Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:717

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
201609974/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2017/109
Module Ruimtelijke ordening 2017/7718
AR 2017/1492
TBR 2017/77 met annotatie van H.J. de Vries
JOM 2017/1281
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609974/2/R3.

Datum uitspraak: 15 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. Raedthuys Windenergie B.V., gevestigd te Enschede, en anderen,

2. de minister van Economische Zaken,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Aa en Hunze,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer Raedthuys Windenergie en anderen en de minister beroep ingesteld.

Raedthuys Windenergie en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft de minister de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 28 februari 2017, waar Raedthuys Windenergie en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. A. ten Veen, advocaat te Amsterdam, de minister, vertegenwoordigd door mr. K.M. van Leeuwen-Gerkema, mr. W.S. Geelhoed en ing. A.M. Bruin, en de raad, vertegenwoordigd door P. Woudstra, mr. E.A.A. van Dam en P. van der Veen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Op een aantal gronden in het plangebied is de realisering van 16 windturbines met andere voorzieningen, zoals kabels, wegen, opstelplaatsen en inkoopstations, voorzien die deel uitmaken van het Windpark De Drentse Monden en Oostermoer. Raedthuys Windenergie en anderen zijn initiatiefnemers van dit windpark. Om het windpark mogelijk te maken heeft de minister samen met de minister van Infrastructuur en Milieu op 22 september 2016 het rijksinpassingsplan "Windpark De Drentse Monden en Oostermoer" (hierna: rijksinpassingsplan) vastgesteld. In het thans aan de orde zijnde bestemmingsplan voor het buitengebied van de gemeente Aa en Hunze is geen planologische regeling opgenomen om deze 16 windturbines met genoemde voorzieningen te kunnen realiseren. Hierdoor kunnen volgens de minister en Raedthuys Windenergie en anderen de benodigde vergunningen om met de werkzaamheden voor het windpark te kunnen beginnen niet worden verleend. Zij voeren aan er belang bij te hebben dat deze vergunningen tijdig kunnen worden verleend in verband met de financiering van het windpark en het behalen van de afgesproken doelstellingen op het gebied van duurzame energie. Voor de raad is het van belang dat het plan in werking treedt in verband met lopende bouwaanvragen. Volgens de raad staat het plan niet in de weg aan het realiseren van de windturbines en is het niet nodig een voorlopige voorziening te treffen.

3. Tussen partijen is in geschil of het bestreden besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied" in de weg staat aan realisering van dit windpark en om die reden in zoverre geschorst zou moeten worden.

4. De wettelijke bepalingen en relevante planregels die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

5. Voor zover is verzocht om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de bodemprocedure overweegt de voorzieningenrechter dat op grond van het tweede lid van artikel 8:86 van de Awb slechts toepassing aan het eerste lid kan worden gegeven indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven. De raad heeft in zijn verweerschrift te kennen gegeven daarmee niet te kunnen instemmen, zodat reeds daarom het verzoek om onmiddellijk uitspraak te doen in de bodemprocedure wordt afgewezen.

Het verzoek van de minister

6. De minister heeft geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij tegen het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

6.1. De minister heeft naar voren gebracht dat hij redelijkerwijs ervan mocht uitgaan dat het bestemmingsplan eerder vastgesteld zou worden dan het rijksinpassingsplan, zodat hem niet kan worden verweten dat hij geen zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan naar voren heeft gebracht. Hij verwijst daarbij allereerst naar artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) waarin staat dat de gemeenteraad binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging beslist omtrent vaststelling van het bestemmingsplan. Volgens de minister was de verwachting dat het rijksinpassingsplan het bestemmingsplan zou overschrijven, zodat het bestemmingsplan niet in de weg zou staan aan realisering van het windpark. Dat dit het uitganspunt was volgt volgens de minister ook uit de "Reactienota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan buitengebied Aa en Hunze" bij het bestemmingsplan. Volgens de minister is de raad ambtelijk op de hoogte gesteld van de vaststelling van het rijksinpassingsplan en was de raad op grond van artikel 3.28, vijfde lid, van de Wro niet bevoegd het bestemmingsplan vast te stellen voor de gronden die in het rijksinpassingsplan zijn vervat, zodat ook in zoverre niet de verwachting was dat de raad na vaststelling van het rijksinpassingsplan het bestemmingsplan zou vaststellen.

6.2. Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 7 januari 2016 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode was er nog geen ontwerprijksinpassingsplan ter inzage gelegd. Dit is gebeurd op 4 maart 2016. In het ontwerpbestemmingsplan kon nog geen rekening worden gehouden met het beoogde rijksinpassingsplan. Het had dan ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter op de weg van de minister gelegen om een zienswijze naar voren te brengen over het ontwerpbestemmingsplan en daarbij kenbaar te maken dat het ontwerpbestemmingsplan in strijd is met het beoogde rijksinpassingsplan om op een deel van de gronden in het plangebied een windpark te realiseren. In de door de minister genoemde omstandigheden, die zich hebben voorgedaan na afloop van de zienswijzetermijn van het bestemmingsplan en waarvan niet is gebleken dat die tot wijzigingen van het bestemmingsplan hebben geleid, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen rechtvaardiging gelegen voor het niet naar voren brengen van een zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan.

