plaats], en [verzoekster B], gevestigd te [plaats],

en

1.    de raad van de gemeente Weert,

2.    het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "St. Jobstraat en Friezenstraat" vastgesteld.

Bij besluit van 26 juli 2016 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een supermarkt aan het St. Jobplein 20 te Weert.

Tegen deze besluiten hebben [verzoeksters] beroep ingesteld.

Voorts hebben [verzoeksters] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende A], [belanghebbende B], Aldi Vastgoed B.V., het college en [verzoeksters] hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 maart 2017, waar [verzoeksters], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. B. de Haan, advocaat te Den Bosch, en de raad en het college, beide vertegenwoordigd door mr. M.J. Jans, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord [belanghebbende A] en [belanghebbende B], vertegenwoordigd door mr. H.A. Samuels Brusse-van der Linden, advocaat te Utrecht, en Aldi, vertegenwoordigd door mr. M.J. Tunnissen, advocaat te Arnhem.

    Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Inleiding

2.    De besluiten van 20 juli 2016 en 26 juli 2016 zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling van paragraaf 3.6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro). Voor de mogelijkheid van beroep worden deze besluiten op grond van artikel 8.3, eerste lid, van de Wro als één besluit aangemerkt.

3.    Het plan voorziet in een nieuw winkelcentrum ter plaatse van de St. Jobstraat in Weert-Oost. Op die locatie worden naast een full-service supermarkt (Jumbo), tevens een van elders in Weert te verplaatsen discount-supermarkt (Aldi) en enkele winkelformules voor dagelijkse artikelen, een fietsenzaak, horeca en een gezondheidscentrum gevestigd. Het doel van het plan is om bij te dragen aan een verbetering van de boodschappenstructuur in Weert-Oost.

4.    [verzoekster B] is verhuurder van een pand in de straat Maaspoort, welk pand op een afstand van ongeveer 1 km van het plangebied staat. [verzoekster A] is exploitant van een supermarkt in dat pand. [verzoeksters] kunnen zich niet met het plan en de omgevingsvergunning verenigen. Volgens hen is het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) en is voorts sprake van strijd met provinciaal en gemeentelijk beleid. [belanghebbende A] en [belanghebbende B] zijn eigenaren van gronden in het plangebied.

Spoedeisend belang

5.    [belanghebbende A] en [belanghebbende B], de raad en het college voeren aan dat [verzoeksters] eerst in januari 2017 hun verzoek om een voorlopige voorziening te treffen hebben ingediend, terwijl zij dit al eind 2016 hadden kunnen doen. Volgens [belanghebbende A] en [belanghebbende B] is het verzoek te laat ingediend en daarom niet-ontvankelijk.

5.1.    De voorzieningenrechter stelt voorop dat artikel 8:81, eerste lid, van de Awb connexiteit vereist tussen het ingediende verzoek en een besluit waartegen bij de bestuursrechter beroep is ingesteld, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld. De in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb gegeven bevoegdheid kan slechts worden toegepast binnen de werking van een bestreden besluit en slechts zolang daarover een procedure loopt. Aangezien in dit geval de bodemprocedure nog loopt, zou toepassing kunnen worden gegeven aan de bevoegdheid een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat een omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van een supermarkt in het plangebied. Voorts zijn de werkzaamheden met gebruikmaking van deze vergunning eind 2016 gestart. Ter zitting is gebleken dat de werkzaamheden ter plaatse in volle gang zijn. Onder deze omstandigheden is, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, thans sprake van een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening, daargelaten de vraag of [verzoeksters] al dan niet redelijkerwijs eerder een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen hadden kunnen indienen. Derhalve worden [belanghebbende A] en [belanghebbende B] niet gevolgd in hun betoog dat het verzoek niet-ontvankelijk is.

Belanghebbendheid

6.    De raad en het college voeren aan dat [verzoekster A] niet is te beschouwen als een belanghebbende, omdat het verzorgingsgebied van [verzoekster A] niet hetzelfde is als dat van de in het plan voorziene bedrijvigheid.

6.1.    Volgens vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 7 maart 2007,  ECLI:NL:RVS:2007:BA0085) is degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit, belanghebbende bij dit besluit. Dit is slechts het geval indien de onderneming in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment werkzaam is als de in het plan voorziene bedrijvigheid.

6.2.    Niet in geschil is dat [verzoekster A] is te beschouwen als concurrent van de in het plan voorziene bedrijvigheid. Evenmin is in geschil dat [verzoekster A] werkzaam is in hetzelfde marktsegment als de in het plan voorziene bedrijvigheid.

