Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:709

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
201602041/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 februari 2016 heeft het college vastgesteld dat op de locatie Kanaalweg 19 te Dieren (hierna: de locatie) een geval van ernstige bodemverontreiniging aanwezig is, waarvan spoedige sanering niet noodzakelijk is.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet bodembescherming
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1347
AR 2017/2618
AR 2017/2819
JM 2017/59 met annotatie van Y. Flietstra
JOM 2017/319
JBO 2017/98 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602041/1/A1.

Datum uitspraak: 15 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

BPD Ontwikkeling B.V., gevestigd te Hoevelaken, gemeente Nijkerk,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2016 heeft het college vastgesteld dat op de locatie Kanaalweg 19 te Dieren (hierna: de locatie) een geval van ernstige bodemverontreiniging aanwezig is, waarvan spoedige sanering niet noodzakelijk is.

Tegen dit besluit heeft BPD Ontwikkeling beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

BPD Ontwikkeling heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 2016, waar BPD Ontwikkeling, vertegenwoordigd door mr. W.B. Kroon, advocaat te Breda, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door ing. A.J.H. Luykx en mr. T.P.P. Paas, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De locatie, die deel uitmaakt van een industriegebied, is in het verleden in gebruik geweest ten behoeve van een metaalgieterij en een fietsfabriek die zadels, buizen en spatborden produceerde. Bij deze activiteiten is gebruik gemaakt van ontvettingsmiddelen.

1.1. Eerder heeft het college bij besluit van 3 maart 2014 vastgesteld dat op de locatie een geval van ernstige verontreiniging aanwezig is, waarvan spoedige sanering noodzakelijk is. Bij uitspraak van 19 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4200) heeft de Afdeling het beroep tegen dat besluit gegrond verklaard en het besluit van 3 maart 2014 vernietigd. In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het college de verontreiniging met vluchtige organochloorverbindingen (VOCl) van de bovengrond en van het grondwater ter hoogte van de locatie op onjuiste gronden had aangemerkt als één geval van verontreiniging als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming (hierna: Wbb). Daaraan heeft de Afdeling ten grondslag gelegd dat volgens het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: het deskundigenbericht) de verontreiniging met VOCl van het grondwater afkomstig is van een onbekende bron en op basis van de ten tijde van het besluit van 3 maart 2014 beschikbare gegevens niet kan worden uitgegaan van organisatorische samenhang tussen de verontreiniging in de bovengrond en de grondwaterverontreiniging, nu de verontreiniging in de bovengrond voldoende is afgeperkt ten opzichte van de grondwater-verontreiniging. Volgens het deskundigenbericht is een verontreiniging van het grondwater, afkomstig van de voormalige stortplaats "Het Zandgat", in de vorm van een passerende pluim niet uit te sluiten.

1.2. Bij het bestreden besluit heeft het college opnieuw vastgesteld dat zich ter plaatse van de locatie een geval van ernstige verontreiniging als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Wbb voordoet. Daarbij heeft het college de verontreiniging met VOCl in de grond en het grondwater als één geval van verontreiniging aangemerkt. Volgens het college is bij het huidige gebruik geen sprake van onaanvaardbare risico’s en is een sanering bij gelijkblijvend gebruik op grond van de Wbb niet noodzakelijk. Het college heeft daarom het bepalen van een tijdstip voor het saneren achterwege gelaten, maar merkt op dat sanering bij bouwactiviteiten noodzakelijk kan zijn. Naast eerder verrichte onderzoeken en het ten behoeve van de onder 1.1 vermelde uitspraak opgestelde deskundigenbericht heeft het college aan het bestreden besluit het rapport "Aanvullend onderzoek en herbeoordeling verontreinigingssituatie VOCl bodemverontreiniging Kanaalweg 19 te Dieren" met nummer 403190 van Anteagroup van 30 oktober 2015 (hierna: het aanvullend onderzoek van Anteagroup) ten grondslag gelegd. BPD Ontwikkeling is eigenaar van de locatie en heeft tegen het besluit beroep ingesteld.

2. Artikel 1 van de Wbb luidt: In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

geval van verontreiniging: geval van verontreiniging of dreigende verontreiniging van de bodem dat betrekking heeft op grondgebieden die vanwege die verontreiniging, de oorzaak of de gevolgen daarvan in technische, organisatorische en ruimtelijke zin met elkaar samenhangen;

geval van ernstige verontreiniging: geval van verontreiniging waarbij de bodem zodanig is of dreigt te worden verontreinigd, dat de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, ernstig zijn of dreigen te worden verminderd.

Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, luidt: Gedeputeerde staten kunnen in een beschikking vaststellen of sprake is van een geval van ernstige verontreiniging naar aanleiding van een nader onderzoek.