6.3. Gelet op het vorenstaande verwacht de voorzieningenrechter dat de Afdeling het beroep van de minister in de bodemprocedure niet-ontvankelijk zal verklaren. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek van de minister om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

Het verzoek van Raedthuys Windenergie en anderen

7. Raedthuys Windenergie en anderen voeren aan dat het ontwerprijksinpassingsplan vóór vaststelling van het bestemmingsplan ter inzage was gelegd, zodat de raad op grond van artikel 3.28, vijfde lid, van de Wro niet bevoegd was het bestemmingsplan vast te stellen voor zover het betreft de gronden die overlappen met de gronden in het rijksinpassingsplan. Ook artikel 10, lid 10.2, onder b, van de planregels van het rijksinpassingsplan staat volgens Raedthuys Windenergie en anderen eraan in de weg dat de raad het bestemmingsplan had kunnen vaststellen voor de gronden in het rijksinpassingsplan, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde in deze planregel dat daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de uitvoerbaarheid van het rijksinpassingsplan. Raedthuys Windenergie en anderen voeren aan dat aan de gronden waar de windturbines zijn voorzien de bestemming "Agrarisch-Veenontginningenlandschap" is toegekend. Op grond van artikel 9, lid 9.2.4, aanhef en onder e, van de planregels bij het bestemmingsplan zullen op deze gronden geen bouwwerken ten behoeve van de opwekking van windenergie worden gebouwd. Door in het bestemmingsplan niet te voorzien in de plaatsing van windturbines en andere voorzieningen, zoals kabels, wegen, opstelplaatsen en inkoopstations, is het niet mogelijk om 16 van de 45 windturbines van het windpark te realiseren, aldus Raedthuys Windenergie en anderen. Dit zal volgens Raedthuys Windenergie en anderen afbreuk doen aan de uitvoerbaarheid van het rijksinpassingsplan. Dat de raad niet bevoegd was het bestemmingsplan vast te stellen volgt volgens Raedthuys Windenergie en anderen ook uit de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1043, waarin een vergelijkbare situatie aan de orde was.

7.1. Zoals hiervoor is overwogen, heeft het ontwerprijksinpassingsplan vanaf 4 maart 2016 ter inzage gelegen. Uit artikel 3.28, eerste en vijfde lid, van de Wro in samenhang bezien met artikel 10, lid 10.2, onder b, van de planregels van het rijksinpassingsplan volgt dat de raad vanaf 4 maart 2016 niet meer bevoegd was een bestemmingsplan vast te stellen voor de gronden in het rijksinpassingsplan, tenzij het bestemmingsplan geen afbreuk doet aan de uitvoerbaarheid van het rijksinpassingsplan. Voor zover de raad stelt wel bevoegd te zijn ten aanzien van die delen van het plangebied van het definitief vastgestelde rijksinpassingsplan die ten opzichte van het ontwerprijksinpassingsplan zijn gewijzigd, volgt de voorzieningenrechter dit standpunt niet. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat uit artikel 3.28, eerste en vijfde lid, van de Wro volgt dat de enkele omstandigheid dat een ontwerpinpassingsplan is vastgesteld bepalend is voor de vraag of er een bevoegdheid is voor de raad om een bestemmingsplan vast te stellen voor gronden in het inpassingsplan, ongeacht de vraag of het plangebied is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpinpassingsplan.

7.2. Over de vraag of de raad een bevoegdheid tot het vaststellen van het bestemmingsplan kan ontlenen aan artikel 10, lid 10.2, onder b, van de planregels in het rijkspinpassingsplan overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Het bestemmingsplan voorziet niet in een planologische regeling om de realisering van 16 windturbines met bijbehorende voorzieningen mogelijk te maken. Volgens de raad is daarmee de uitvoerbaarheid van het rijksinpassingsplan niet in het geding, omdat het rijksinpassingsplan nog steeds geldig is en de benodigde vergunningen zullen worden getoetst aan zowel het rijksinpassingsplan als het bestemmingsplan. Daartoe heeft de raad naar voren gebracht dat in het bestemmingsplan alleen enkelbestemmingen zijn toegekend aan de gronden in het rijksinpassingsplan ter vervanging van de bestemmingen in de voorheen geldende beheersverordening. De in het rijksinpassingsplan voor deze gronden toegekende dubbelbestemmingen en aanduidingen om de andere voorzieningen, zoals kabels en leidingen, mogelijk te maken zijn volgens de raad nog steeds van toepassing. Ten aanzien van de gronden waar de masten van de windturbines en het transformatorstation zijn voorzien, erkent de raad niet bevoegd te zijn het bestemmingsplan vast te stellen voor deze gronden, nu daarvoor bedrijfsbestemmingen in het rijksinpassingsplan zijn opgenomen en deze niet zijn opgenomen in het bestemmingsplan. Ook dit staat volgens de raad niet aan de uitvoerbaarheid van het windpark in de weg, nu deze delen van het bestemmingsplan niet zijn bekendgemaakt en derhalve niet in werking zijn getreden.