    In het rapport van BRO, getiteld "Weert, Ruimtelijk-functionele Effectenanalyse ontwikkeling wijkwinkelcentrum Leuken" wordt gesteld dat [verzoekster A] (Maaspoort) waarschijnlijk koopkracht zal verliezen uit met name de wijk Groenewoud, omdat het nieuwe winkelcentrum voor deze bewoners een goed alternatief zal zijn. Gelet hierop verwacht de voorzieningenrechter dat de Afdeling in de bodemzaak zal concluderen dat [verzoekster A] werkzaam is in (althans een deel van) hetzelfde verzorgingsgebied als de in het plan voorziene bedrijvigheid en dat [verzoekster A] als belanghebbende is aan te merken. Het betoog van de raad en het college wordt derhalve niet gevolgd.

Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro

7.    Wat betreft het betoog van [verzoeksters] dat het plan in strijd is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro stelt de raad zich op het standpunt dat artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan een vernietiging van het besluit van 20 juli 2016.

7.1.    De voorzieningenrechter overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2855, dat voor een concurrent die kwalificeert als belanghebbende bij het besluit in de zin van artikel 1:2 van de Awb omdat zijn onderneming actief is in hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied, feiten en omstandigheden naar voren dienen te komen die het oordeel rechtvaardigen dat de voorziene ontwikkeling tot een uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening relevante leegstand zal kunnen leiden, voor zover de concurrent de rechtsregel van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro in rechte inroept.

7.2.    Voor relevante leegstand als hiervoor bedoeld is onvoldoende dat de voorziene ontwikkeling, die mogelijk wordt gemaakt door een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning, leidt of kan leiden tot een verminderde vraag naar producten of diensten en daardoor tot daling van omzet en inkomsten van de eigen onderneming of de betreffende vestiging. Het enkele feit dat de voorziene ontwikkeling kan leiden tot beëindiging van de eigen bedrijfsactiviteiten ter plaatse en daardoor tot leegstand van het in gebruik zijnde bedrijfsgebouw is op zichzelf eveneens onvoldoende om te concluderen dat zich relevante leegstand zal voordoen. Dit kan echter onder omstandigheden anders zijn, bijvoorbeeld indien het bedrijfsgebouw dermate bijzondere bouwkundige dan wel locatie-specifieke eigenschappen heeft, dat andersoortig gebruik - al dan niet door transformatie - niet of onder zeer bezwarende omstandigheden tot de mogelijkheden behoort, hetgeen niet licht zal kunnen worden aangenomen. Voorts zou relevante leegstand zich voor kunnen doen bij leegstand als gevolg van de voorziene ontwikkeling in de omgeving van het bij de concurrent in gebruik zijnde bedrijfspand.

7.3.    Ter onderbouwing van het bestaan van relevante leegstand hebben [verzoeksters] verwezen naar een rapport van Rho, getiteld "Analyse onderbouwing winkelcentrum Leuken (Weert) en bestemmingsplan Sint Jobstraat - Friezenstraat". Daarin wordt gesteld dat door de beoogde ontwikkeling de [verzoekster A] supermarkt vrijwel zeker zal verdwijnen van de Maaspoort. Wanneer de [verzoekster A] supermarkt verdwijnt, zullen de andere levensmiddelenspeciaalzaken en winkels in dagelijkse goederen aan de Maaspoort waarschijnlijk ook verdwijnen omdat "de loop" uit de straat verdwijnt, aldus Rho.

    De raad heeft in dit verband, met verwijzing naar het eerdergenoemde rapport van BRO, toegelicht dat bij het onverhoopt verdwijnen van [verzoekster A] de Maaspoort blijft beschikken over een andere publiekstrekker, de Action, en dat bovendien de Maaspoort een belangrijke aanrijroute naar het centrum blijft. Er blijven dus passanten komen in de Maaspoort, aldus de raad.

7.4.    De voorzieningenrechter overweegt dat uit rechtsoverweging 7.2 volgt dat zelfs als [verzoekster A] uit de Maaspoort zou verdwijnen dat onvoldoende is om te concluderen dat zich relevante leegstand zal voordoen.

Voorts is niet gesteld dat het pand van [verzoekster B] dermate bijzondere bouwkundige dan wel locatie-specifieke eigenschappen heeft dat andersoortig gebruik - al dan niet door transformatie - niet of onder zeer bezwarende omstandigheden tot de mogelijkheden behoort. Verder acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt dat zich als gevolg van het plan relevante leegstand voor zal doen in de omgeving van het pand van [verzoekster B]. De voorzieningenrechter betrekt hierbij dat de Maaspoort, ook indien [verzoekster A] zou verdwijnen, met de Action over een publiekstrekker beschikt en dat de Maaspoort bovendien een aanrijroute naar het centrum betreft.