Artikel 37, eerste lid, luidt: Gedeputeerde staten stellen in een beschikking als bedoeld in artikel 29, eerste lid, waarbij zij vaststellen dat er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging, tevens vast of het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging leiden tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

3. BPD Ontwikkeling betoogt dat het college de grond- en grondwaterverontreiniging op het perceel ten onrechte heeft aangemerkt als één geval van verontreiniging. Volgens BPD Ontwikkeling is niet aangetoond dat op de locatie is gewerkt met tetrachlooretheen (per) en heeft het college ten onrechte geconcludeerd dat de aanwezige grondverontreiniging heeft geresulteerd in een grondwaterverontreiniging, nu dit niet is vastgesteld. Daarmee is de organisatorische samenhang tussen beide verontreinigingen niet komen vast te staan. BPD Ontwikkeling betoogt verder dat het college ten onrechte niet heeft gereageerd op haar stelling dat sprake kan zijn van een passerende pluim en de grondwaterverontreiniging afkomstig kan zijn van de voormalige stortplaats "Het Zandgat". Ter onderbouwing van het standpunt dat sprake is van een passerende pluim verwijst BPD Ontwikkeling naar het rapport "Aanvullend onderzoek naar VOCl in grond Kanaalweg 19 te Dieren" van Aveco de Bondt van 18 juli 2014. Ook betoogt zij dat een deel van de bevindingen van Anteagroup dat er in stroomopwaartse richting van het bedrijfsterrein geen bronnen zouden zijn die een dergelijke pluim hebben kunnen veroorzaken, slechts is gebaseerd op historisch onderzoek en niet op metingen, waardoor volgens BPD Ontwikkeling mogelijk een bron wordt gemist. Ter zitting heeft BPD Ontwikkeling toegelicht dat de pluim mogelijk is losgeraakt van de bronlocatie en zich in de loop der jaren heeft verplaatst in de richting van het Apeldoorns Kanaal.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in haar uitspraak van 9 april 2014; ECLI:NL:RVS:2014:1247) is er, gelet op de in artikel 1 van de Wet bodembescherming gegeven definitie van een geval van verontreiniging, één geval van verontreiniging indien de verontreiniging of dreigende verontreiniging van de bodem betrekking heeft op grondgebieden die vanwege die verontreiniging, de oorzaak of de gevolgen daarvan in technische, organisatorische én ruimtelijke zin met elkaar samenhangen. Technische samenhang is aanwezig als de verontreinigingen zijn veroorzaakt door een zelfde productieproces, installatie of mechanisme. Organisatorische samenhang doet zich voor, indien de oorzaak of de gevolgen van de verontreiniging niet gescheiden kunnen worden in verschillende organisatorische eenheden. Ruimtelijke samenhang doet zich voor, indien de verontreinigingen in aan elkaar grenzende of in elkaars nabijheid gelegen grondgebieden voorkomen.

3.2. Om aan te tonen dat organisatorische samenhang bestaat tussen de grond- en grondwaterverontreiniging en deze moeten worden aangemerkt als één geval van verontreiniging, heeft Anteagroup namens het college aanvullend onderzoek verricht. In het aanvullend onderzoek van Anteagroup wordt geconcludeerd dat geen sprake is van een instromende verontreinigingsbron, omdat op de perceelsgrens van de locatie het gehalte aan per op streefwaardenniveau ligt. Volgens Anteagroup is het ook niet aannemelijk dat een instromende verontreinigingsbron in het verleden aanwezig is geweest, omdat geen matig tot sterk verhoogde concentraties aan VOCl-componenten in het grondwater zijn aangetoond. Volgens Anteagroup is sprake van een gemiste bron op de locatie, bijvoorbeeld lekkage van het 300 m lange bedrijfsriool of historische zink- en rioolputten en is een bron buiten de locatie uitgesloten.

De bron van de grondwaterverontreiniging is met het aanvullend onderzoek van Anteagroup niet komen vast te staan. Het bedrijfsriool noch de historische zink- en rioolputten zijn door Anteagroup onderzocht. Voorts wordt in het aanvullend onderzoek van Anteagroup de stelling van BPD Ontwikkeling dat sprake kan zijn van een passerende pluim die is losgeraakt van de bronlocatie waardoor aan de perceelsgrens niet langer sterk verhoogde concentraties VOCl worden aangetroffen, niet weerlegd. Evenmin gaat Anteagroup in op "Het Zandgat" als mogelijke bronlocatie voor de grondwaterverontreiniging. Hoewel in het deskundigenbericht op basis van een vergelijking van de resultaten van onderzoeken uit 1990 en 2006 wordt opgemerkt dat "Het Zandgat" als bronlocatie niet voor de hand ligt, is dit, zoals BPD Ontwikkeling terecht stelt, niet nader onderzocht.

Ook is met het aanvullend onderzoek van Anteagroup geen organisatorische samenhang tussen de grond- en grondwaterverontreiniging aangetoond. Het rapport "Aanvullend onderzoek naar VOCl in grond Kanaalweg 19 te Dieren" van Aveco de Bondt van 18 juli 2014 waarnaar door BPD Ontwikkeling wordt verwezen, is evenmin beslissend voor de vraag of al dan niet sprake is van één geval van verontreiniging.

3.3. Gelet op het voorgaande is niet komen vast te staan dat organisatorische samenhang bestaat tussen de grond- en grondwater-verontreiniging. Het college heeft deze verontreinigingen dan ook op onjuiste gronden aangemerkt als één geval van verontreiniging als bedoeld in artikel 1 van de Wbb.

De beroepsgrond slaagt.

4. Het beroep is gegrond. Het besluit van 11 februari 2016 dient wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

Gelet hierop behoeven de overige gronden geen bespreking meer.

5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 11 februari 2016, kenmerk 2015-015222;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij BPD Ontwikkeling B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan BPD Ontwikkeling B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. H.C.P. Venema en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.T. de Jong, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. De Jong

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2017

628.