7.3. Uit artikel 3.28, derde lid, van de Wro in samenhang bezien met artikel 10, lid 10.1, aanhef en onder a, van de planregels van het rijksinpassingsplan volgt naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter dat voor de enkelbestemmingen die in het rijksinpassingsplan zijn opgenomen de onderliggende bestemmingsplannen en beheersverordeningen zijn komen te vervallen. Wat betreft de dubbelbestemmingen en aanduidingen in het rijksinpassingsplan prevaleren deze boven de bestemmingen in de onderliggende bestemmingsplannen. De onderliggende bestemmingsplannen zijn in de regels van rijksinpassingsplan niet nader aangeduid. Het hier aan de orde zijnde bestemmingsplan is echter pas na het rijksinpassingsplan vastgesteld, zodat naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter in het rijksinpassingsplan dit bestemmingsplan niet als onderliggend bestemmingsplan kan zijn bedoeld. Het standpunt van de raad dat het rijksinpassingsplan wat betreft de dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn gelding heeft behouden naast het bestemmingsplan volgt de voorzieningenrechter dan ook niet. De raad had naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de toepasselijke planregels van het rijksinpassingsplan moeten opnemen in het bestemmingsplan om geen afbreuk te doen aan de uitvoerbaarheid van het rijksinpassingsplan.

7.4. Ten aanzien van de gelding van de delen van het bestemmingsplan die niet zijn bekendgemaakt overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Uit artikel 3.8, vijfde lid, van de Wro in samenhang bezien met artikel 3:40 van de Awb volgt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat een gedeeltelijke bekendmaking en inwerkingtreding van een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan alleen mogelijk is wanneer sprake is van een in het zesde lid bedoelde situatie. Een dergelijke situatie, zijnde die waarin een reactieve aanwijzing is gegeven, doet zich hier niet voor. Aan de bekendmaking waarin is vermeld dat bepaalde delen van het bestemmingsplan niet in werking treden kan dan ook niet de betekenis toekomen die de raad heeft beoogd.

7.5. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan moet worden geacht geheel in werking te treden indien geen voorziening zal worden getroffen. Nu in het bestemmingsplan de realisering van 16 windturbines met bijbehorende voorzieningen, zoals voorzien in het rijksinpassingsplan, niet mogelijk wordt gemaakt, doet het bestemmingsplan afbreuk aan de uitvoerbaarheid van het rijksinpassingsplan. Gelet hierop is het bestreden besluit naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in zoverre in strijd met artikel 3.28, eerste en vijfde lid, van de Wro, in samenhang bezien met artikel 10, lid 10.2, onder b, van de planregels in het rijksinpassingsplan. De voorzieningenrechter ziet, na afweging van de betrokken belangen, aanleiding om de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek van de minister af.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding het verzoek van Raedthuys Windenergie en anderen toe te wijzen en het bestreden besluit bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen voor zover het betreft de gronden waarop het bij besluit van 22 september 2016 vastgestelde rijksinpassingsplan "Windpark De Drentse Monden en Oostermoer" betrekking heeft. Dit betekent dat voor deze gronden het rijksinpassingsplan geldt.

Proceskosten

9. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van de minister bestaat geen aanleiding.

Ten aanzien van Raedthuys Windenergie en anderen dient de raad op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Aa en Hunze van 29 september 2016, voor zover het de gronden betreft waarop het bij besluit van 22 september 2016 vastgestelde rijksinpassingsplan "Windpark De Drentse Monden en Oostermoer" betrekking heeft;

II. wijst het verzoek van de minister van Economische Zaken af;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Aa en Hunze tot vergoeding van bij Raedthuys Windenergie B.V. en anderen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Aa en Hunze aan Raedthuys Windenergie B.V. en anderen het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Alderlieste, griffier.

w.g. Hagen w.g. Alderlieste

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2017

590.

BIJLAGE

* Bij rechtsoverweging 5

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 8:86

1. Indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de bestuursrechter is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijd15 maart 2017in de hoofdzaak.

2. Indien de bestuursrechter in eerste en hoogste aanleg uitspraak doet, kan het eerste lid slechts worden toegepast indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven.

(…).