Verder is van belang dat er horecagelegenheden en verschillende winkels zijn aan de Maaspoort, zoals bijvoorbeeld, kapperszaken, een bakker en een slager, en dat [verzoeksters] niet hebben betwist dat, zoals [belanghebbende A] en [belanghebbende B] hebben gesteld, een aantal speciaalzaken al was gevestigd in de Maaspoort voor de komst van [verzoekster A]. Dat, zoals [verzoeksters] met verwijzing naar het rapport van Rho hebben gesteld, de "loop" uit de Maaspoort verdwijnt, acht de voorzieningenrechter in het licht hiervan niet aannemelijk gemaakt. Gelet op het vorenstaande verwacht de voorzieningenrechter dat hetgeen [verzoeksters] in het kader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro hebben aangevoerd, gelet op artikel 8:69a van de Awb, niet zal leiden tot een vernietiging van het besluit van 20 juli 2016 in de bodemprocedure. Daarom ziet de voorzieningenrechter af van een inhoudelijke bespreking van hetgeen inzake artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is aangevoerd.

Provinciaal beleid

8.    [verzoeksters] hebben aangevoerd dat het plan in strijd is met het provinciaal beleid, neergelegd in POL 2014, waarin staat dat toevoeging van m² bruto vloeroppervlakte (hierna: bvo) aan detailhandel gepaard moet gaan met het schrappen van m² bvo elders, hetgeen volgens [verzoeksters] in dit geval onvoldoende is gebeurd.

8.1.    De raad is bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet gebonden aan provinciaal beleid. Wel dient de raad met provinciaal beleid rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken.    Uit in paragraaf 3.2 van de plantoelichting blijkt dat de raad rekening heeft gehouden met hetgeen in POL 2014 is vermeld. Daarbij heeft de raad onderkend dat het provinciaal beleid in principe terughoudend is ten aanzien van nieuwe detailhandelsontwikkelingen, maar wel inzet op kwalitatieve versterking van de detailhandelsstructuur. De voorzieningenrechter verwacht dat de gestelde strijd met het POL 2014 ten aanzien van het schrappen van m² bvo in de bodemprocedure niet leidt tot het oordeel dat de wijze waarop de raad het provinciaal beleid in zijn belangenafweging heeft betrokken niet redelijk is te achten. Hierbij wordt in ogenschouw genomen dat het provinciaal beleid hecht aan kwalitatieve versterking van de detailhandelsstructuur en dat de raad heeft toegelicht dat het plan een dergelijke versterking inhoudt.

Gemeentelijk beleid

9.    Ten slotte hebben [verzoeksters] aangevoerd dat het plan strijdig is met het gemeentelijk beleid. Volgens [verzoeksters] zullen ook mensen van buiten de wijk naar de winkels in het plangebied komen, zodat geen sprake is van een wijkwinkelcentrum als bedoeld in het gemeentelijk beleid.

9.1.    De raad heeft toegelicht dat het gemeentelijk beleid expliciet voorziet in een wijkwinkelcentrum op de locatie waarop het plan betrekking heeft. De raad heeft verder uiteengezet dat, nu het plan voorziet in twee wat betreft marktsegment complementaire supermarkten en enkele aanvullende speciaalzaken en wijkgerichte voorzieningen, het plan een wijkwinkelcentrum mogelijk maakt. Dat er mogelijk ook mensen van buiten de wijk naar de winkels in het plangebied zullen komen, betekent volgens de raad niet dat geen sprake is van een wijkwinkelcentrum. Gelet op deze toelichting verwacht de voorzieningenrechter niet dat de Afdeling in de bodemzaak tot de conclusie zal komen dat het plan in dit opzicht in strijd is met het gemeentelijk beleid. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter dat [verzoeksters] geen concrete passage uit het gemeentelijk beleid hebben aangedragen waaruit volgt dat, wanneer ook mensen van buiten een wijk naar een winkelcentrum komen, reeds daarom geen sprake is van een wijkwinkelcentrum.

Conclusie

10.    De voorzieningenrechter verwacht niet dat de beroepsgronden van [verzoeksters] in de bodemprocedure zullen slagen. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.

w.g. Parkins-de Vin    w.g. Van Loo

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2017

418.