Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:72

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2017
Datum publicatie
25-01-2017
Zaaknummer
201608601/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 oktober 2016 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201608601/1/V3.

Datum uitspraak: 16 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 november 2016 in zaak nr. 16/24142 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2016 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 8 november 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Berends, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In grief 2 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij ervan uitgaat dat de staatssecretaris de door de vreemdeling naar voren gebrachte medische omstandigheden in de belangenafweging ter zake van het toepassen van een lichter middel heeft meegewogen. Volgens de vreemdeling heeft de rechtbank aldus miskend dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1309, uit de maatregel van bewaring expliciet moet blijken dat de staatssecretaris in het kader van het toepassen van een lichter middel zijn naar voren gebrachte medische omstandigheden in de belangenafweging heeft betrokken. Nu dit uit de onderhavige maatregel van bewaring niet blijkt, zoals de staatssecretaris ter zitting van de rechtbank ook heeft erkend, is sprake van een motiveringsgebrek, aldus de vreemdeling.

1.1. Zoals volgt uit voormelde uitspraak van 10 april 2015 is hetgeen het Hof van Justitie (hierna: het Hof) heeft overwogen in punten 45 en 46 in het arrest van het Hof van 5 juni 2014, C-146/14 PPU, Mahdi, ECLI:EU:C:2014:1320 (hierna: het arrest Mahdi), van overeenkomstige toepassing bij het opleggen van de maatregel van bewaring. In punt 45 van het arrest Mahdi heeft het Hof veel gewicht toegekend aan het belang van de vreemdeling om zijn rechten onder zo goed mogelijke omstandigheden te verdedigen en met volledige kennis van zaken te beslissen of hij er baat bij heeft zich tot de bevoegde rechter te wenden en aan het belang van de rechter om ten volle de controle van de rechtmatigheid van de betrokken handeling te kunnen uitoefenen.

Uit punt 45 van het arrest Mahdi volgt voorts, zoals de Afdeling in de uitspraak van 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1593 heeft overwogen, dat de staatssecretaris reeds in de maatregel van bewaring kenbaar moet motiveren waarom hij niet met toepassing van een minder dwingende maatregel kan volstaan.

1.2. Nu niet in geschil is dat de staatssecretaris in de maatregel van bewaring heeft verzuimd kenbaar te motiveren waarom hij ondanks de door de vreemdeling aangevoerde medische omstandigheden geen minder dwingende maatregel heeft toegepast, voldoet de motivering niet aan de eisen die het Hof daaraan in het arrest Mahdi heeft gesteld. De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is reeds hierom gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens is aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 21 oktober 2016 alsnog gegrond verklaren. Nu de vrijheidsontnemende maatregel reeds is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 21 oktober 2016 tot 7 november 2016, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

3. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 november 2016 in zaak nr. 16/24142;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 1.435,00 (zegge: veertienhonderdvijfendertig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.488,00 (zegge: veertienhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.L.N. Bakker, griffier.

w.g. Verheij w.g. Bakker

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2017

395.