* Bij rechtsoverwegingen 6 tot en met 6.3

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:2

1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

(…).

Artikel 3:15

1. Belanghebbenden kunnen bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen.

(…).

Artikel 6:13

Geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, (…).

Artikel 8:1

Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

Artikel 8:6

1. Het beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank, tenzij een andere bestuursrechter bevoegd is ingevolge hoofdstuk 2 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak dan wel ingevolge een ander wettelijk voorschrift.

(…).

Artikel 2 van Bijlage 2 bij de Awb

Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

(…)

Wet ruimtelijke ordening:

a. een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan (…).

* Bij rechtsoverwegingen 7 tot en met 7.3

Wet ruimtelijke ordening

Artikel 3.28

1. Indien sprake is van nationale belangen kan Onze Minister, de gemeenteraad en provinciale staten gehoord, voor de daarbij betrokken gronden een inpassingsplan vaststellen. Het horen van de gemeenteraad en provinciale staten kan worden gecombineerd met het overleg, bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening.

2. (…).

3. Bij inpassingsplan kan worden bepaald in hoeverre bestemmingsplannen binnen het plangebied van het inpassingsplan hun werking behouden. Voor zover de werking niet bij inpassingsplan is geregeld, wordt het inpassingsplan geacht deel uit te maken van het bestemmingsplan of de bestemmingsplannen waarop het betrekking heeft.

4. (…).

5. De gemeenteraad is, respectievelijk provinciale staten zijn, vanaf het moment waarop het ontwerp van het inpassingsplan ter inzage is gelegd, niet langer bevoegd tot vaststelling van een bestemmingsplan respectievelijk inpassingsplan voor de gronden waarop het inpassingsplan, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft. De bedoelde bevoegdheid ontstaat weer tien jaar na vaststelling van het inpassingsplan, dan wel eerder, indien het inpassingsplan dat bepaalt.

(…).

Planregels bij het rijksinpassingsplan "De Drenste Monden en Oostermoer"

Artikel 10 Overige regels

10.1 Verhouding met bestemmingsplannen

Voor zover de enkelbestemmingen "Bedrijf-Nutsvoorziening" en "Bedrijf-Windturbinepark Voorlopig", als bedoeld in artikelen 3 en 4 van dit plan samenvallen met de bestemmingen uit de onderliggende bestemmingsplannen dan wel beheersverordeningen komen de enkelbestemmingen uit die bestemmingsplannen dan wel beheersverordeningen te vervallen;

a. voor zover de dubbelbestemmingen "Leiding-Kabeltracé", "Waarde-Archeologie-1" en "Waarde-Archeologie 2", als bedoeld in artikelen 5 tot en met 7 van dit plan, almede de aanduidingen "Veiligheidszone - windturbine", "Overige zone-parkinfrastructuur", "Overige zone -weg" en "Overige zone - woning in de sfeer van het windpark" als bedoeld in artikel 9 samenvallen met de bestemmingen uit de onderliggende bestemmingsplannen dan wel beheersverordeningen, prevaleert de dubbelbestemming respectievelijk aanduiding als bedoeld in dit plan.

b. (…).

c. (…).

10.2 bevoegdheid vaststellen bestemmingsplan/inpassingsplan

a.(…).

b. in afwijking van het eerste lid kunnen voornoemde gemeenteraden en Provinciale Staten voor de gronden waarop dit plan betrekking heeft, een bestemmingsplan respectievelijk een inpassingsplan vaststellen onmiddellijk na vaststelling van dit plan, indien daarin geen afbreuk wordt gedaan aan de uitvoerbaarheid van dit plan.

c. (…).

Planregels bij het bestemmingsplan "Buitengebied"

Artikel 9

9.2.4 Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende regels:

(…)

e. er zullen geen paardrijbakken, tenzij ten behoeve van een manege, en bouwwerken ten behoeve van de opwekking van windenergie worden gebouwd;

(…).

* Bij rechtsoverwegingen 7.4 en 7.5

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:40

Een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt.

Wet ruimtelijke ordening

Artikel 3.8

(…).

5. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan treedt in werking met ingang van de dag na die waarop de beroepstermijn afloopt, behoudens voor zover het zesde lid van toepassing is.

6. Indien aan de in het vierde lid bedoelde voorwaarden is voldaan kunnen gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister, onverminderd andere aan hen toekomende bevoegdheden, binnen de in dat lid genoemde termijn met betrekking tot het desbetreffende onderdeel van het vastgestelde bestemmingsplan aan de gemeenteraad een aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 4.4, eerste lid, onder a, geven, ertoe strekkende dat dat onderdeel geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan, zoals het is vastgesteld. (…). Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan wordt alsdan met uitsluiting van dat onderdeel, samen met het aanwijzingsbesluit en op gelijke wijze door burgemeester en wethouders bekendgemaakt. (…).